Menu

Premium

Satan

duivel, slang

Enige jaren geleden werd een boeiend boek over Maarten Luther gepubliceerd met de volgende veelzeggende titel Luther, mens tussen God en duivel. De reformator was een kind van zijn tijd. Hij leefde op de grens van de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Zoals vrijwel al zijn tijdgenoten werd hij beheerst door angst voor de duivel of satan. Soms meende hij hem zelfs te horen of te zien. Het verloop van de geschiedenis heeft geleerd dat die angst nog eeuwenlang de mens het leven zuur heeft gemaakt. De laatste decennia is het beeld drastisch gewijzigd. De grote tegenstrever van God is van het toneel verdwenen. Tegenwoordig wordt het kwaad in de wereld niet of nauwelijks meer aan de invloed van satan toegeschreven. De moderne mens acht zichzelf verantwoordelijk voor zijn/haar doen of laten.

Grondtekst

Het Hebreeuws kent het woord satan dat in de eerste plaats gebruikt kan worden in menselijke relaties en daar de betekenis heeft van ‘tegenstander’ of ‘aanklager’ (1 Sam. 29:4; 2 Sam. 19:23; 1 Kon. 5:18; 11:14,23,25; Ps. 109:6). In het verhaal over Bileam wordt verteld dat de engel van de Heer zich als een satan, als een tegenstander opstelt (Num. 22:22,32). In de beide eerste hoofdstukken van het bijbelboek Job treedt de satan op als een zelfstandige figuur, die God uitdaagt de rechtvaardige Job op de proef te stellen (Job 1:6-12; 2:1-7). In zijn functie van ‘aanklager’ verschijnt satan ook in een profetische tekst (Zach. 3:1-2). Verspreid over een groot aantal geschriften in het Nieuwe Testament komt satanas voor – een vergriekste vorm van het Hebreeuwse satan (Mat. 4:10; 12:26; 16:23; Mar. 1:13; 3:23,26; 4:15; 8:33; Luc. 10:18; 11:18; 13:16; 22:3,31; Joh. 13:27; Hand. 5:23; 26:18; Rom. 16:20; 1 Kor. 5:5; 7:5; 2 Kor. 2:11; 11:14; 12:7; 1 Tess. 2:18; 2 Tess. 2:9; 1 Tim. 1:20; 5:15; Op. 2:9,13,24; 3:9; 12:9; 20:2,7). Niet minder ‘populair’ bij de nieuwtestamentische auteurs was het woord diabolos, afgeleid van het werkwoord diaballoo dat oorspronkelijk onder meer kon betekenen: ‘iemand aanklagen’ (vgl. Luc. 16:1) of ook ‘iemand valselijk beschuldigen’. Het zelfstandige naamwoord diabolos kan derhalve worden vertaald met ‘aanklager’ of ‘lasteraar’. In de meeste vertalingen van het Nieuwe Testament is gekozen voor ‘duivel’ (Mat. 4:1,5,8,11; 13:39; 25:41; Luc. 4:2,3,6,13; 8:12; Joh, 6:70; 8:44; 13:2; Hand. 10:38; 13:10; Ef. 4:27; 6:11; 1 Tim. 3:6-11; 2 Tim. 2:26; 3:3; Tit. 2:3; Hebr. 2:14; Jak. 4:7; 1 Petr. 5:8; 1 Joh. 3:8,10; Judas 9; Op. 2:10; 12:9,12; 20:2,10).

Letterlijk en concreet

a.Uit het bovenstaande tekstmateriaal kunnen twee conclusies worden getrokken: (a) in het Nieuwe Testament zijn de woorden diabolos en satanas als synoniemen te beschouwen; (b) in de oudtestamentische literatuur is de belangstelling voor de satan aanzienlijk minder groot dan in de geschriften van het Nieuwe Testament.

b.Ter illustratie van het bovenstaande het volgende. In het befaamde verhaal in het bijbelboek Genesis dat vertelt over de verdrijving van Adam en Eva uit de paradijselijke tuin speelt niet de satan de hoofdrol, maar ‘de slang’: ‘Van alle dieren, die Heer God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang’ (Gen. 3:1). Wie de betreffende perikoop onbevangen tracht te lezen zal niet aan de satan denken. Dat het desondanks gebruikelijk is geworden in christelijke kring de slang in Genesis te vereenzelvigen met satan, heeft zijn oorzaak in het feit dat in het laatste bijbelboek die identificatie wel tot stand is gebracht: ‘De grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet en de hele wereld misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem’ (Op. 12:9).

