Menu

Premium

De eerste diaken van Gods Rijk: Simons schoonmoeder

Bij 2 Koningen 4,18-21(22-31)32-37 en Marcus 1,29-39

Waar God aan het werk is, gebeuren soms wonderlijke zaken. Juist aan dat wonderlijke herkennen mensen dan dat iets van God aan het gebeuren is. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat als iemand in bijbelse verhalen namens God spreekt en handelt, zoals Elisa en Jezus, dit gepaard gaat met wonderlijke gebeurtenissen die als teken fungeren dat deze persoon met God te maken heeft.

In de verhalen over Elisa en de vrouw uit Sunem (2 Koningen 4 en 8) speelt de identiteit van Elisa als heilige, als man van God, een belangrijke rol. Deze vrouw herkent hem als heilige, dat wil zeggen: voor de dienst aan God apart gezette mens. Daarom laat ze in haar huis een kamer voor hem maken waarin hij zich kan terugtrekken, telkens als hij bij haar langskomt. Het is in dit vertrek dat Elisa gaat rusten en zijn gastvrouw bij zich roept in de hoop iets voor haar te kunnen betekenen. Hij geeft haar de verzekering dat zij binnen het jaar een zoon in haar armen zal sluiten. Dit gebeurt ook, en dit gegeven versterkt het beeld van Elisa als profeet van God.

Elisa als man van God

Jaren later krijgt haar zoon een zonnesteek en sterft in haar armen. Zonder haar man hiervan op de hoogte te stellen, gaat de vrouw naar Elisa toe. Samen met de profeet keert ze terug. Elisa bidt tot God, strekt zich tot tweemaal toe over het kind uit tot het weer warm wordt. Daarna laat hij de moeder haar kind meenemen, wat zij na stilzwijgend eerbetoon doet. Hiermee is het verhaal tijdelijk afgerond. Een paar hoofdstukken later krijgen de lezers te horen dat Elisa deze vrouw heeft aan- geraden om te emigreren omwille van een langdurige hongersnood. Als zij terugkeert, wil ze de hulp van de koning om haar huis en haar land terug te krijgen. Ze komt bij de koning aan, uitgerekend op het moment dat Elisa’s dienaar over haar zoon vertelt. Zo worden zij en haar zoon het levende getuigenis van Elisa’s bijzondere daden als man van God.

Jezus op weg

Nadat Johannes de Doper is gevangengenomen, begint Jezus te verkondigen in Galilea. Hij roept hierbij zijn eerste leerlingen, onderricht in de synagogen, drijft demonen uit en geneest zieken. Als een raamwerk klinkt hierbij het ‘goede nieuws’ (Marcus 1,15.38) dat Jezus’ doel is. De genezingen en uitdrijvingen zijn hierbij tekenen die verwijzen naar zijn identiteit, die door de demonen het scherpst wordt verwoord: ‘Wat hebben wij met Jou te maken? Ik weet wie Jij bent: de heilige Gods’ (Marcus 1,24). Dit inzicht kan gemakkelijk verkeerd begrepen worden, als de komst van een triomfalistische Messias die gewapenderhand de nationale vrijheid van zijn volk bevecht. De evangelist Marcus laat daarom demonen en mensen zwijgen over zijn identiteit (zo ook Marcus 1,34): pas als overduidelijk is dat Jezus een lijdende Messias is, mag Hij als zodanig benoemd worden.

Wat hebben ze met Jezus te maken?

In het verhaal van de schoonmoeder van Simon zijn het de broers Simon en Andreas enerzijds, en Jakobus en Johannes anderzijds die gehoor geven aan Jezus’ oproep om Hem te volgen. Zij horen bij de mensen die geloven in het goede nieuws dat Jezus verkondigt (Marcus 1,15), en diep onder de indruk zijn van Jezus’ onderricht (Marcus 1,22). Met grote vanzelfsprekendheid nemen zij Jezus mee naar huis.
Voor de vrouw uit Sunem is Elisa een Godsman, en wel degene die haar een zoon toezegde. Voor de vier volgelingen van Jezus is dit de man die hen roept, die spreekt met gezag en een demon uitdrijft (Marcus 1,24-26). Wie Hij is en wat ze met Hem te maken zullen hebben is nog niet helemaal helder, maar ze durven het al wel aan om Hem te volgen. Maar voor de schoonmoeder van Simon is Jezus wellicht op de eerste plaats de man voor wie haar schoonzoon zijn boot, en daarmee ook haar dochter en de rest van het gezin in de steek laat. In deze context is bij haar niets te merken van de ijver waarmee de vrouw uit Sunem als gastvrouw voor de man Gods optreedt. Zij ligt in haar bed, met koorts. Voor haar geen synagogebezoek, geen rol van gastvrouw tegenover deze man.

Een opstandingsverhaal

De kentering in het verhaal komt als men met Jezus over haar praat. Dit brengt Jezus in beweging. Jezus gaat naar haar toe, pakt haar hand en helpt haar overeind. In het Grieks is de hoofdhandeling het oprichten. Hiermee is dit het eerste opstandingsverhaal bij Marcus. Er zullen er nog vele volgen: over de lamme, de man met zijn verlamde hand, de dochter van Jaïrus, de epileptische jongen, de blinde Bartimeüs, en uiteraard ook over Jezus zelf, die op zijn beurt uit de dood wordt opgericht.
Al komend en na haar hand vastgepakt te hebben, richt Jezus haar op. Het zijn helende gebaren: de koorts verlaat haar. Van zieke vrouw wordt zij iemand die zorg draagt. Marcus gebruikt dit werkwoord (Gr.: diakoneoo) heel spaarzaam: het slaat op de engelen (Marcus 1,13), op de schoonmoeder van Simon (Marcus 1,31), en op de Mensenzoon (Marcus 10,45). Diaconie duidt in hellenistische oren het dienen aan zoals een slaaf aan de tafel van zijn meester bedient. In een christelijke context gaat het om veel meer. Deze vrouw neemt hier de taak over van de engelen die voor Jezus zorgden in de woestijn. Diaconie is zorgen voor de (ook praktische) noden van mensen, als dienst aan het Rijk Gods, zoals ook de Mensenzoon komt om te dienen (en niet om gediend te worden). Zo wordt de schoonmoeder van Simon de eerste ‘diaken’, dienares van het Rijk Gods.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken