< Terug

‘Slechts’ een priesterhemd

David, schaars gekleed dansend voor de ark, zijn vrouw Michal die daar haar neus over ophaalt en David die haar op zijn beurt op haar plek zet: het is een verrassend levensecht relaas over het huwelijksleven van Israëls meest geliefde koning, maar ook een verhaal dat de nodige vraagtekens oproept. Was Michals reactie inderdaad misplaatst? Of had zij toch een punt, en had David zich inderdaad ‘ontbloot’ (overigens ook al een woord met ambigue betekenislagen, van een goddelijke openbaring, bijvoorbeeld in Genesis 35:7 en Jesaja 22:14, tot en met seksueel aanstootgevend gedrag, zoals in Exodus 20:26; Ezechiël 16:36)? En als David inderdaad te weinig om het lijf had, waarom krijgt Michal dan niet alleen van David zelf, maar ook van de verteller de wind van voren?

Beeld 'David danst voor de ark van het verbond'. Italiaans. Rome, omstreeks 1660-1665. Victoria and Albert Museum, Londen.
David danst voor de ark van het verbond. Italiaans. Rome, omstreeks 1660-1665. Victoria and Albert Museum, Londen.

Vol overgave of onwaardig?

De vraag hoe terecht Michals kritiek was, is niet makkelijk te beantwoorden. Het bedoelde kernvers wordt in de NBV21 als volgt weergegeven:

Vol overgave danste hij voor de HEER,
slechts gekleed in een linnen priesterhemd.
(2 Samuël 6:14)

Het is verleidelijke om te focussen op het ‘linnen priesterhemd’ (efod in het Hebreeuws). Hoe zag dat eruit? Bedekte het zijn drager voldoende, of was het eerder een hemdje dat bedoeld was om in combinatie met andere kledingstukken te dragen? Maar om goed te kunnen beoordelen of David echt te weinig om het lijf had, spelen ook andere vragen mee. Hoe moeten we ‘vol overgave’ interpreteren?

Met wat voor bewegingen ‘danste’ David precies voor de HEER? Of een kledingstuk de drager voldoende bedekt, heeft tenslotte ook met de manier waarop die drager zich beweegt (denk aan de waarschuwing in Exodus 20:26 om geen treden aan te brengen voor het altaar, omdat anders de geslachtsdelen van de priester zichtbaar zouden zijn).

De eerste uitdaging is dat het Hebreeuwse woord dat hier met ‘dansen’ vertaald is (karar), alleen hier en in vers 16 van hetzelfde hoofdstuk voorkomt. Vertalers kunnen dus niet terugvallen op andere teksten om de betekenis ervan te doorgronden. In het Ugaritisch en het Arabisch zijn er woorden die erop lijken, maar veel meer dan dat het waarschijnlijk om een (al dan niet wild) draaiende beweging gaat, valt daar niet uit af te leiden. In vers 16 wordt karar aangevuld met phazaz (NBV21: ‘springen’), volgens Köhler-Baumgartner een beweging die op die van een gazelle lijkt.

Het feit dat de andere versie van dit vers, in 1 Kronieken 15:27, beide woorden weglaat, geeft in ieder geval te denken. Zouden hun connotaties toch een wat gemengd beeld geven van het gedrag van de koning die in de ogen van de auteur van Kronieken vrijwel volmaakt was?

De manier waarop David volgens vers 14 danst, namelijk ‘vol overgave’, is ook niet helemaal eenduidig. De meest algemene vertaling van het Hebreeuws zou ‘uit volle kracht’ zijn. Het bijvoeglijk naamwoord dat hierbij hoort, kan echter ook een enkele keer een negatieve bijklank hebben (in Prediker 8:1 bijvoorbeeld ‘streng’, en in Daniël 8:23 ‘meedogenloos’). Klinkt die nuance op de achtergrond mee, of is het enkel Michals blik die hier geen overgave maar losbandigheid ziet? Ook deze woorden zijn in de versie in 1 Kronieken 15 weggelaten.

Priesterhemd of priesterschort

En dan het priesterhemd waarin David danst: hoe goed bedekte dat zijn drager? Van een kledingstuk dat bedoeld was voor de tempeldienst zou je misschien verwachten dat het niet al te onthullend is geweest. De schijn bedriegt echter: volgens alle omschrijvingen is de efod bedoeld om in combinatie met andere kledingstukken te dragen.

In Exodus 28:4-14 wordt precies beschreven hoe de efod voor Aäron moet worden gemaakt: van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmezijnrode wol en fijn linnen garen (vers 6), met een kunstig geweven band als gordel, twee onyxstenen om het geheel op de schouders bij elkaar te houden (vers 12), en daaraan bevestigd twee ringen om de borsttas met de orakelstenen aan vast te binden. Het geheel lijkt eerder op een schort dan op een hemd, en wordt in deze context dan ook op die manier vertaald (NBV21 en BGT, NBG51 en HSV laten efod staan).

Onder de efod hoorden een tuniek (NBV21, BGT heeft ‘versierd hemd’ en NBG51 en HSV ‘onderkleed’) en een bovenkleed van blauwpurperen wol. Een efod op zichzelf zou, met andere woorden, inderdaad (veel) te onthullend zijn geweest voor een publiek optreden. Overigens dragen ook anderen dan alleen de hogepriester een efod, zij het van iets simpeler makelij: de jonge Samuël, bijvoorbeeld (1 Samuël 2:18), en de vijfentachtig mannen die bij het heiligdom van Nob dienst doen (1 Samuël 22:18).

Het is dus goed te begrijpen dat de Kronist er voor de zekerheid voor kiest om David ook nog een linnen mantel aan te trekken – hetzelfde Hebreeuwse woord als het ‘bovenkleed’ in Exodus 28:4 (metsil). Ook de rest van het gezelschap draagt zo’n linnen mantel, alleen David draagt hier overheen ook nog een linnen priesterhemd (efod), misschien om aan te geven dat hij een speciale cultische taak op zich nam. Dit lijkt eerder in de buurt te komen van het gewone gebruik van een efod dan de omschrijving in 2 Samuël. De vraag blijft echter of de Kronist hier iets expliciet maakt dat in 2 Samuël alleen geïmpliceerd wordt (de auteur van die tekst zegt niet dat David niets anders droeg dan een efod), of dat in Kronieken iets rechtgezet wordt dat de waardigheid van David in gevaar zou kunnen brengen.

‘Verkozen boven jouw vader en heel zijn familie’

Uiteindelijk moet de lezer zelf kiezen of zij, samen met Michal, een ‘dwaas’ ziet die zich op een manier gedraagt die een koning onwaardig is, of een koning die juist het goede voorbeeld geeft door zijn waardigheid af te leggen in zijn enthousiasme voor de HEER. De auteur kiest duidelijk de kant van David. Of preciezer: hij kiest tegen Michal, ten eerste door terloops te vermelden dat ze kinderloos bleef – in die tijd nog meer dan nu een emotionele en sociale doodsteek, en ten tweede door haar af te schilderen als het stereotype van de humeurige vrouw, zoals we dat ook in Spreuken 21:9 en 19 tegenkomen. Je kunt beter op een hoek van het dak of zelfs in de woestijn wonen dan in één huis met zo’n vrouw. Het bijtende sarcasme van Michal past naadloos in dat plaatje.

De NBV21 heeft, door het woordje ‘slechts’ toe te voegen aan vers 14, Michal subtiel gerehabiliteerd: inderdaad, wat David hier om het lijf heeft, is te weinig voor een publieke vertoning. Maar het hoofdpunt van dit verhaal is een andere. Parallel aan het verhaal over de tocht van de ark naar Jeruzalem vertelt de auteur tussen de regels door ook iets over de twee koningshuizen die je in deze tekst tegenkomt. Ondanks haar eerdere loyaliteit aan David (1 Samuël 19) wordt Michal in deze tekst vooral afgeschilderd als dochter van Saul, de koning die in 1 Samuël 15 gewogen en te licht bevonden was (2 Samuël 6:16.20).

Net als destijds Saul stelt Michal andere prioriteiten dan volgens de auteur wenselijk is, door vooral te luisteren naar het (mogelijke) oordeel van mensen in plaats van God. David heeft hier volstrekt geen last van – hij danst ‘voor God’, zonder zich iets van de publieke opinie aan te trekken, en dat is wat voor de auteur telt. De vraag of en hoezeer David zichzelf had ontbloot, is voor hem secundair.

Anne-Mareike Schol-Wetter is hoofd Bijbelgebruik bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG).


< Terug