c.De grens tussen werkelijkheid en fictie laat zich ten aanzien van de satan of duivel moeilijk precies trekken. In hoeverre kan worden gesproken van een gestalte die ‘zintuiglijk waarneembaar’ op aarde rondwandelt? Toch wordt hij in de verhalen ervaren als een reële kracht die kwade machten uitoefent en ernaar streeft mensen in het ongeluk te storten.

d.Het meest concreet zijn die teksten waarin de oorspronkelijke betekenis van het woord satan centraal staat. We bevinden ons dan in de sfeer van de rechtspraak: ‘Geef zijn verdediging in handen van een schurk, laat een aanklager (satan) rechts van hem staan’ (Ps. 109:6). Zo treedt de satan op in de eerste hoofdstukken van het bijbelboek Job. In de kring van ‘de zonen Gods’ – goden of engelen? – verschijnt ook de satan en brengt God zover de vrome en godvrezende Job op de proef te stellen (Job 1:6-12; 2:1-7). Een soortgelijke scène is in het boek Zacharia te vinden. De satan treedt op als aanklager tegen de hogepriester Jozua (Zach. 3:110). In dit geval krijgt de satan zijn zin niet. Hij moet zwijgen.

e.Wanneer we ons beperken tot de geschriften van het Oude Testament is het niet eenvoudig een helder beeld van de macht en invloed van de satan te krijgen. Hij verschijnt in het gezelschap van ‘de zonen Gods’ – goden of engelen -gedurende een audiëntie bij God. De satan krijgt – tijdelijk! – macht over iemand als Job. Maar hij is (nog) geen onafhankelijke macht tegenover God.

Beeldspraak en symboliek

a.Voor het joodse geloof is de volgende belijdenis van essentiële betekenis: ‘Luister Israël! De Heer is onze God, de Heer is de Enige’ (Deut. 6:4). Een anonieme profeet die aan het einde van de Babylonische ballingschap leefde, heeft diezelfde geloofsovertuiging onder woorden gebracht op een wijze die geen ruimte laat voor misverstanden: ‘Ik ben de Heer en niemand anders, buiten Mij is er geen God’ (Jes. 45:5). De formulering van dit strikte monotheïsme is het resultaat van eeuwenlange ervaringen en overpeinzingen. In oudere teksten in het Oude Testament bestaan voorstellingen waarin de God van Israël moet concurreren met andere goden. In een der Psalmen treedt Hij zelfs op als aanklager van andere goden: ‘In het hof van de goden neemt God plaats, Hij houdt rechtszitting te midden van de goden’ (Ps. 82:1). In een soortgelijk ‘hemels beraad’ verschijnt in het boek Job de satan: ‘Op de dag dat de hemelingen gewoonlijk hun opwachting maken bij de Heer, kwam ook de satan met hen mee’ (Job. 1:6).

b.De satan wordt in de oudtestamentische geloofsvoorstellingen uiteindelijk géén anti-god in de ware zin van het woord. In enkele teksten lijkt die grens soms (bijna) te worden overschreden. Dat is bijvoorbeeld het geval in verhalen over een volkstelling die koning David op het toppunt van zijn macht zou hebben laten houden. Volgens het oudste bericht ontvlamde de woede van God tegen het volk Israël en was Hij het zelf die David op de gedachte bracht het volk te tellen (2 Sam. 24). In een latere hervertelling van hetzelfde gebeuren wordt de satan verantwoordelijk gesteld (1 Kron. 21). Een strikt monotheïsme heeft de schrikbarende consequentie dat ook het kwaad aan God zou moeten worden toegeschreven. Eerder genoemde anonieme profeet, levend aan het einde van de Babylonische ballingschap, waagt het die conclusie te trekken: ‘Zo zullen zij erkennen, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang, dat er niemand anders is dan Ik alleen: ik ben de Heer, en niemand anders. Ik, die het licht vorm en de duisternis schep, die vrede maak en onheil schep, Ik, de Heer, ben het die dit alles maak’ (Jes. 45:6-7). Voor wie moeite heeft met de consequenties van deze ondubbelzinnige visie, kan de figuur van de satan uitkomst bieden. Hij is géén God. Ondanks zijn ondergeschikte positie heeft hij een zekere vrijheid verworven. Hij kan tegen God in gaan. Aan hem kunnen derhalve machten en krachten worden toegeschreven die men liever niet met God zelf in verband zou willen brengen.

c.In de vroeg-joodse literatuur zijn voorbeelden te vinden dat in de periode rondom het begin van de jaartelling onder invloed van het apocalyptisch denken aan de satan/duivel steeds meer macht werd toegekend. Zo komt in enkele passages in de geschriften van Qumran de figuur van Belial voor. Hij staat aan het hoofd van de verderfengelen en is een voortdurend gevaar voor het zielenheil van de vromen. Het is niet uitgesloten hem met satan/duivel te vereenzelvigen. Het einde der tijden zal worden voorafgegaan door een apocalyptische strijd tussen de goede en kwade machten: ‘De vorst van het licht (Michaël; vgl. Op. 12:7) hebt Gij (God) sedert overlang aangesteld om ons (de vromen) te helpen: in zijn hand zijn alle engelen der gerechtigheid en alle geesten der waarheid staan onder zijn bewind. Gij hebt Belial gemaakt voor het verderf, de engel der vijandschap: in duisternis is zijn heerschappij en zijn raadslag beoogt goddeloosheid en schuld te veroorzaken. Al de geesten van zijn erfdeel zijn verderfengelen: zij wandelen in de inzettingen van de duisternis en daarnaar gaat hun enige verlangen uit’ (Rol van de Oorlog, XIII,10-12). In dat beslissende gevecht staan mensen werkloos aan de kant. Zij kunnen niet veel meer zijn dan passieve toeschouwers, want de engelenmachten van beide partijen zullen tegen elkaar in het strijdperk treden.

d.Het is opmerkelijk dat in een van de brieven van Paulus een passage te vinden is die beïnvloed schijnt te zijn door bovengenoemde dualistische voorstellingen in het denken van de gemeente van Qumran. Terwijl de apostel verder nergens spreekt over Belial, schrijft hij in die brief de volgende zinnen: ‘Vormt geen ongelijk span met ongelovigen. Wat heeft gerechtigheid te maken met wetteloosheid? Wat heeft het licht uit te staan met duisternis? Is er enige overeenstemming tussen Christus en Belial? Wat heeft een gelovige gemeen met een ongelovige?’ (2 Kor. 6:14-15).

e.Bovenstaand citaat illustreert dat de auteurs van het Nieuwe Testament vertrouwd waren met vroeg-joodse voorstellingen betreffende de satan/duivel. In de verzoekingsverhalen in de drie synoptische evangeliën is hij de grote verleider die een vergeefse poging doet Jezus in zijn macht te krijgen (Mar. 1:12-13; Mat. 4:1-11; Luc. 4:1-13). Ook op andere plaatsen treedt hij als zodanig op, niet alleen tegenover Jezus zelf, maar ook ten aanzien van zijn volgelingen (Luc. 22:3,31; Hand. 5:3; 1 Kor. 7:5; 2 Kor. 2:11; 1 Tim. 5:15).

f.In het laatste bijbelboek wordt de satan/duivel getekend als de apocalyptische tegenstrever van God. Ook hij zit als een koning op zijn troon (Op. 2:13) en heeft de beschikking over een aantal angstaanjagende trawanten. Zo wordt gesproken over ‘een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven diademen’ (Op. 12:1-6), en over een uit de zee opkomend ‘beest met tien horens en zeven koppen’ (13:1-10), over een slang die veelbetekenend ‘de oude slang’ wordt genoemd (verwijzing naar Gen. 3) en over nog een ander beest dat uit de aarde opkomt en ‘twee horens had als die van het Lam en sprak als de draak’ (Op. 13:11-18). Het is typerend voor apocalyptische literatuur dat de voorstellingen een onhelder, mysterieus karakter dragen. Duidelijk is dat deze afschrikwekkende beesten op aarde macht hebben gekregen als direct gevolg van een strijd die zich ooit in de hemel zou hebben afgespeeld: ‘Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen vochten tegen de draak, en de draak en zijn engelen vochten terug. Maarzij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. De grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet en de hele wereld misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem’ (Op. 12:7-9). Een gelijksoortige voorstelling is te vinden in de evangeliën: ‘Ik (Jezus) zag de satan als een bliksemschicht uit de hemel vallen’ (Luc. 10:18). Ook in deze gedachtegang komt het kwaad in feite uit de hemel. Satan is een gevallen engel. Met zijn medestanders kwam hij in opstand tegen God, deed een greep naar de macht, maar werd overmeesterd. Zijn rol in de hemel is uitgespeeld, maar op aarde nog niet. In een passage in het boek van de profeet Jesaja wordt een zelfde scène uitgebeeld: ‘Hoe bent u uit de hemel neergestort, morgenster (Lucifer), zoon van de dageraad! Daar ligt u, neergesmakt in de onderwereld, overwinnaar van de volken!’ (Jes. 14:12). Zo is de satan uiteindelijk aan zijn (bij)naam Lucifer gekomen!

g.Aan het einde van het laatste bijbelboek wordt het kwaad voorgoed overwonnen. Overigens geschiedt die victorie in fasen: ‘Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. Hij greep de draak, de oude slang -dat is de duivel, de satan – en hij boeide hem voor duizend jaren, en wierp hem in de afgrond, die hij grendelde en verzegeld boven zijn hoofd, opdat hij de volken niet meer zou misleiden…’ (Op. 20:1-3). Na die duizend jaren wordt de satan voor korte tijd losgelaten. Nog eenmaal krijgt hij kans de volken te misleiden, maar dan is het eens en voor altijd met zijn macht gedaan: ‘De duivel die hen misleid had, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waarin ook het beest is en de valse profeet. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden, tot in alle eeuwigheid’ (20:10). Met deze mythologische beelden brengt de apocalypticus zijn overtuiging tot uitdrukking dat in de nabije toekomst het kwaad definitief van de aardbodem zal verdwijnen.

Praxis

a Liederen:

Liedboek: Psalm 51; 52; 101; Gezang 48; 96; 109; 121; 172; 205; 212; 222; 226; 265; 377; 401; 402; 405; 423; 426; 428; 435; Eerste: 12; 15; Evangelie I: 34; II: 13; Gezegend: 36; 150; 258; Land: 12; Zingend I-II: 271; IV: 13; V: 14; 71; VI: 66; 110.

b Poëzie:

Guillaume van der Graft, Verzamelde liederen, Baarn 1986, blz.192: ‘De engelen van het kwaad’ (ook te gebruiken als lied). Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 170: ‘Exorcisme’. Zbigniew Herbert, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1999, blz. 270: ‘Onze eigen duivel’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 107: ‘Het teken van het beest’.

c Verwerking:

De thema’s van bijbelteksten over de satan of de duivel zijn duidelijk. We noemen bijvoorbeeld: goed en kwaad, licht en duisternis, angst, dood, macht, monotheïsme en dualisme. Minder duidelijk is hoe de satan of de duivel op een theologisch en psychologisch verantwoorde wijze een plaats in onze geloofsbeleving kan innemen. We zien heden ten dage weer een toenemende aandacht voor de boze en het kwaad dat daarmee samenhangt. De filmindustrie maakt gretiggebruik van dit ‘donkere’ thema dat bij velen tot de verbeelding spreekt. Maar of de beelden die daar gecreëerd worden een goede weergave zijn van het bijbelse spreken over de kwade machten in deze wereld, valt vooralsnog te betwijfelen. Misschien mogen we voorlopig volstaan met de woorden duivel en satan als metaforen op te vatten als het kwaad dat telkens weer opdoemt in en aan mensen en daarbuiten. Deze metaforen dienen we ter wille van de verstaanbaarheid om te zetten in eigentijdse metaforen. Hoe kunnen wij vandaag het kwaad, hoe mysterieus ook, een ‘naam’ geven als het begin van zijn ontmaskering? Welke metaforen passen daarbij?

Verwijzing

De woorden satan en duivel laten verwantschap zien met de woorden ‘paradijs‘, ‘slang‘, ‘draak‘ en ‘duisternis‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken