De gemeentepredikant
11.1 Verkiezing van de gemeentepredikant
De procedure voor de verkiezing en beroeping van een gemeentepredikant wordt beschreven in ord. 3-3,4. De Gids voor het beroepingswerk geeft daarbij goede praktische richtlijnen.
11.1.1 Consulent
Een kerkenraad laat zich in het beroepingswerk bijstaan door een predikant van de kerk als consulent (ord. 3-3-4). Dat is uiteraard niet nodig als naast de vacature nog een predikant aan de (wijk)gemeente verbonden is. De kerkenraad kan zelf een predikant van de kerk als consulent aanzoeken. Maar als dat niet lukt, kan de voorzitter van de werkgemeenschap van predikanten om bemiddeling worden gevraagd (ord. 4-10-1). De predikanten uit de werkgemeenschap zijn er gezamenlijk verantwoordelijk voor dat er een consulent beschikbaar komt. Een evangelisch-lutherse gemeente kiest niet zelf de consulent. In die gemeenten is de president van de evangelisch-lutherse synode consulent, dan wel een door hem of haar aangewezen predikant (ord. 3-3-4).
11.1.2 Gemeente en wijkgemeente
Het beroepingswerk is zaak van de kerkenraad. In een wijkgemeente is dat de
wijkkerkenraad. Wel moet de wijkkerkenraad vooraf toestemming vragen aan de algemene kerkenraad (ord. 3-3-3). De algemene kerkenraad bepaalt immers de financiële ruimte die elke wijkgemeente heeft om te beroepen.
Een wijkpredikant kan aan een andere wijkgemeente verbonden worden zonder beroepingsprocedure
Het is mogelijk dat de gemeente niet voldoende ruimte heeft om de vacature (volledig) te vervullen, terwijl andere wijkgemeenten te ruim bedeeld zijn. Dit kan aanleiding zijn tot een herverdeling tussen de wijkgemeenten. Maar het is ook mogelijk dat de algemene kerkenraad uitspreekt dat er geen ruimte is voor een nieuwe predikant, maar dat wel een van de aan de gemeente verbonden predikanten (deels) als wijkpredikant aan de vacante wijkgemeente kan worden verbonden. De betreffende predikant moet dan door de wijkkerkenraad beroepen worden. Omdat een volledige beroepingsprocedure in dit geval niet zinvol is, heeft de synode in eerste lezing besloten dat in zo’n geval de betrokken predikant aan de wijkgemeente verbonden kan worden zonder een beroepingsprocedure. Voorwaarde is wel dat de
betrokken wijkgemeenten en de betrokken predikant daarmee instemmen (ord. 3-16-6).
Bij een gewone beroepingsprocedure is verder alles een zaak van de wijkkerkenraad en de wijkgemeente. De algemene kerkenraad blijft op afstand betrokken doordat een lid van de algemene kerkenraad deel uitmaakt van de beroepingscommissie (ord. 3-3-5). De algemene kerkenraad komt weer aan bod bij de kandidaatstelling. Wijkkerkenraad en algemene kerkenraad moeten het eens zijn over de kandidaat of kandidaten die ter verkiezing wordt of worden voorgedragen (ord. 3-4-5). De te beroepen predikant wordt weliswaar verbonden aan de wijkgemeente en heeft daar haar of zijn eerste taak, maar zij of hij is ook predikant van heel de gemeente (ord. 3-5-1). Binnen het team van predikanten kan – met instemming van de wijkkerkenraden – een taakverdeling worden overeengekomen waarbij elke predikant bijvoorbeeld toerustingswerk in heel de gemeente doet. En zoals gezegd, als in een wijkgemeente een vacature ontstaat en er geen financiële ruimte is om deze vacature te vervullen, kan het noodzakelijk zijn een wijkpredikant (deels) in een andere wijkgemeente te laten werken. Een algemene kerkenraad zal overigens zeer terughoudend moeten zijn in het afwijzen van een kandidaat die door de wijkkerkenraad wordt gewenst.
De algemene kerkenraad komt opnieuw in beeld bij de rechtspositionele kant van de beroeping.
Het aanhangsel bij de beroepsbrief met de toegezegde inkomsten en rechten wordt getekend door voorzitter en scriba van de algemene kerkenraad.
11.1.3 De eerste stap
Vanzelfsprekend begint het beroepingswerk met een bezinning binnen de kerkenraad op de vraag wat de gemeente van de predikant verwacht. Bij een vacature is er ruimte voor bezinning op de vraag of men op de oude voet wil doorgaan, of dat andere prioriteiten moeten worden gesteld. Op grond daarvan komt de kerkenraad tot een schets van het profiel van de te beroepen predikant.
De profielschets biedt een goede gelegenheid om met de gemeente door te spreken over de koers van de gemeente
De kerkorde noemt deze stap niet, wellicht omdat het vanzelfsprekend is dat een kerkenraad zich eerst bezint, voordat hij gaat zoeken. De kerkorde spreekt dan ook niet over betrokkenheid van de gemeente bij het opstellen van de profielschets. Voor zover de kerkenraad strikt blijft binnen het met de gemeente besproken vastgestelde beleidsplan, is dat ook niet altijd nodig. Maar het is een goede gelegenheid om met de gemeente door te spreken over de koers van de gemeente. Als de kerkenraad met de profielschets afwijkt van het vastgestelde beleidsplan, is dit een aanpassing van het beleidsplan. Daarover moet de gemeente worden gehoord (ord. 4-8-9).
11.1.4 Toestemming vragen
Als volgende stap vraagt de kerkenraad toestemming aan het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 3-3-1). Daarbij beoordeelt het breed moderamen de volgende vragen:
- kan de gemeente de predikant gedurende een aantal jaren betalen?;
- als het om een beroep in deeltijd gaat: heeft de kerkenraad gezocht naar mogelijkheden van samenwerking met een andere (wijk)gemeente om zo (samen) een predikant zo mogelijk in voltijd maar in ieder geval met een werktijd van voldoende omvang te kunnen beroepen?;
- eveneens bij deeltijd: past de werktijd bij de beoogde werkzaamheden?
