Menu

Premium

Brood voor de honden?

Bij Jesaja 56,1-7 en Matteüs 15,21-28

Tussen twee ‘wonderbare spijzigingen’ (Matteüs 14,13-21 en Matteüs 15,31-38) in plaatst Matteüs Jezus’ ontmoeting met een Kanaänitische vrouw, waarin de omgang met brood in eerste instantie heel wat minder royaal lijkt dan in de verhalen ervoor en erna: het is niet goed het voor de honden te werpen. Lees: de buitenstaanders, de buitenlanders. Jesaja 56 klinkt inclusiever. Dit hoofdstuk staat dan ook nog onder het beslag van de universele nodiging die in Jesaja 55,1-5 klinkt: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet!’

De eerste lezing, het begin van zogenoemde Trito-Jesaja, opent met: ‘Waakt over recht en doet gerechtigheid’ (Jesaja 56,1 – Naardense Bijbel). Dat is ‘wat goed is en wat de Here van u vraagt’ (Micha 6,8), de profetische samenvatting van waar het in de relatie tussen de Eeuwige en Israël in principe en uiteindelijk altijd om draait, een samenvatting die in Tenach talloze malen klinkt. Doet gerechtigheid, ‘want mijn heil is nabij om te komen, mijn gerechtigheid om zich te onthullen’ (Jesaja 56,1 – Naardense Bijbel).

Het heil voor alle volken

Het doen van gerechtigheid berust op wederzijdsheid: beide partijen zijn ervoor verantwoordelijk. De een, het volk, kan niet zonder de ander, JHWH, en vice versa: de sterveling – de ben ’adam, zoon van Adam (of: mensenzoon), zoals er letterlijk aan toegevoegd wordt – niet zonder de Eeuwige. ‘(Wel)zalig’ zal hij zijn (Jesaja 56,2), zoals de man die aan de wet van JHWH welgevallen heeft (Psalmen 1,1). Met de zeer algemene aanduiding ‘zoon van Adam’ wordt al gepreludeerd op wat komen gaat, namelijk dat het heil voor alle volken zal zijn. Dat is een op z’n minst opmerkelijke kanttekening bij Deuteronomium 23,2-8, waar van een aantal vreemde volken met nadruk wordt gezegd dat ze ‘tot in het tiende geslacht’ niet ‘in de gemeente des Heren zullen komen’.[1] Het inclusieve ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad (…)’ (Johannes 3,16) is dus niet exclusief aan het Nieuwe Testament voorbehouden.
Maar aan die wereldwijde royaliteit gaat wel een enkele conditio sine qua non vooraf: over de sabbat waken (56,6)[2] en je hand in de gaten houden, dat zij geen kwaad doet. Van ophouden weten,[3] de tijd even stil zetten op een dag die letterlijk ‘apart’ is, is kennelijk van even groot belang als de algemene aansporing geen kwaad te doen.

Niet om nationaliteit, maar om vertrouwen

Ook Marcus (7,24-30) vertelt het verhaal over de Kanaänitische / Syro-Fenicische vrouw, zij het beknopter dan Matteüs: de verzen 15,22-24 ontbreken. De Matteüstekst roept bij menigeen bevreemding op, vanwege de op het eerste gezicht naargeestig nationalistische opmerkingen waarmee Jezus de wanhopige vrouw van zich af lijkt te willen houden, nadat Hij haar eerst geen woord waardig heeft geacht. Tegenover de ‘kinderen’ (Israëls) staan de ‘honden’: tegenover de ingewijden de ongewijden. Dat klinkt nogal politiek-incorrect en religieus benepen. Niek Schuman merkt erover op: ‘Deze voorstelling van zaken moge ons nogal kwetsend voorkomen, er is geen reden om aan te nemen dat dit hier zo bedoeld is. Het is in feite niets meer dan beeldspraak voor een (religieus) nationalisme dat op zichzelf geaccepteerd werd. De Kananese vrouw accepteert het in elk geval en geeft geen blijk diep gekwetst te zijn.’[4]
Hoe dat ook zij, Matteüs gebruikt de herhaalde hint naar Jezus’ beperkte taakopvatting als dramatisch stijlmiddel, zoals hij de hele scène, vergeleken met Marcus’ versie, verhevigt. De opmerkingen over Israël en de honden blijken de opmaat tot een opening. Ze zijn het zwart dat het daaropvolgende wit des te witter maakt. Het verlossende en genezende woord is pistis, dat ik bij voorkeur met ‘vertrouwen’ vertaal (Matteüs 15,28): geloof kan men een mens niet geven, vertrouwen wél. Het is een levenshouding waar Jezus volgens de evangelisten wel vaker gevoelig voor blijkt te zijn: wie vertrouwt, blijft behouden of wordt genezen.

De balling Jezus herkend als Zoon van David

De episode begint met een terugtrekkende beweging van Jezus: Hij ‘week uit’ (Matteüs 15,21 – NBV). Marcus (7,24) laat Hem ‘weggaan’. Matteüs gebruikt een woord (Gr.: anachooreoo) dat hij al zesmaal eerder gebruikte. Jozef en Maria wijken uit naar Egypte (Matteüs 2,13.14). Teruggekeerd in het land wijken zij opnieuw uit, vanwege de dreiging in Jeruzalem (Matteüs 2,22). De arrestatie en executie van Johannes de Doper doet Jezus ‘uitwijken’ (Matteüs 4,12; 14,13). Ten slotte wijkt Jezus hier (net als in Matteüs 12,15) uit, omdat de farizeeën ‘aanstoot nemen’ (Matteüs 15,12) aan zijn woorden – ze vinden ze schandalig. En dat is uit de mond van machthebbers meestal een eufemisme dat je beter serieus kunt nemen, tot op de dag van vandaag. Jezus wijkt uit, en dat uitwijken is een beweging die Hem steeds verder van Jeruzalem brengt in plaats van er dichter bij. De ontmoeting met de Kanaänitische vrouw vindt plaats in het buitenland, niet in het Beloofde Land. Uitgerekend daar wordt Jezus, de uitgewekene, de balling, aangesproken als ‘Zoon van David’ (Matteüs 15,22): zijn afkomst valt samen met zijn toekomst.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken