Menu

Premium

Preekschets 2 Samuël 21:14c

2 Samuël 21:14c
Negende zondag na Pinksteren

En hierna ontfermde God zich over het land.

Schriftlezingen: 2 Samuël 21:1-14, Romeinen 8:31-39

Het eigene van de zondag

Op dit punt is niet veel te melden. De helft van Nederland is op vakantie, de andere helft houdt vakantie. Nergens wordt echt gewerkt, vrijwel niemand is ziek, want alle artsen zijn weg. Zelfs de Maastunnel kent even geen files. Ga je de stad uit, dan kom je in de zomerse rust die stil hangt rond verlaten dorpen. Augustus is een maand met dunne kranten, een maand zonder stress en zonder politiek. Toch begonnen juist in augustus haast alle Balkanoorlogen. En wat voor ‘oorlog’ zal er deze maand beginnen? Mogelijk een in ons eigen leven? Gelukkig, ons lichten de Schriften die van de Levende getuigen, bij. In augustus willen kerkgangers de Schriften horen. Er is veelal geen kindernevendienst. Heerlijk, even niet! Daarom deze maand veel bijbel en dus: predik het Woord van God.

Uitleg

De laatste vier hoofdstukken van 2 Samuël worden algemeen beschouwd als aanhangsels: verhalen die om diverse redenen niet eerder een plaats kregen, maar toch niet gemist mogen worden, omdat zij nog iets wezenlijks toevoegen. Een zekere symmetrie is de auteur in deze ‘bijlage’ niet te ontzeggen. Het middenstuk (hfst. 22 en 23) wordt gevormd door laatste woorden van David, voorafgegaan door een verhaal over de dramatische gevolgen van een zware misstap van Saul (hfst.21) en gevolgd door een soortgelijk verhaal over David (hfst. 24). Beide worden afgesloten met de mededeling, dat God zich laat verbidden ten gunste van het land (vgl. 21:14 en24:25).

De gebeurtenissen van 2 Samuël 21:7-14 moeten zich afgespeeld hebben in de beginjaren van Davids koningschap, kort na hoofdstuk 9 (Mefiboset), mogelijk zelfs nog ervoor. De vloekende Simi uit het huis van Saul (16:5-14, 19, 17-23;vgl. ook 2 Koningen 2:8-9) herinnert David in elk geval nadrukkelijk aan deze geschiedenis. Volgens Simi is David een ordinaire ‘man des bloeds’ (vgl. o.a. Psalm 5:7;55:24; 59:3; Spreuken 29:10), een die gewoon een gelegenheid zocht en vond om keihard de Saulconcurrentie uit te schakelen. De auteur laat echter zien, dat David geen blaam treft, maar dat hij trouw bleef aan zijn belofte aan Jonatan (21 7; 1 Samuël 20:15-17). Daarbij echter wist hij zich tegelijk geroepen als Messiaanse koning op te treden en ervoor zorg te dragen dat beschadigde mensen – ook al waren het geen Israëlieten – recht gedaan werd, op straffe dat God zich van zijn volk zou afwenden. In dit politieke en religieuze mijnenveld maakte David geen fouten, zo is de boodschap. Maar Rispa zou hij nooit meer vergeten, zij bewoog hem tot een hogere gerechtigheid, op grond waarvan hij toch barmhartigheid deed aan Saul en zijn huis.

Het verhaal zet in met Gods afwending. Honger (vs 1) is een van de drie of vier vaste oordelen van God (2 Sam. 24:13:. Jer. 15:3; ook Ez. 14:21). Na drie jaar raadpleegt David het aangezicht des Heren, waarschijnlijk in Gibeon (1 Kon. 3:4). Daar blijkt ook de brandhaard te zitten van Gods kennelijk misnoegen, damim, plur. bloed (ThWAT ll,248), in de betekenis van bloedschuld (Ex.22:2-3; Gen.4: 10; 1 Kon. 21:19; 2 Kon. 9:7; LXX adikia). Sauls huis is een ‘bloody house’ geworden vanwege een moordpartij die Saul aanrichtte onder de Gibeonieten. Van deze moordpartij is niets bekend. Vers 2 qin-ah, ijver, bij mensen heel vaak met negatieve betekenis (bijv. Gen. 26:14;30:7; Num. 11:29;Ps. 106: 16). Had Saul in zijn ‘ijver’ voor het volk van God een etnische zuivering in de regio gehouden? Wilde hij in Gibeon zijn hoofdstad vestigen? Maar aan de Gibeonieten had Israël een eed van trouw gezworen (Joz. 9:3- 1 5). David stelt vast, dat de Gibeonieten het erfdeel des Heren niet zegenen, wat neerkomt op vloeken en het oordeel van God afroepen. Hoe kan verzoening (vs 3 kapar bedekken, verzoenen) bewerkt worden en deze vloek opgeheven? Niet met zilver of goud (vgl. 1 Petr. 1:18), zeggen de Gibeonieten meteen. Ook niet door willekeurige wraakacties van hun kant. In ‘zeven’ speelt mee de volheid die het getal uitdrukt, er zullen zeker meer dan zeven Gibeonieten vermoord zijn. Vers 6 jaqa, kal: verrekken van een spier of ledematen (Gen.32:25), hifil: uitstallen, exposeren oftewel openlijk ophangen (vs 9 en 13;Num. 25:4). Hierbij kan men denken aan een vorm van kruisiging of verminking van de lichamen. Men vergelijke Jeremia 34:18, waar sprake is van in stukken hakken van verbondsbrekers, overgeven aan vijanden en de lijken tot voedsel geven aan vogels en wilde dieren (vgl. ook Gen. 15:10-18; Ri. 19; 1 Sam. 11:7). De zeven moeten volgens de Gibeonieten opgehangen worden voor de Here (vgl. vs 9 voor het aangezicht van de Here, en: op de berg), want Saul is tenslotte de uitverkorene des Heren (vs 6). Voor de locatie zal men waarschijnlijk moeten denken aan het heiligdom in Gibeon (1 Kon. 3:4; Gibeon en Gibea worden dan niet goed onderscheiden door de auteur).

David bewilligt opvallend snel. Kennelijk is de zaak hem glashelder. Hij spaart echter Mefiboset de zoon van Jonatan, anders zou hij zelf weer schuldig worden aan het verbreken van een eed (vgl. vs 2 en vs 7). De slachtoffers zijn de twee zonen van Rispa (2 Sam. 3:7) en vijf kleinzonen van Saul, de zonen van Merab. Het is niet waarschijnlijk dat deze zeven mannen ook zelf meegedaan hadden aan de moordpartij van eertijds (Goslinga). Zij sterven puur plaatsvervangend. Oog om oog, tand om tand, leven voor leven, bloed voor bloed. Deze ‘oplossing’ mag ons geweldig tegenstaan, voor het besef van de mensen toen zal David juist en rechtvaardig gehandeld hebben. Want de Gibeonieten moet recht gedaan worden, anders kan God hen niet zegenen, maar blijft zijn oordeel op Israël rusten. Zo worden de zeven tegelijk, op één dag, geëxecuteerd en opgehangen, aan het begin van de gerstoogst. Dat is begin april. Daarmee zou het verhaal afgelopen kunnen zijn. Een bloedschuld is vereffend. God is rechtvaardig en David ook.

Maar het verhaal is nog lang niet uit. Want Rispa legt zich niet neer bij deze gang van zaken. Haar naam betekent ‘gloeiende steen’, waarbij je moet denken aan vurige ogen. Kennelijk een vrouw met uitstraling en passie. Zij was de concubine van Saul, voor wie ook Abner zich interesseerde (2 Sam. 3) Ook op David maakt deze ‘gloeiende steen’ grote indruk, en zelfs op God. Doordat zij de wacht betrekt onder de zeven opgehangenen en ervoor zorgt, dat de roofvogels en roofdieren geen kans krijgen zich aan de lijken tegoed te doen. Daarmee verzet Rispa zich heftig en openlijk tegen het gericht van God, dat deze zeven onschuldigen getroffen heeft. Dag en nacht probeert zij met grote passie fase twee van Gods gericht (overgeleverd te zijn aan de vogels en de wilde dieren) te saboteren, zittend op een ‘stuk grove stof’ (NV). De Statenvertaling vertaalt met ‘zak ‘, hebr. saq. Bedoeld is inderdaad een stuk grove stof van geiten- of kameelhaar, door haar gebruikt als matje om op te zitten. Als kledingstuk heeft het altijd te maken met toegeslagen of aangekondigde drama’s, daarom een boete- en rouwkleed. Zo bijvoorbeeld Jakob bij het horen van de dood van Jozef (Gen.37:32-35), of David bij de moord op Abner (2 Sam. 3:31; vgl. ook Jona 3; Ps.30:12; 35:13;ThWAT VII, 849 saq). Denk ook aan de uitdrukking ‘in zak en as zitten’. Met haar daad gaat Rispa regelrecht tegen David (en tegen de God van David) in. Vergelijk vers 8: ‘Toen nam (laqach) de koning (…) en gaf (natan) (…)’ en vers 10: ‘Toen nam (laqach) Rispa en… niet gaf (natan) zij’. Rispa houdt vol totdat de hemel zich neigt en het water van de hemel neerstroomt over de zeven gehangenen. Dat kan betekenen, dat Rispa daar zat tot het begin van de herfst, maar het is niet ondenkbaar, dat de hemel zich veel eerder openscheurde. Over deze vrouw en haar zonen. ‘Een ogenblik duurt zijn toorn’ (Ps. 30:6).

Het optreden van Rispa heeft David duidelijk diep geraakt. Als God zich neigt en laat bewegen door Rispa’s passie, kan hij niet achterblijven. Persoonlijk gaat hij naar Jabes waar hij openlijk zorg draagt voor de begrafenis van de beenderen (de mannen van Jabes hadden uit voorzorg de lijken verbrand en de beedleren begraven) van Saul en Jonatan (vgl. 1 Sam. 31; behalve Jonatan sneuvelden ook Sauls zonen Abinadab en Malkisua). Had hij dat niet veel eerder moeten doen? Hij maakt ook een einde aan de toestand op de berg van Gibeon. De zeven opgehangen Sauliden worden samen met de anderen begraven in Sela (vs 14, een plaatsnaam, of misschien is bedoeld een bijzondere grafkamer) in het familiegraf van Kis. Eindelijk rust, vrede, opheffing van vloek. Een eerlijk graf is nog altijd een zegen. Ook Jezus is begraven.

Vers 14 En God liet zich bidden ten gunste van het land na deze dingen… Bidden in de zin van verbidden , hebr. atar (ThHAT II,386; vgl. ook de NV van het woord in 2 Sam. 24:25).atar is een sterk woord voor bidden, vooral: voorbede. Adres is altijd God. In niphal zich laten ver-bidden. Het woord wordt steeds gebruikt in een context, waarin iemand – een man Gods – voor anderen biddend intreedt bij God. Het gaat niet alleen om bidden, maar om intercessie, to intreat. Zo Isaak voor Rebekka (Gen.25:21) en Mozes voor Farao (Ex. 8:29,30; 9:28; 10:18; vgl. ook Jes. 19:22 en 2 Kron. 33:13). Bii atar gaat het oorspronkelijk om ‘ganz verschiedene Weisen eines stellvertretenden beschwichtigende Einwirkens auf den erzürnten Gott, die mit Gebet nichts zu tun haben brauchten. Erst später wurde dieser spezifische Vorgang in das allgemeine Gebetsgeschehen eingeebnet’ (ThHAT II, 386). Dat God zich laat verbidden in ‘den lande’ en zijn zegen na drie jaar hongersnood weer geeft – de regen stroomde neer – is genade en in zoverre puur ontferming. Bij ‘hierna’ denke men aan heel het verhaal: de zeven openlijk gehangenen als compensatie voor de vermoorde Gibeonieten, Rispa’s verzet en beroep op God tegen God, Davids openlijke zorg en respect (als een Nikodemus) om een rustplek te vinden voor Saul, zijn zonen en kleinzonen, in het familiegraf van Kis. Zo komen de dingen weer in balans. De lucht is gezuiverd. ‘…de Here zal het goede geven, en ons land zal zijn gewas voortbrengen; gerechtigheid zal voor Hem uitgaan’ (Ps. 85: 1 3- 14).

Aanwijzingen voor de prediking

1. Een preek over dit bijbelgedeelte kan bijna niet mislukken, als men zich althans voorneemt het verhaal te vertellen. Dat is zo spannend, zo vreemd, bizar en uitdagend, tegelijk zo diepontroerend, dat een preek over deze stof bij voorbaat een ‘succes’ is.

2. Het verhaal wemelt van motieven, gedachten en thema’s. Het gaat over bidden, over economische crisis als oordeel van God, over bezinning: wie hebben wij als volk beschadigd? Het gaat over recht doen en verzoening bewerken, over geloof en gevecht met God, over begraven worden en thuiskomen. En in alles gaat het om God zelf. Daarom kieze men voor de preek één motief om in te zetten.

3. Dat zou bijvoorbeeld het laatste vers kunnen zijn. Dan zet je de preek in metde opmerking, dat dit toch wel een heel bizar verhaal is en dat het ons mogelijk heel erg tegenstaat dat God kennelijk pas ‘omgaat’ doordat Rispa, een moeder als Maria onder het kruis, zo bij Hem aanhoudt. Moet God dan door ons bidden ‘bewogen’ worden? Wat betekent ver-bidden precies? Is dat niet te menselijk van God gedacht? Is God dan niet ‘gewoon’ genadig?

4. Ja maar.. de Gibeonieten bidden ook. En met hen rijen slachtoffers in deze wereld, en beschadigden in onze samenleving. Ook zij bidden, of liever: zij vloeken soms het erfdeel des Heren en leggen zo een vloek op de èrèts van God. Terecht? Laten we hun trauma’s niet onderschatten. Er moet recht gedaan worden, niet alleen bij het RIAGG.

5. We mogen de eis van de Gibeonieten bizar vinden, maar het is ook ieder van ons duidelijk dat je met ‘zilver en goud’ eigenlijk maar heel, heel weinig kunt uitrichten, als het gaat om goedmaken van blijvende schade. Er moet betaald worden. Dat kost altijd ontzettend veel van ons zelf. Heel veel schade is nooit meer goed te maken. Maar een enkel symbolisch offer – pakweg zeven Sauliden, de val van een kabinet (Srebrenica), een openlijk excuus, herstelbetalingen – kan wel een gebaar zijn, dat

veel goedmaakt. David weet precies hoe een en ander werkt. De Gibeonieten en God moet recht gedaan worden, zodat er weer zegen oftewel regen kan vallen.

6. De gedachte dat ook God zich niet ‘met zilver of goud’ of meestal nog minder laat tevredenstellen, mogen velen achter zich gelaten hebben in hun afkeer van een hard godsbeeld, – zo’n hard godsbeeld heeft wel iets heel redelijks.

7. In deze gedachtegang is Rispa echter de grote stoorzender. Zij verzet zich hartstochtelijk tegen de redelijke. inzichtelijke verzoeningsact van David. Want God is anders. Moet volgens haar anders zijn. God kan meer. ‘Niet eeuwig zal Hij toornen’, zo zingen de psalmen. Rispa wist, dat toorn en vloek niet en nooit de laatste woorden van God zijn, daar zij niet Zijn wezen uitmaken. Na een paar weken bezweek God’ (De Vries, 44). En Noordmans (230): ‘Zij neemt geen genoegen met die zijde van Hem, die haar op de berg ontmoet. Zij eist, dat Hij ook anders zal kunnen zijn.’ Rispa beukt op het hart van God, overtuigd dat bij Hem een hogere gerechtigheid moet zijn. En die is er ook. Doordat God het oordeel naar zichzelf toetrekt. Niet zeven kruisen, maar één kruis. Eenmaal voor allemaal. En de regen stroomde neer. De gedachtegang zit dicht tegen die van Paulus in Romeinen 8 aan: God die zichzelf niet wilde sparen… wij zijn slachtschapen..’ En ook, nog diepzinniger: ‘Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’ (2 Kor. 5:21).

5. David gaat meteen met God mee. Als God zich laat verbidden door Rispa, dan ook David. In plaats van gerechtigheid, bewijst hij barmhartigheid en respect zoals eertijds steeds jegens Saul, de uitverkorene des Heren. Respect ook voor zijn zonen en ook voor deze mannen die onschuldig de straf moesten opvangen. Voor een heel huis, een land, een volk. Zij vinden rust in het graf van hun vader. Dat betekent toch zoiets als ‘eind goed, al goed’. Want God is een God, die zich laat verbidden.

Liturgische aanwijzingen

In deze maand zijn zelden bijzondere diensten te verrichten. Op de laatste zondag, als de kinderen weer naar school zijn, is er vaak een doopbediening. Ik beperk me daarom tot het noemen van enkele psalmen en gezangen: Psalm 30; 65; 85; 86; 123; Gezang 17 5; 187; 190; 48 I :4.

Geraadpleegde literatuur

Van de gebruikelijke handboeken en commentaren, waarvan een aantal ons helaas aan ons zelf overlaat – geen Calvijn, geen BK, geen POT-noem ik expliciet:

  • E. Jenni en C.Westermann, Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, München 1971 (ThHAT)

  • G.J. Botterweck en H. Ringgren, Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament, Stuttgart 1973 (afgekort ThWAT).

  • T.J.M. Naastepad, Het geheim van Rachel, Antwerpen 1965

  • M.R. van den Berg, Het tweede boek Samuël, Amsterdam 1997

  • Nico ter Linden, Het verhaal gaat deel 3

  • E. de Vries, David koning van Israël. De neergang van zijn koningschap, Kampen

  • En voor de schets van deze zondag natuurlijk O. Noordmans, Verzamelde Werken deel 8, Kampen 1990, 228v

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken