Menu

Premium

De broederschap op de proef gesteld

Bij Rechters 12,1-6 en Marcus 3,20-35

‘Zonen en broeders’ is een belangrijk thema in de geschiedenis van Jefta, waarvan de eerste Schriftlezing voor vandaag het slot is. Met Jefta bevinden we ons in het noordoosten van Israël, het gebied van Efraïm en Manasse, de beide zonen van Jozef (Gen. 48). Jefta is de zoon van Gilead en een hoer en wordt daarom verstoten door zijn halfbroers (11,1-3). Dit gebrek aan broederschap duurt totdat de nood aan de man komt. Want als de Ammonieten tegen Israël ten strijde trekken, komen de zonen van Gilead hun verstoten broer halen om hun voor te gaan in de strijd (11,4-11). Jefta verslaat bijna en passant de Ammonieten, zodat de verteller de nadruk legt op de gelofte die hij doet voordat hij ten strijde trekt. Hij zal namelijk de eerste die na zijn overwinning zijn huis uitkomt, aan JHWH offeren. Wie wordt het slachtoffer van deze onbezonnen gelofte? Zijn dochter, zijn enig kind, die dan ook naamloos blijft in het verhaal (11,29-40).

Wie zou denken dat het boek Rechters een verzameling heldenverhalen is, wordt hier terechtgewezen: het huilen om het menselijk onvermogen loopt als een rode draad door het boek (2,4-5; 11,37-38; 14,16-17; 20,23-26; 21,2). De eensgezindheid waarmee Israël het land Kanaän in bezit kon nemen, loopt voortdurend gevaar om geperverteerd te worden tot een stammenstrijd.

Stammenstrijd

In dit verband moet ook de verontwaardiging worden begrepen die Efraïm tentoonspreidt na Jefta’s overwinning op de Ammonieten (12,1). Toen Jefta had opgeroepen tot de strijd tegen Ammon, had Efraïm zich afzijdig gehouden. Dit gebrek aan broederschap ontaardt nu in een regelrechte stammenstrijd, waarbij de uitspraak van een woord beslist over leven en dood. Als de broederschap wordt opgeofferd op zo’n detail, is het ideaal van het samenwonen in het land (Ps. 133) ver weg. Hier kost het 42.000 man het leven. De broedertwist die hier in de geschiedenis van Jefta uitbreekt tot een broederstrijd tussen Gilead en Efraïm, zal aan het slot van het boek Rechters uiteindelijk bijna de ondergang van Benjamin, de kleinste van de broeders, tot gevolg hebben. ‘Er was geen koning in die dagen’, luidt dan ook het trieste refrein in dit boeteboek.

Wie is mijn broeder?

Het evangelie van Marcus beschrijft een heftige scène, waarin op verschillende manieren beslag wordt gelegd op Jezus. Eerst is het de menigte die het Hem onmogelijk maakt om in het huis te eten (3,20). Vervolgens (3,21) zijn het de familieleden van Jezus die Hem willen ‘grijpen’ (Grieks: krateoo – NBV: ‘meenemen, desnoods onder dwang’). Dat is vast goed bedoeld, maar het dreigt Jezus af te houden van zijn taak. Ook zijn er Schriftgeleerden die Hem met woorden onschadelijk proberen te maken, door te zeggen dat Hij door een onreine geest demonen uitdrijft (3,22). En na het centrale gedeelte waarin Jezus de Schriftgeleerden tegenspreekt (3,23-30), zijn het zijn moeder en broeders die Hem van de menigte proberen weg te roepen (3,31). Blijkbaar staan ‘normale’ familieverhoudingen op gespannen voet met wat Jezus als zijn opdracht ziet.

Het binden van de duivel

In het centrale gedeelte waarin Jezus de Schriftgeleerden terechtwijst, vallen woorden die direct met de eerdere lezing uit Rechters in verband kunnen worden gebracht. Want een koninkrijk of een huis dat tégen zichzelf verdeeld is, dat is het Israël waarin de stammen niet met elkaar samenleven, maar tegen elkaar strijdvoeren. Dat dat in de geschiedenis van Israël tot het uiteenvallen van Davids koninkrijk heeft geleid, moeten de Schriftgeleerden toch weten! Jezus begint zijn woorden met het verwijzen naar satan. Die uit het Hebreeuws afkomstige naam betekent zoveel als: degene die door elkaar gooit, evenals het Griekse diabolos waar ons woord ‘duivel’ van afgeleid is. Maar wat is nu precies het duivelse in het optreden van al diegenen die beslagleggen op Jezus? Ik noemde de pogingen van zijn familieleden zojuist goedbedoeld – en daar gaat het ook precies om: de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. De omstanders, Schriftgeleerden en Jezus’ familie zien niet welke bijzondere kracht hier van Godswege door Jezus aan het werk is. Elk op eigen wijze proberen ze Hem terug te halen naar hun eigen zekerheid, binnen hun eigen bestaanshorizon. Het uitdrijven van boze geesten is voor hen niet een wonder waardoor Gods genade in het leven van mensen zichtbaar wordt, maar iets dat van de duivel is. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, lijken ze te zeggen. Jezus doorbreekt die status quo door juist die te kwalificeren als het werk van de duivel. Pas als die sterke gebonden wordt, kan zijn huis – het rijk van de verdeeldheid – worden leeggehaald. En dat is Jezus’ werk: het binden van de duivel en hem zodoende zijn macht ontnemen.

De zonde tegen de heilige Geest

Verderop in het Marcusevangelie komen het ‘grijpen’ en het ‘binden’ nog een keer voor, namelijk in 14,46 en 15,1. Daar is het Jezus die door overpriesters, oudsten, Schriftgeleerden en de gehele raad, gearresteerd en gebonden, overgeleverd wordt aan Pilatus. Hier wordt inderdaad de sterke gebonden om zijn huis leeg te halen, dat is: de verkondiging van Gods Koninkrijk definitief te stoppen. Het is de paradox van het evangelie, dat juist door dit grijpen en binden de uiterste macht van satan, de macht van de dood, wordt gebroken.

De verbinding die Jezus maakt met het lasteren tegen de heilige Geest moet in dit licht worden gezien (3,29). Die zonde is niet het overtreden van een bepaalde regel, maar juist het niet verder kijken dan de heersende verhoudingen om de status quo en daarmee de verdeeldheid onder mensen te handhaven. Wie dat doet, sluit zichzelf uit van het Koninkrijk, waar de Geest duivels uitdrijft, mensen geneest en tot het leven brengt. Als Jezus op de kring om Hem heen wijst en die zijn moeder, broers en nu ook zusters noemt (3,34-35), sticht Hij hiermee de gemeenschap van mensen, waartoe de twaalf stammen van Israël zijn geroepen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken