Een glimp van de hemel
In Exodus 34 zien we hoe Mozes’ gelaat na veertig dagen en nachten op de berg bij de Heer Gods hemelse licht weerspiegelt.
In Exodus 34 zien we hoe Mozes’ gelaat na veertig dagen en nachten op de berg bij de Heer Gods hemelse licht weerspiegelt.
In Jesaja lezen we van de komende redding, glorie en gerechtigheid van Jeruzalem. De Eeuwige verlangt naar haar als een bruidegom naar zijn bruid. ‘De Heer is, trouw aan zijn woord, in aantocht als rechter van de aarde,’ zingt Psalm 96 (vs. 13).
Tempel en altaar in Jeruzalem zijn ingewijd (2 Kronieken 7:5.9). Die nacht verzekert de Heer Salomo dat Hij in dit huis voor eeuwig zijn intrek zal nemen en bij grote plagen het volk dat het hoofd buigt zijn zonden al vergeven en het land zal genezen (7:11-16). In Efeze is de gemeente Gods woning (Efeziërs 2:21-22); door het geloof woont Christus in de gemeente. Zo zal zij de liefde van Christus kennen (3:14-21).
De lezingen stellen ons maaltijden ‘uit de hemel’ voor ogen. Die brengen mensen op aarde dichter bij God, bij het volle leven dat Hij geeft. Met elkaar wijzen ze naar het vieren van de Maaltijd van de Heer.
In Micha 4:1-5 zien we de processie van alle volken naar Jeruzalem. Ze willen de weg in het leven leren van de Heer die heeft overwonnen. Groot feest: eindelijk vrede en rust voor iedereen, ook de kreupelen en de verstrooiden (4:6). In Psalm 98 juicht de hele schepping: de Heer komt om de wereld te oordelen naar recht en wet. Psalm 4 weet van verdrukking, roept om ruimte en weet van het veilige huis bij de Heer.
Jesaja 55:1-11 roept de teruggekeerde ballingen in het ontredderde Jeruzalem op: Laaf en voed je met de gaven van Gods gratie, zoek de Heer terwijl Hij zich laat vinden! In Daniël 3:52-56 (deuterocanoniek) zingen de jongelingen in de vurige oven uitbundig de lof van de Eeuwige op zijn hemelse troon. Met dit lied stemmen ook wij in met ‘al Zijn werken’ (LB 154, Benedicite).
De schriftlezingen voor de viering van Allerheiligen waren al in zwang toen Paus Gregorius IV (ca. 840) 1 november invoerde als datum die voortaan overal in de kerk zou gelden voor dit toen al eeuwenoude feest. Door de eeuwen heen hebben ze bewezen een bron van troost en uitzicht te zijn voor de lijdende en strijdende kerk op aarde. Het rooster beveelt deze lezingen ook aan voor protestantse en lutherse gemeenten die op de laatste zondag van het kerkelijk jaar de overledenen gedenken.
‘Juich, Sion – de koning van God is in aantocht,’ roept Zacharia. Zittend op een bescheiden rijdier draagt Hij gerechtigheid en zege, strijdwagens en paarden verjaagt Hij. Wereldwijd brengt Hij vrede. De psalm roept op tot lof aan God om zijn grote en goede daden – ook aan kleine en gebukte mensen (145:14-16). De apostel schrijft aan de Romeinen hoe mensen die zich toevertrouwen aan de Heer vrij zijn tot gerechtigheid, geen slaaf meer van de zonde. Leven, niet meer de dood is hun deel.
De Israëlieten, net vertrokken uit het diensthuis, werden doodsbang toen Farao met zijn leger hen inhaalde. De Heer redde hen van de ondergang (Exodus 14:9-14). Op deze Paasdag zingt de kerk met woorden van Israël: ‘Ik zal niet sterven, maar leven en de daden van de Heer verhalen.’ Zij herkent haar Heer Jezus Christus in de afgekeurde steen die een hoeksteen werd. Hij is gestorven en leeft (Psalmen 118:17.22).