De eerste vraag moet beantwoord worden door het classicale college voor de behandeling van beheerszaken. Een predikant wordt immers voor onbepaalde tijd beroepen, en de gemeente zal dus normaal gesproken voor langere tijd aan haar verplichtingen moeten kunnen voldoen. De kerkorde laat in het midden of de (algemene) kerkenraad (of het college van kerkrentmeesters) dan wel het breed moderamen het advies van het classicale college voor de behandeling van beheerszaken vraagt. In ieder geval moet het college van kerkrentmeesters de cijfers aanleveren, en het classicale college zal zo nodig met het college van kerkrentmeesters nader overleggen.
Het zal dan ook het snelst gaan als de vraag om toestemming aan het breed moderamen en de vraag naar de solvabiliteitsverklaring aan het classicale college voor de behandeling van beheerszaken gelijktijdig uitgaan.
In bijzondere gevallen is een beroep in tijdelijke dienst mogelijk. Hiervoor gelden afzonderlijke bepalingen. Zie daarvoor § 11.3.
Bij het zoeken naar samenwerking gaat het om een inspanningsverplichting van de kerkenraad
De tweede vraag hangt samen met de opdracht van de kerkenraad tot het in samenwerking met andere gemeenten bevorderen van de vitaliteit van de betrokken gemeenten en (het) in stand houden dan wel verkrijgen van formatieplaatsen van voldoende omvang voor predikanten (ord. 4-7-1). Een gemeente staat immers niet alleen, en bij veel kleine gemeenten met predikanten met beperkte werktijd dreigt de gezamenlijke roeping om kerk te zijn in de samenleving in gevaar te komen. En ook, heel nuchter, als een predikant voor zijn levensonderhoud ook een arbeidscontract met een andere organisatie moet aangaan, gaat dat ten koste van de beschikbaarheid voor de gemeente. De predikant kan dan wellicht niet altijd vrij nemen om bijvoorbeeld een begrafenis te leiden.
Bij de opdracht om te zoeken naar samenwerking gaat het om een inspanningsverplichting van de kerkenraad. Als samenwerking niet mogelijk is – omdat er geen gemeenten zijn waarmee kan worden samengewerkt, bijvoorbeeld vanwege een verschillende kerkelijke ligging – kan ook een predikant met een deeltijd van minimaal een derde van de werktijd worden beroepen (ord. 3-17-1).
Als het goed is, komt de vraag naar samenwerking niet pas aan de orde wanneer een gemeente wil beroepen, maar zal dit in de jaren daarvoor in het gesprek met de classispredikant aan de orde zijn geweest.
De laatste vraag gaat over wat de kerkenraad van de nieuwe predikant verwacht. Ook bij voltijdspredikanten moeten de werklast en de werktijd in evenwicht zijn, maar bij deeltijd – zeker als de predikant daarnaast geen ander werk heeft – dreigt het gevaar dat de kerkenraad de predikant gaat overvragen. Het breed moderamen heeft erop toe te zien dat hieromtrent goede afspraken worden gemaakt (ord. 3-3-1).
Als een evangelisch-lutherse gemeente in deeltijd wil beroepen, is ook de toestemming van de evangelisch-lutherse synode vereist.
11.1.5 Namen vragen
Vervolgens vraagt de kerkenraad met het oog op de mogelijke kandidaten advies aan het daartoe aangewezen orgaan van de kerk (ord. 3-3-2). Op dit moment is dat het mobiliteitsbureau als onderdeel van de dienstenorganisatie, en meer in het bijzonder de consulent voor het beroepingswerk die aan dit mobiliteitsbureau verbonden is. Als een evangelisch-lutherse gemeente advies vraagt, overlegt deze met de president van de evangelisch-lutherse synode. De kerkorde spreekt nog over het orgaan van de evangelisch-lutherse synode dat hiervoor is aangewezen, maar er is geen evangelisch-lutherse commissie meer die dit advieswerk behartigt.
Een kerkenraad die zich van aanbevelingen geen rekenschap geeft, doet zichzelf tekort
Het mobiliteitsbureau weet welke predikanten wel en niet voor beroeping in aanmerking willen komen en kan ook – rekening houdend met het profiel van de gemeente – wijzen op kandidaten die mogelijk bij de gemeente passen. De kerkenraad is niet aan die aanbevelingen gebonden, maar doet zichzelf tekort als hij zich van de aanbevelingen geen rekenschap geeft.
Ook de gemeente wordt uitgenodigd om – schriftelijk en ondertekend – namen te noemen van personen die voor de verkiezing in aanmerking komen.
11.1.6 Beroepingscommissie
Het voorbereidende selectiewerk geschiedt door een beroepingscommissie die door de kerkenraad wordt ingesteld. Hiervan maken naast kerkenraadsleden in de regel ook een aantal gemeenteleden deel uit. In de regel: er kan van worden afgeweken, maar daar moeten dan wel heel goede redenen voor zijn. In een gemeente met wijkgemeenten maakt ook een lid van de algemene kerkenraad deel uit van de beroepingscommissie (ord. 3-3-5).
Over het werk van de beroepingscommissie zwijgt de kerkorde verder. De eerdergenoemde Gids voor het beroepingswerk geeft goede richtlijnen.
Het werk van de beroepingscommissie eindigt met een advies aan de kerkenraad. Of de beroepingscommissie in haar advies één kandidaat of meer kandidaten noemt, kan de kerkenraad vooraf met de beroepingscommissie afspreken.
11.1.7 Beroepbaarheid
De beroepingscommissie heeft de keus uit alle gemeentepredikanten alsmede degenen die verder door het generale college voor de toelating tot het ambt als gemeentepredikant beroepbaar zijn gesteld (ord. 13-18-3).
Naast proponenten en predikanten van de kerk (die als gemeentepredikant beroepbaar zijn), kunnen ook predikanten van andere kerken beroepbaar zijn.
De generale synode heeft besloten, op grond van ord. 14-4-4, dat predikanten van de Evangelisch-altreformierte Kirche, voor zover zij vóór 2004 al predikant waren of dezelfde weg naar het predikantschap hebben gevolgd als predikanten in de Protestantse Kerk in Nederland, beroepbaar zijn in de Protestantse Kerk in Nederland (Associatieovereenkomst, § 9.2).
Een proponent of dienstdoend predikant van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten kan door of vanwege de kleine synode beroepbaar worden gesteld. Betrokkene moet de ‘proponentsbelofte’ (ord. 13-18-7) afleggen bij het moderamen van de generale synode, en uiterlijk op de dag van de bevestiging als belijdend lid overkomen naar de Protestantse Kerk in Nederland (Associatieovereenkomst, art. 13-1,2).
Degenen die als predikant-geestelijk verzorger beroepbaar zijn gesteld, kunnen niet als gemeentepredikant worden beroepen, tenzij zij ook daarvoor de adequate opleiding hebben gevolgd. Ook kan een predikant-geestelijk verzorger op grond van een aanvullende opleiding dan wel vanwege verworven bekwaamheden door de kleine synode als gemeentepredikant beroepbaar worden gesteld (ord. 3-4-1).
Voor alle predikanten geldt dat zij niet binnen twee jaar in dezelfde vacature kunnen worden beroepen (ord. 3-4-3), en dat zij niet beroepbaar zijn als er een tuchtprocedure tegen hen loopt (ord. 3-4-4). Een predikant is verplicht, als een gemeente contact zoekt, het contact af te wijzen of te melden dat zij of hij op dit moment niet beroepbaar is.
Gemeentepredikanten zijn pas weer beroepbaar als ze vier jaar aan hun gemeente verbonden zijn (ord. 3-4-2). Bovendien moeten predikanten in hun eerste gemeente de verplichte nascholing hebben afgerond (GR 15-3-3). Van de termijn van vier jaar kan alleen worden afgeweken met instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering. Het gaat hierbij om de classicale vergadering waartoe de gemeente behoort waaraan de predikant verbonden is. Hoewel dit niet met zoveel woorden wordt gezegd, zal hiermee ook de eis dat de verplichte nascholing moet zijn afgerond (die immers vier jaar in beslag neemt), vervallen.
Predikanten in tijdelijke dienst blijven in principe voor de gehele overeengekomen tijd aan de gemeente verbonden. Zij kunnen een beroep ontvangen, zodat zij na afloop van de overeengekomen tijd in een nieuwe gemeente kunnen beginnen. Het breed moderamen zal bij het verzoek om éérder te mogen vertrekken, zowel het belang van de gemeente (en de afronding van het project waarvoor de predikant beroepen is) als het belang van de predikant om als predikant te blijven werken in overweging nemen (ord. 3-18-16).
11.1.8 Kandidaatstelling en verkiezing
De kerkenraad beraadt zich op het advies van de beroepingscommissie. Als er geen bezwaren zijn tegen de voorgestelde kandidaat of kandidaten, komt de kerkenraad tot kandidaatstelling. Als de beroepingscommissie meer dan één kandidaat heeft genoemd, kan de kerkenraad een keus maken of meer kandidaten aan de gemeente ter verkiezing voorstellen.
Als de voorgestelde kandidaat of kandidaten voor de kerkenraad niet aanvaardbaar is of zijn, zal deze of een andere beroepingscommissie het voorbereidende werk over moeten doen.
In een gemeente met wijkgemeenten moet ook de algemene kerkenraad met de kandidaatstelling instemmen. De beide kerkenraden kunnen daartoe in een gezamenlijke vergadering overleggen, maar voorgeschreven is dat niet meer. In ieder geval moeten zowel de algemene kerkenraad als de wijkkerkenraad – al dan niet apart – besluiten.
Voor de gemeenteavond geldt geen quorum
De stemgerechtigden van de (wijk)gemeente (zie § 10.2) worden vervolgens uitgenodigd om de voorgestelde kandidaat (of een van de voorgestelde kandidaten) te verkiezen. Als één kandidaat is voorgesteld, is een twee derde meerderheid vereist, als er meer kandidaten zijn voorgesteld, moet een kandidaat meer dan de helft van de stemmen krijgen om verkozen te zijn.
Voor de gemeenteavond geldt geen quorum. In de tekst van de kerkorde wordt (nog) gesproken van stemgerechtigde leden. Leden moet hier niet in engere zin worden verstaan. Het gaat om alle stemgerechtigden.
Op de regel dat de stemgerechtigden van de gemeente verkiezen, zijn twee uitzonderingen. In een gemeente met wijkgemeenten wordt een predikant met bepaalde opdracht voor de gemeente als geheel verkozen door de algemene kerkenraad. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een diaconaal predikant die voor de gehele gemeente gaat werken, een predikant die wordt verbonden aan een missionaire wijkgemeente (ord. 2-5-7) of een predikant voor het jeugdwerk (ord. 3-4-9).
Een tweede uitzondering is wanneer de kerkenraad, gehoord de gemeente, besloten heeft de verkiezing aan zich te houden. De kerkenraad kan dit alleen als de gemeente meer dan 200 stemgerechtigden heeft en als het breed moderamen van de classicale vergadering hiermee instemt (ord. 3-4-8). Bij de vaststelling van de kerk-orde vóór 2004 is van verschillende kanten bezwaar gemaakt tegen deze bepaling. Een kerkenraad zal heel goede argumenten moeten hebben om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
11.1.9 Beroeping
De naam van de verkozen predikant wordt vervolgens aan de gemeente bekendgemaakt om haar goedkeuring te krijgen. Die goedkeuring is er wanneer niemand binnen vijf dagen na de bekendmaking bezwaar maakt tegen de verkiezingsprocedure (ord. 3-4-11). Niet is aangegeven hoe de uitslag van de verkiezing bekend moet worden gemaakt. Normaliter zal dat zijn in de kerkdiensten op de eerstvolgende zondag. Dus zullen bezwaren uiterlijk de daaropvolgende vrijdagavond voor 24.00 uur binnen moeten zijn bij de scriba, want een termijn begint steeds op de eerstvolgende dag.
Als bezwaar gemaakt wordt tegen de verkiezingsprocedure (binnen de gestelde termijn), moet de kerkenraad binnen veertien dagen het bezwaar doorsturen naar het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Verstandig is het dit direct te doen: hangende de behandeling van het bezwaar kan immers geen beroep worden uitgebracht. De kerkenraad kan ondertussen proberen het bezwaar weg te nemen, en als dat lukt, kan de behandeling bij het classicale college worden stopgezet. Als het bezwaar niet wordt weggenomen, geeft het classicale college een eindbeslissing. Tegen die beslissing kan niet in beroep worden gegaan (ord. 3-4-12).
Als geen bezwaar is ingediend dan wel het bezwaar is afgewezen, neemt de (wijk)kerkenraad het besluit te beroepen. Het beroep wordt uitgebracht door de overhandiging van de beroepsbrief. Het is een goed gebruik dat de beroepsbrief persoonlijk wordt overhandigd. Alleen bij uitzondering kan, in overleg met de predikant, toezending per post of e-mail plaatsvinden.
Afwijking van de rechtspositieregeling is niet toegestaan
Het aanhangsel is grotendeels een weergave van de rechtspositieregeling voor gemeentepredikanten. Afwijking van die regeling is niet toegestaan (GR 5-40a-1). Alleen de afspraken met betrekking tot de woon- en werkruimte kunnen plaatselijk worden ingevuld. En eventueel kunnen vergoedingen worden afgesproken voor uitzonderlijke kosten waarin de generale regeling niet voorziet (GR 5-40a-2). De beroepsbrief wordt ondertekend door de preses en de scriba van de (wijk)kerkenraad, het aanhangsel door de preses en de scriba van de (algemene) kerkenraad en de voorzitter en de secretaris van het college van kerkrentmeesters (ord. 3-5-2).
De predikant of proponent moet binnen drie weken na ontvangst van de beroepsbrief beslissen of zij of hij het beroep aanneemt. Predikant en betrokken kerkenraden komen vervolgens overeen wanneer de betrokkene als predikant aan de gemeente verbonden zal worden. In het geval van een proponent en van een predikant die geen gemeentepredikant is, is er uiteraard maar één betrokken kerkenraad. De betrokken classicale vergaderingen en het daartoe aangewezen onderdeel van de dienstenorganisatie (bureau Predikanten) worden over deze datum bericht.
Een predikant kan alleen in uitzonderlijke gevallen een kerkenraad vragen terug te komen op het gegeven woord. Als een gemeentepredikant dit vraagt, heeft deze ook de instemming nodig van de kerkenraad waaraan zij of hij verbonden is (ord. 3-5-8). Als deze kerkenraad niet instemt, volgt de losmaking van de gemeente waaraan de predikant verbonden was op de afgesproken datum. Als opvolging van het beroep toch onmogelijk is, wordt de predikant daarmee predikant buiten vaste bediening (ord. 3-15-4). In dat geval bestaat geen recht op wachtgeld.
11.1.10 Bevestiging of verbintenis
Alvorens een proponent in het ambt bevestigd wordt en verbonden wordt aan de gemeente, dan wel een predikant verbonden wordt aan de gemeente, moet het breed moderamen van de classicale vergadering approbatie (goedkeuring) verlenen (ord. 3-5-6). Het gaat om een laatste check dat alles in goede orde is gegaan. Het breed moderamen moet daarbij controleren of de beroepene inderdaad beroepbaar is, of er geen tuchtprocedure tegen hem of haar loopt, of de beroepsbrief overeenkomt met waarvoor toestemming is gegeven, en of het aanhangsel conform de rechtspositieregeling is. Zou de approbatie geweigerd worden, en fouten niet hersteld kunnen worden, dan is daarmee de beroeping nietig. Een gemeentepredikant blijft in dat geval aan zijn of haar gemeente verbonden. Alle reden dus om in de beroepingsprocedure alle zorgvuldigheid te betrachten.
De predikant is vanaf het begin van de overeengekomen datum rechtspositioneel aan de gemeente verbonden. Op die datum vindt ook de bevestiging of verbintenis plaats in een kerkdienst. Mocht door ziekte bijvoorbeeld de bevestiging of verbintenis moeten worden uitgesteld, dan blijft de rechtspositionele verbintenis op de overeengekomen datum van kracht (GR 5-20-1).
Bij de bevestiging en de verbintenis wordt een orde uit het dienstboek gebruikt. Zie voor de bevestiging in het ambt § 16.1.5.
11.2 Werktijd van de gemeentepredikant
Een gemeentepredikant wordt zo mogelijk voor de volledige werktijd beroepen. Op die manier kan zij of hij zonder andere werkverplichtingen op zich te nemen in haar/zijn onderhoud voorzien (zie ook § 11.1.4).
Constante beschikbaarheid betekent niet dat de predikant altijd zou moeten werken
Een predikant is zo veel als mogelijk beschikbaar als in noodsituaties op haar of hem een beroep wordt gedaan, en verder als een beroep wordt gedaan door wie aan zijn of haar zorg zijn toevertrouwd (Gedragsregels A1). Deze zo mogelijk constante beschikbaarheid betekent overigens niet dat de predikant altijd zou moeten werken. Voor een predikant met volledige werktijd is de werklast gesteld op gemiddeld 40 uur per week (GR 5-4b-1). Voor een predikant in deeltijd geldt een evenredige werklast. Nadrukkelijk wordt gesproken over werklast en gemiddeld. Tegenover drukkere weken kunnen weken staan met meer vrije tijd. Van de predikant en de kerkenraad mag worden verwacht dat zij afspraken maken zodat de taken die de predikant op zich neemt, normaal gesproken de gemiddelde werklast niet te boven gaan. Zoals gezegd (boven, § 11.1.4) moet het breed moderamen van de classicale vergadering bij de voorbereiding van het beroepingswerk hierop toezien.
Het is mogelijk dat predikant en kerkenraad overeenkomen dat de werktijd wordt uitgebreid dan wel verminderd. Ook dan moet aan het breed moderamen van de classicale vergadering toestemming worden gevraagd. Bij een evangelisch-lutherse gemeente is ook toestemming van de synodale commissie van de evangelisch-lutherse synode vereist (ord. 3-17-2). Bij vermeerdering van werktijd zal het breed moderamen ook aan het classicale college voor de behandeling van beheerszaken vragen of de uitbreiding financieel verantwoord is, bij vermindering van werktijd zal ook de vraag naar de werklast worden bekeken. Ord. 3-17-2 geeft geen ruimte voor tijdelijke vermeerdering van de werktijd. Bij tijdelijke vermeerdering moeten de regels (en de vergoedingen) voor tijdelijke dienst of hulpdiensten worden gevolgd (zie § 11.3).
Een gemeentepredikant kan naast het werk als predikant ook nevenwerkzaamheden hebben. Bij een predikant die in deeltijd aan de gemeente verbonden is, is dat vaak noodzaak. Uiteraard geldt voor nevenwerkzaamheden de algemene bepaling dat het werk verenigbaar moet zijn met het ambt van predikant en niet strijdig mag zijn met het belang van de gemeente of van de kerk (ord. 3-24-1; zie § 16.2.4). Verder moet de predikant hiervoor in alle gevallen schriftelijk toestemming vragen.
De toestemming moet schriftelijk worden gevraagd en gegeven (GR 5-26-1,2). Indien de nevenwerkzaamheden (deels) in de werktijd als predikant worden gedaan, wordt schriftelijk overeengekomen of de predikant wordt gedetacheerd (en de inkomsten dus rechtstreeks naar de gemeente gaan) dan wel of de predikant (een deel van) de inkomsten afstaat aan de gemeente (GR 5-26-3). De generale regeling noemt ook de mogelijkheid dat vermindering van werktijd plaatsvindt. Zoals boven gezegd: daarvoor is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Vermindering van werktijd komt uiteraard alleen in beeld als de predikant vaste nevenwerkzaamheden krijgt.
11.3 Tijdelijke dienst en hulpdiensten
De synode heeft in november 2018 besloten de toen geldende regeling van hulpdiensten en tijdelijke dienst drastisch te wijzigen. In april 2019 is de kerkorde op dit punt in eerste lezing aangepast. Belangrijk principe in dat besluit is de tweejaarsgrens: alle werk dat minder dan twee jaar duurt, wordt gedaan als hulpdienst, en voor alle werk dat langer dan twee jaar duurt, wordt de predikant beroepen in tijdelijke dienst.
11.3.1 Hulpdiensten
Onder hulpdiensten worden alle werkzaamheden van een predikant verstaan die behoren tot het werk van een gemeentepredikant zonder dat de predikant aan de gemeente verbonden is. Alle predikanten van de kerk en proponenten zijn hiertoe bevoegd (ord. 3-18-2; 13-18-9). Het kan daarbij gaan om incidentele hulpdiensten (zoals het voorgaan in een kerkdienst, of het leiden van een kortdurende kring) of om meer omvangrijke werkzaamheden (ord. 3-18-3). Uiteraard geldt voor proponenten een beperking ten aanzien van ambtelijke handelingen (ord. 5-5-2; zie
§ 4.3.6). Voor hulpdiensten tot 40 uur per opdracht is in de uitvoeringsbepalingen bij GR 5 een tarief vastgesteld.
De predikant of proponent die hulpdiensten verricht, is geen lid van de kerkenraad
Voor hulpdiensten langer dan 40 uur per opdracht geldt de normale rechtspositieregeling van predikanten, met dien verstande dat geen recht op wachtgeld wordt opgebouwd. Ter compensatie daarvan krijgt de predikant een opslag van 10% op het traktement (GR 5). Een kerkenraad kan voor maximaal twee jaar een opdracht tot hulpdiensten verlenen. Het breed moderamen van de classicale vergadering kan deze periode met maximaal zes maanden verlengen ter afronding van werkzaamheden (ord. 3-18-7). De predikant of proponent is geen lid van de kerkenraad, maar kan wel als adviseur van de kerkenraad gevraagd worden.
De omvang van de werkzaamheden is vrij. In principe is een volledige werktijd mogelijk (bijv. tijdens een vacature). Maar om te voorkomen dat hulpdiensten in de plaats komen van een beroeping – al of niet in tijdelijke dienst – is bepaald dat niet aansluitend een nieuwe opdracht tot hulpdiensten kan worden gegeven (ook niet aan een andere predikant of proponent) (ord. 3-18-8).
Een bijzondere vorm van hulpdiensten is de detachering. Twee kerkenraden kunnen overeenkomen dat de predikant – uiteraard met diens instemming – van de ene gemeente hulpdiensten verricht in de andere gemeente (ord. 3-18-5). De kerkenraad van de eigen gemeente blijft dan verantwoordelijk voor het traktement en de vergoedingen van de predikant. De andere kerkenraad betaalt hiervan een evenredig deel aan de gemeente van de predikant.
Ook kunnen een kerkenraad en de dienstenorganisatie overeenkomen dat een predikant in algemene dienst gedetacheerd wordt. Deze predikant behoudt de rechtspositie van predikant in algemene dienst. De kerkenraad betaalt hiervoor een vergoeding aan de dienstenorganisatie (ord. 3-18-6).
Naast de predikanten van de kerk en proponenten, zijn ook predikanten van geassocieerde kerken bevoegd om hulpdiensten te verrichten. Dit betreft allereerst de predikanten van de Evangelisch-altreformierte Kirche. Predikanten van andere geassocieerde kerken kunnen alleen hulpdiensten verrichten als het moderamen van de synode heeft vastgesteld dat de predikant voldoende op de hoogte is van het leven en werken in de Protestantse Kerk in Nederland en er ook geen andere belemmeringen zijn. Dit betreft predikanten van de Bond van Vrije Evangelische gemeenten, van de Presbyterian Church of Ghana en van de Gereja Kristen Indonesia (zie hiervoor de verschillende Associatieovereenkomsten). Merkwaardig is dat in de associatieovereenkomsten met de laatstgenoemde drie kerken gesproken wordt zowel over de bevoegdheid tot het verrichten van ambtelijke werkzaamheden als over de structurele hulpdiensten, en dat in de associatieovereenkomst met de EAK deze structurele hulpdiensten niet worden genoemd. In die overeenkomst zullen de structurele hulpdiensten in het verrichten van ambtelijke werkzaamheden begrepen zijn. Vanuit de geschiedenis van de EAK als deel van de Gereformeerde Kerken in Nederland is het begrijpelijk dat in 2004 het onderscheid niet is opgenomen. Opvallend is verder dat de maximale termijn van vier jaar voor hulpdiensten voor predikanten van geassocieerde kerken niet van toepassing is. Op het moment van het schrijven van deze Toelichting is nog niet bekend of de overeenkomsten zullen worden aangepast aan de grens van twee jaar, dan wel hoe de bemoeienis zal zijn van het breed moderamen van de classicale vergadering als ord. 3-18 definitief is vastgesteld.
11.3.2 Tijdelijke dienst
De hoofdregel is dat een predikant beroepen wordt voor onbepaalde tijd (ord. 3-18-1). En als een predikant in tijdelijke dienst wordt beroepen, kan de tijdelijke dienst niet worden verlengd. Alleen als werkzaamheden moeten worden afgerond, kan het breed moderamen van de classicale vergadering toestemming verlenen om de periode met maximaal zes maanden te verlengen (ord. 3-18-12).
De hoofdregel dat een predikant beroepen wordt voor onbepaalde tijd, brengt met zich mee dat een beroep in tijdelijke dienst alleen mogelijk is als een beroep voor onbepaalde tijd onmogelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gaat om een in de tijd beperkt project. Maar ook als een gemeente financieel niet in staat is om voor onbepaalde tijd te beroepen (en er geen oplossing gevonden kan worden door samenwerking), kan tijdelijke dienst zijn toegestaan. Of tijdelijke dienst is toegestaan, wordt bepaald door het breed moderamen van de classicale vergadering. Daarbij kan het breed moderamen bepalen dat de werktijd minder dan een derde van de werktijd omvat (ord. 3-18-9). De tijdelijke dienst duurt ten minste twee jaar. De duur van de tijdelijke dienst is niet in de kerkorde vastgelegd. Dit is ter beoordeling van het breed moderamen.
Een nieuw beroep in tijdelijke dienst voor hetzelfde werk kan niet worden uitgebracht
Het is mogelijk dat door ontwikkelingen in de periode van tijdelijke dienst alsnog een beroeping voor onbepaalde tijd mogelijk wordt. Het beroep kan dan met instemming van het breed moderamen worden omgezet in een beroep voor onbepaalde tijd. Het breed moderamen toetst de aanvraag tot verlenging op dezelfde wijze als een aanvraag om te mogen beroepen (ord. 3-18-13; vgl. ord. 3-3-1).
Wanneer de tijdelijke dienst niet wordt omgezet, is de predikant na afloop van de tijdelijke dienst automatisch losgemaakt van de gemeente (ord. 3-18-15). Ook kan niet een nieuw beroep in tijdelijke dienst voor hetzelfde werk worden uitgebracht (ord. 3-18-14).
11.3.3 Proponenten
Alleen predikanten kunnen worden beroepen in tijdelijke dienst, zoals in de vorige paragraaf omschreven. Voor proponenten geldt een afwijkende regeling. Zij kunnen in tijdelijke dienst worden beroepen voor een periode van twee tot maximaal vijf jaar en ten minste 40% van de werktijd. De bedoeling van deze aparte regel is dat proponenten zo gelegenheid krijgen ervaring op te doen en in staat zijn om in werktijd de primaire nascholing te volgen. Zij zijn dan wel voluit predikant, met alle daaraan verbonden bevoegdheden. In GR 5 wordt bepaald dat de gemeente hiervoor een tegemoetkoming ontvangt. De voorwaarde dat tijdelijke dienst alleen is toegestaan als een beroep voor onbepaalde tijd onmogelijk is, is bij deze beroeping niet van toepassing, evenmin als de vraag of de gemeente door samenwerking een ruimere werktijd kan aanbieden (ord. 3-18-10). Wel geldt de normale voorwaarde dat de gemeente in staat moet zijn aan de verplichtingen te voldoen en dat de werktijd en de werklast op elkaar moeten zijn afgestemd (ord. 3-3-1).
11.4 Predikant en kerkenraad/gemeente
11.4.1 Vrijheid van het ambt
De predikant wordt als ambtsdrager verbonden aan de gemeente. Hij of zij is net als de andere ambtsdragers deel van de kerkenraad. Op geen enkele wijze is hij of zij ondergeschikt aan de kerkenraad. Nadrukkelijk is vastgelegd dat bij het opstellen van de beroepsbrief rekening wordt gehouden met de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords, en dat de inhoud en de strekking van de beroepsbrief er niet toe kunnen leiden dat de predikant aan de kerkenraad of aan de gemeente ondergeschikt is (ord. 3-6-2).
De vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords betreft diens eigen verantwoordelijkheid voor het werk waartoe zij of hij geroepen is
Die vrijheid betreft de eigen verantwoordelijkheid van de predikant voor het werk waartoe zij of hij geroepen is (zie § 7.2.2), en met name voor de verkondiging van het Woord. Het gesprek in de kerkenraad over de verkondiging is vanuit de medeverantwoordelijk van met name de ouderlingen voor die verkondiging (zie § 7.2.3) van groot belang, maar kan er niet toe leiden dat de kerkenraad de predikant in dezen opdrachten geeft. Het feit dat de gemeente – via de centrale kas – het traktement betaalt, betekent niet dat de predikant in dienst staat van de kerkenraad.
Mee vanwege die vrijheid is een beroeping voor onbepaalde tijd de regel en kan een tijdelijke dienst niet worden verlengd. De predikant mag zich niet inhoudelijk geremd voelen om het noodzakelijke te doen en te zeggen uit vrees hierdoor de verbintenis aan de gemeente te verliezen.
11.4.2 Permanente educatie
Van predikanten wordt verwacht dat zij theologisch bijblijven (ord. 13-19-1). De permanente educatie voor predikanten is daar mede voor bedoeld, en valt uiteen in coaching gedurende het eerste jaar (GR 15-3-1), primaire nascholing in het tweede tot vierde jaar (GR 15-3-2) en voortgezette nascholing vanaf het zesde jaar (GR 15-3-3; 15-5 t/m 9).
De eerste twee delen zijn verplicht voor alle beginnende predikanten, de voortgezette nascholing (vgl. ook ord. 13-9) is verplicht voor gemeentepredikanten en voor predikanten in algemene dienst die werkzaam zijn in het categoriaal pastoraat (dovenpastoraat bijvoorbeeld). Deze verplichting betekent dat de tijd die de predikant moet besteden aan de permanente educatie, gewoon onder de werktijd van de predikant valt.
De predikant spreekt met de kerkenraad over het scholingsplan dat deze zelf maakt voor de voortgezette nascholing met het oog op eigen leervragen en groeibehoefte. De predikant zal daarbij rekening houden met de wensen van de kerkenraad, maar is niet aan die wensen gebonden. Het plan behoeft de goedkeuring van het breed moderamen van de classicale vergadering. Het breed moderamen toetst daarbij of er overleg is geweest met de kerkenraad en of het plan past bij de door de predikant geformuleerde leervragen en groeibehoeften (GR 15-7-2). Predikanten in algemene dienst spreken over hun scholingsplan met hun leidinggevende (GR 15-7-4).
11.4.3 Samenspel en jaargesprekken
Die vrijheid van het ambt betekent ook niet dat de predikant boven de kerkenraad staat. Het beleid in de gemeente wordt door de kerkenraad (gehoord de betrokkenen en de gemeente) vastgesteld (ord. 4-8-6). De predikant zal in de prioriteiten die zij of hij stelt daarmee rekening moeten houden, uiteraard zonder de eigen verantwoordelijkheid te vergeten. In de Gedragsregels wordt daarom gesteld dat de predikant in overleg met de kerkenraad de prioriteiten vaststelt (Gedragsregels D2). Daar wordt tevens voorgeschreven dat de predikant in de kerkenraad de voortgang van zijn of haar werkzaamheden bespreekt met inachtneming van de geheimhoudingsplicht.
In jaargesprekken wordt ook het welbevinden van alle betrokkenen aan de orde gesteld
Met het oog op de goede samenwerking en de kwaliteit van het kerkenraadswerk worden met de predikant jaargesprekken gehouden door een afvaardiging van de kerkenraad. Het gaat daarbij om de vraag hoe de gemeente het best kan worden gediend en wat daarin de bijdrage van de predikant en andere kerkenraadsleden kan zijn. Ook het welbevinden van betrokkenen moet daarbij aan de orde worden gesteld (ord. 4-8-8).
11.4.4 Losmaking op verzoek
Een predikant die door omstandigheden niet langer aan de gemeente verbonden kan blijven (bijv. doordat de partner werk krijgt in een ander deel van het land), kan het breed moderamen van de classicale vergadering om losmaking van de gemeente verzoeken (ord. 3-26-4). Uiteraard heeft de predikant in dat geval geen recht op wachtgeld.
Het kan voor predikant en gemeente beter zijn om na twaalf jaar uit elkaar te gaan
De generale synode heeft in april 2018 besloten dat een predikant in bepaalde
gevallen bij een verzoek om losmaking recht heeft op wachtgeld (ord. 3-26-3). Voorwaarde is dat de predikant twaalf jaar in de gemeente staat, dat de wachtgeldperiode ten minste twee jaar voor het emeritaat eindigt, en dat kerkenraad en predikant er gezamenlijk om vragen. Het besluit rust op de overweging dat het voor predikant en gemeente in bepaalde gevallen beter kan zijn om na twaalf jaar uit elkaar te gaan. In dat geval is financiële steun van de kerk via het wachtgeld wenselijk. Uiteraard blijft het een vrije keus van de predikant: de kerkenraad kan de predikant niet dwingen, en het breed moderamen zal daarop moeten toezien. Omgekeerd, ook de kerkenraad kan niet gedwongen worden om mee te werken. De kerkenraad moet immers aan het wachtgeld meebetalen.
De regeling gaat pas in op 1 januari 2021. Reden is dat de classispredikanten eerst zicht moeten krijgen op de situatie in de gemeenten.
Omdat niet kan worden voorzien of er (te) veel gebruik wordt gemaakt van de regeling, waardoor deze onbetaalbaar wordt, is besloten dat de generale synode gedurende vijf jaar, dus tot 1 januari 2026, de bevoegdheid heeft om de regeling buiten werking te stellen, zonder dat een kerkordewijziging met de bijbehorende consideratieronde noodzakelijk is (ovb. 7, bij ord. 3-26-3).
11.4.5 Arbeidsongeschiktheid
Een predikant die wegens arbeidsongeschiktheid (gedeeltelijk) niet kan werken, blijft gedurende twee jaar verbonden aan de gemeente. Zij of hij wordt in die tijd begeleid namens de kerk. De kerk heeft hiervoor een Verzuimprotocol predikanten. Hierin staat beschreven wat de betrokken predikant en de betrokken kerkenraad moeten doen.
Als de arbeidsongeschiktheid aanhoudt, ontvangt de predikant na één jaar voor het arbeidsongeschikte deel 70% van het traktement. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid wordt de predikant – als deze volledig arbeidsongeschikt is – door de kleine synode losgemaakt van de gemeente (ord. 3-27-1 en GR 5). Indien de predikant dan gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, vindt vermindering van werktijd plaats (ord. 3-17-2). Ook als de resterende werktijd minder is dan 33% blijft de predikant aan de gemeente verbonden. Een bijzondere bepaling is dat de predikant die minder dan 33% van de werktijd werkt, bij de aanvaarding van ander werk wordt losgemaakt van de gemeente door de kleine synode (ord. 3-27-3). In dat geval is een apart verzoek aan het breed moderamen van de classicale vergadering om losgemaakt te worden van de gemeente dus niet nodig.
11.5 Rechtspositie van de gemeentepredikant
Een gemeentepredikant heeft een eigensoortige rechtspositie. Hij of zij is geen werknemer, maar ook geen zelfstandig ondernemer. De verhouding tussen predikant en gemeente wordt volledig bepaald door het kerkelijk recht. Dit recht is neergelegd in GR 5 en de daarbij behorende uitvoeringsbepalingen.
De hoofdlijnen van de rechtspositieregeling worden vastgesteld door de kleine synode (ord. 4-26-5), die zich daarbij laat adviseren door de beheercommissie centrale kas predikantstraktementen (BCKP) en het georganiseerd overleg predikanten (GOP) (GR 5-43-1).
De BCKP is een orgaan van bijstand van de synode (ord. 4-27-1). Deze commissie bestaat uit vijf leden, die voor vier jaar worden benoemd door de kleine synode en eenmaal kunnen worden herbenoemd. Zoals de naam al aangeeft, ligt de hoofdtaak van deze commissie in het beheren van de centrale kas (zie hieronder). Daarnaast is zij verantwoordelijk voor de uitvoering van de generale regeling en het geven van voorlichting over de regeling, en adviseert zij de kleine synode over de pensioen- en arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor predikanten. Het uitvoerende werk wordt gedaan door de dienstenorganisatie (GR 5-2).
Het GOP is het overlegorgaan van predikanten en kerk. De delegatie namens de kerk wordt benoemd door de kleine synode, twee op voordracht van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer, twee op voordracht van het moderamen van de synode en één op voordracht van het bestuur van de dienstenorganisatie. De delegatie namens de predikanten bestaat uit vijf leden, benoemd door de Bond van Nederlandse Predikanten. De kleine synode benoemt een boventallig voorzitter
(GR 5-3).
Het arbeidsrecht geldt niet voor predikanten
De belangrijkste taak van het GOP is de vertaling van ontwikkelingen inzake arbeidsvoorwaarden naar de (rechts)positie van predikanten. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld de regeling voor het vaderschapsverlof. Wettelijke bepalingen gelden niet automatisch voor predikanten, die immers een eigensoortige rechtspositie hebben. Maar in de regel zal het GOP wijzigingen in de wettelijke regelingen ook vertalen in de kerkelijke regelingen. Hiermee samenhangend stelt het GOP de uitvoeringsbepalingen bij de generale regelingen vast. Hierin worden o.m. de hoogte van het traktement en de vergoedingen, de hoogte en duur van het wachtgeld en de verdeling van pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies vastgesteld. Ook hierin sluit het GOP zich meestal aan bij maatschappelijke ontwikkelingen, in het bijzonder de regelingen voor rijksambtenaren (GR 5-4).
De rechtspositie wordt nader omschreven in GR 5-5 t/m 19b. Hierin wordt het recht op traktement, vergoedingen, verlof, pensioen en arbeidsongeschiktheidsuitkering vastgelegd, zaken die voor werknemers bij wet geregeld zijn. De invulling daarvan staat in de uitvoeringsbepalingen.
De gemeente waaraan de predikant verbonden is, is verantwoordelijk voor het traktement en alles wat daarbij hoort (ord. 3-16-5). Het college van kerkrentmeesters betaalt daartoe aan de predikant de vergoedingen voor vervoer en werkruimte en voor verhuizing, en daarnaast een omslagbedrag aan de centrale kas. Uit die kas betaalt de BCKP de overige traktementslasten (GR 5-20). Daarnaast betaalt de BCKP ook het wachtgeld, de bijdrage van de gemeenten in de arbeidsongeschiktheidsvoorziening en pensioenvoorziening en de verzuimbegeleiding bij ziekte. Ook vacante gemeenten dragen bij aan de centrale kas (GR 5-21). In GR 5-23 t/m 27 worden nadere regels gegeven voor bijzondere situaties. In GR 5-28 t/m 35a worden de basisregels met betrekking tot het recht op wachtgeld en de verplichtingen bij wachtgeld gegeven. Ook dit wordt in uitvoeringsbepalingen nader uitgewerkt. Na nog een paar algemene bepalingen wordt geregeld hoe bezwaar kan worden gemaakt tegen besluiten van de BCKP en hoe meningsverschillen worden beslecht. Nadere gegevens zijn te vinden in de Gids Arbeidsvoorwaarden voor predikanten.
Een bijzondere bepaling is dat de gemeentepredikant die voor de volledige werktijd werkzaam is, binnen de grenzen van de gemeente moet wonen (ord. 3-16-3). De gemeente moet daartoe voor passende huisvesting zorgen (GR 5-10). Alleen in onderling overleg kan hiervan worden afgeweken. Voor predikanten in deeltijdfunctie geldt de verplichting niet (ord. 3-17-3).
11.6 Werkgemeenschap van predikanten
Zoals gemeenten binnen ringen samenkomen met het oog op de verantwoordelijkheid voor elkaar (zie § 6.7.2), zo komen predikanten samen in werkgemeenschappen (ord. 4-18-1). De classicale vergadering stelt in elke ring één of meer werkgemeenschappen in. Alle dienstdoende predikanten zijn lid van deze werkgemeenschap. Het bezoeken van de vergaderingen van de werkgemeenschap is onderdeel van het werk. Dit geldt allereerst de gemeentepredikanten, maar ook de predikanten met bijzondere opdracht en de predikanten in algemene dienst maken deel uit van de werkgemeenschap. Hun werkplaats of hun woonplaats bepaalt bij welke werkgemeenschap ze zijn aangesloten.
Naast de predikanten zijn ook de kerkelijk werkers die predikantswerk doen in de gemeente deel van de werkgemeenschap (ord. 3-12-16). Ook voor hen hoort het tot het werk en valt het bezoeken van de werkgemeenschap binnen de werktijd. Andere kerkelijk werkers mogen de werkgemeenschap bezoeken. Ze worden daarvoor uitgenodigd (GR 4-10-2). Maar het behoort niet tot hun werk. Het is dus een zaak van overleg met de kerkenraad of zij de vergaderingen in werktijd mogen bezoeken.
Binnen de werkgemeenschap staan twee zaken centraal: enerzijds de zorg voor elkaar en anderzijds de gezamenlijke bezinning op het werk. Verbonden met het laatste heeft de werkgemeenschap ook een rol met betrekking tot de ringen: de werkgemeenschap bevordert de samenwerking en uitwisseling tussen gemeenten binnen de ring (ord. 4-18-2). De werkgemeenschap heeft ook zorg voor vacante gemeenten binnen het gebied van de werkgemeenschap. Weliswaar is de bepaling dat de werkgemeenschap de consulent aanwijst, vervallen: een vacante gemeente is allereerst zelf verantwoordelijk voor het zoeken van een consulent. Maar de gemeente kan daarvoor de bemiddeling van de voorzitter van de werkgemeenschap vragen (ord. 4-10-1). Hiermee wordt impliciet aangegeven dat de predikanten binnen de werkgemeenschap zich niet aan het consulentschap mogen onttrekken.