Bij Jesaja 56,1-7 en Matteüs 15,21-28Tussen twee ‘wonderbare spijzigingen’ (Matteüs 14,13-21 en Matteüs 15,31-38) in plaatst Matteüs Jezus’ ontmoeting met een Kanaänitische vrouw, waarin de omgang met brood in eerste instantie heel wat minder royaal lijkt dan in de verhalen ervoor en erna: het is niet goed het voor de honden te werpen. Lees: de buitenstaanders, de buitenlanders. Jesaja 56 klinkt inclusiever. Dit hoofdstuk staat dan ook nog onder het beslag van de universele nodiging die in Jesaja 55,1-5 klinkt: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet!’De eerste lezing,
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden