< Terug

Graan en koren

tarwe

De woorden ‘graan’ en ‘koren’ kunnen min of meer als synoniemen worden beschouwd. Beide zijn verzamelbegrippen. In ons land worden verschillende graan- of korensoorten verbouwd: tarwe, gerst, rogge, haver. Zowel graan als koren heeft vaak een collectieve betekenis: het graan/koren op het veld heeft schade geleden door een hevige hagelbui. Wanneer gesproken wordt over ‘een zak graan’ dan wordt bedoeld dat de betreffende zak gevuld is met graankorrels. In diezelfde geest is het mogelijk te spreken over ‘een zak koren’.

Grondtekst

Het Hebreeuws kent een aantal woorden voor ‘graan’ of ‘koren’: bar (Gen. 41:35,49; 42:3,25; 45:23; Ps. 65:14; 72:16; Spr. 11:26; 14:4; Jer. 23:28; Joël 2:24; Am. 5:11; 8:5-6); dagan (Num. 18:27; Neh. 5:2-3,10; Ps. 65:10; Ez. 36:29); riefot – graankorrels (2 Sam. 17:19; Spr. 27:22); chittah heeft dikwijls de specifieke betekenis van ‘tarwe’ gekregen (o.a. Ex. 9:32; Deut. 8:8; 2 Sam. 4:6; 17:28; 1 Kon. 5:15). In het Nieuwe Testament komt 14x het Griekse woord sitos voor dat met graan of koren vertaald wordt (Mat. 3:12; 13:25,29,30; Mar. 4:28; Luc. 3:17; 12:18; 16:7; 22:31; Joh. 12:24; Hand. 27:38; 1 Kor. 15:37; Op. 6:6; 18:13).

Letterlijk en concreet

a.Al eeuwen voor de intocht van de twaalf stammen in Kanaän werd daar op uitgebreide schaal landbouw beoefend. Archeologisch onderzoek heeft dat onmiskenbaar aangetoond. Vanzelfsprekend waren niet alle delen van het land even geschikt. De vruchtbaarheid van een gebied wordt bepaald door een combinatie van de bodemgesteldheid en van de hoeveelheid regen die er valt. Na de verovering van het beloofde land deed zich een ingrijpende verandering voor in de samenleving van de Israëlieten. Zij die oorspronkelijk als nomaden hadden geleefd, werden boeren die met het bebouwen van het land in hun levensonderhoud voorzagen. In de bijbel wordt niet verzwegen dat het volk Israël dit vak niet zelf heeft uitgevonden, maar het overnam van bewoners die het land voordien bevolkten (Deut. 6:10-11).

b.Graan was in bijbelse tijden het belangrijkste voedingsmiddel. Het werd tot meel gemalen en vervolgens tot brood gebakken. Mogelijk was ook dat de korrels geroosterd werden gegeten (1 Sam. 17:17; 25:18). De bekendste graansoortenwaren: tarwe (Gen. 30:14; Ex. 34:22; Richt. 6:11; 15:1; 1 Kon. 5:11; 2 Kron. 2:15; Ez. 27:17); gerst (Lev. 27:16; Ruth 2:17; 3:15; 2 Kon. 4:42; Joh. 6:9,13): gierst (Jes. 28:25) en spelt (Ex. 9:31; Jes. 28:25; Ez. 4:9).

c.Het boerenbedrijf was in bijbelse tijden bijzonder arbeidsintensief. In die situatie is eeuwenlang overigens nauwelijks verandering opgetreden. Eerst de mechanisatie van de landbouw in de laatste decennia heeft daaraan een radicaal einde gemaakt. Met als gevolg dat de inrichting van de boerderij grondig is veranderd en zelfs het landschap langzaam maar zeker een gedaantewisseling ondergaat. In het oude Oosten kwam men op drukste momenten van het seizoen – vooral in de tijd van de oogst -vaak handen tekort. Het sprak vanzelf dat de gehele familie, van jong tot oud, meehielp. Zonodig werden dagloners ingeschakeld (Mat. 20:1-16).

d.Zowel in de tijd van het Oude Testament (1 Kon. 5:11; 2 Kron. 2:15; Ez. 27:17 – vooral naar Tyrus) als van het Nieuwe Testament (Hand. 27:38 – naar Rome) was graan voor Israël een belangrijk exportartikel.

Beeldspraak en symboliek

a.Graan in het algemeen en tarwe in het bijzonder werd gezien als een kostbaar geschenk van God: ‘Met kostelijke tarwe zou Ik (God) Israël voeden en in overvloed honing schenken uit de rots’ (Ps. 81:17; vgl. Ps. 147:14). In het laatste bijbelboek wordt tarwe genoemd in een opsomming van kostbaarheden (Op. 18:11-13).

b.Omdat graan het belangrijkste voedingsmiddel was, betekende een verhoging van de prijs een ‘apocalyptische’ catastrofe voor een groot deel van de bevolking (Op. 6:6).

c.In enkele gelijkenissen in de evangeliën van Marcus en Matteüs speelt het beeld van het zaaien, groeien, maaien een belangrijke rol ter illustratie van de wijze waarop het Koninkrijk van God zal komen: de gelijkenis van de zaaier (Mat. 13:1-9,18-23; Mar. 4:1-9,13-20; Luc. 8:48,11-15); de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe (Mat. 13:24-30,36-43). d. De graankorrel die gezaaid wordt, verdwijnt in de grond. Enige tijd later schiet op die plaats een aar op die nieuwe graankorrels draagt. Het verdwijnen van de één heeft het leven van anderen tot gevolg. Alleen in het vierde evangelie wordt dat beeld gebruikt in verband met de dood van Jezus: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort’ (Joh. 12:24).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 65; 72; Gezang 34; 64; 65; 199; 248; 479; Bijbel I; 25; Eva I: 6; 37; II: 42; Evangelie II: 6; Gezangen: 755; Leven: 8; ZAD III: 28; IV: 20; Zing: 44; Zingend I-II: 7; 130134; 261; 262; III: 29; IV: 60; 67; V: 47b; 49; 50; VI: 50; 63; 67; Zleven: 30; 35; 47.

b.Poëzie:

Bertus Aafjes, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1990, blz. 290: ‘Maai mij’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 524: ‘Aanzegging’; 587: ‘Georgica’. Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 229: ‘Langs het gezaaide’; 300: ‘Lofzang vanwege het lichaam’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 117: ‘Landschappen’.

c.Verwerking:

In de christelijke symboliek is graan of zijn de halmen van het koren altijd een geliefd voorwerp geweest. Graan leidt tot brood en brood geeft leven. De graankorrel vergaat in de aarde, maar in het afstervingsproces openbaart zich nieuw leven. Léven – dat is wat dichters en kunstenaars heeft aangesproken in graan of koren. Ter illustratie kunnen we christelijk liederen, bijvoorbeeld die uit Zingend Geloven (zie Zingend, bij P-a), lezen. Thema’s zijn: leven en dood, toekomst, verliezen en ontvangen, sterven en opstaan, kracht, gave.

Verwijzing

Graan heeft raakvlakken met ‘brood‘, ‘hongersnood‘, ‘zaad‘ en ‘oogst‘. Zijdelings ook met ‘vrucht‘ en ‘honing‘.

< Terug