De kerkelijk werker
Het werk van de kerkelijk werker heeft in de kerkorde van 2004 een eigen plaats gekregen door het te omschrijven als een dienst, die in samenwerking met de ambtsdragers wordt uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente (art. V-6). Net als de ambten zijn deze diensten opgenomen in het openbare ambt van Woord en sacrament (art. V-1). Deze bijzondere positie kreeg vorm als ‘bediening’ (zie § 7.3). In 2012 heeft de synode besloten dat kerkelijk werkers ook in het ambt kunnen worden bevestigd, ja zelfs dat dat de voorkeur verdient. Het werk van de kerkelijk werker is sindsdien voluit ambtelijk werk.
Aan kerkelijk werkers is in de regel slechts een deel van het bredere werkterrein toevertrouwd
In vele opzichten is het werk van kerkelijk werkers vergelijkbaar met dat van predikanten. Belangrijkste verschil is dat aan kerkelijk werkers in de regel slechts een deel van het bredere werkterrein is toevertrouwd, en dat de bediening van Woord en sacramenten in de regel aan predikanten is toevertrouwd. In Beroepscode en gedragsregels voor predikanten en kerkelijk werkers wordt vooral op de overeenkomst in werk gewezen. Zo staat in de beroepscode: In analogie van het werk van de predikant geldt voor kerkelijk werkers:
- dat zij mede leiding geven aan de gemeente,
- dat zij dienstbaar zijn aan de gemeente,
- dat zij betrouwbaar dienen te zijn en geheimhouding betrachten,
- dat zij hun werk doen in verbondenheid met de kerkenraad en collega’s en hun werk doen in de context van de landelijke kerk.
De gedragsregels voor predikanten en kerkelijk werkers zijn dan ook gelijk (GR 4-7).
12.1 Toelating als kerkelijk werker
Net als bij predikanten is voor het beroep van kerkelijk werker een opleiding nodig. Zij moeten een hbo-bachelorsdiploma Godsdienst/Pastoraal Werk hebben behaald aan een door de Protestantse Kerk in Nederland erkende instelling met daarbij een op de Protestantse Kerk in Nederland toegesneden specialisatie (GR 4-2). De erkende opleidingen worden vermeld in GR 4-3-3.
Na de afronding van de opleiding kunnen belijdende leden van de kerk (ord. 3-12-1) verzoeken om ingeschreven te worden in het register van de kerk. Dan wordt door of vanwege de kleine synode een onderzoek ingesteld naar de motivatie en geschiktheid om als kerkelijk werker werkzaam te zijn en naar de vertrouwdheid met het leven en belijden van de kerk. Bij positief resultaat wordt betrokkene ingeschreven in het register van kerkelijk werkers (GR 4-4; ord. 3-12-4).
De eis dat een kerkelijk werker belijdend lid van de kerk moet zijn, geldt sinds 2013. Doopleden en leden van andere kerken die voor die tijd ingeschreven zijn als kerkelijk werker, blijven ingeschreven en kunnen dus als kerkelijk werker worden benoemd (ovb. 5, bij ord. 3-12-4).
12.2 Het werkterrein van de kerkelijk werker
Kerkelijk werk omvat de volgende werkterreinen:
- de missionaire arbeid,
- het jeugd- en jongerenwerk,
- de vorming, de toerusting en de catechese,
- de pastorale arbeid,
- de diaconale arbeid,
- de gemeenteopbouw of
- waar de orde van de kerk dit aangeeft (ord. 3-12-2).
Op dit moment worden in de kerkorde geen andere werkterreinen genoemd. Maar andere terreinen zijn niet uitgesloten.
De opsomming geeft niet alleen aan dat een kerkelijk werker op die terreinen werkt, maar ook dat iemand kerkelijk werker moet zijn om voor dit werk benoemd te kunnen worden. Iemand die niet in het register van kerkelijk werkers is opgenomen, is binnen de Protestantse Kerk in Nederland niet voor werk op de genoemde terreinen benoembaar.
Ord. 3-12 omschrijft kerkelijk werk als werk op genoemde terreinen in een gemeente, een classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen of in de kerk als geheel. In de praktijk werken kerkelijk werkers alleen in gemeenten.
12.3 Ambt of bediening
De hoofdregel is dat een kerkelijk werker die in een gemeente werkt, wordt bevestigd als ouderling of als diaken voor de duur van de aanstelling (ord. 3-12-6). De normale ambtstermijnen zijn op hen niet van toepassing. Ze worden benoemd tot kerkelijk werker en verkozen tot ambtsdrager door de kerkenraad. Het gaat daarbij om één besluit met een arbeidsrechtelijke kant (benoeming) en een ambtelijke kant (verkiezing). Met het oog op die ambtelijke kant wordt de gemeente om aanbevelingen gevraagd (ord. 3-12-7). Uiteraard moeten die aanbevelingen worden gevraagd voordat de benoemingsprocedure start. Omdat een kerkelijk werker een ambtsdrager met bepaalde opdracht is, is de kerkenraad niet aan de aanbevelingen gebonden (ord. 3-6-2,3).
Een kerkelijk werker die benoemd wordt voor minder dan een jaar of voor minder dan 12 uur per week, wordt in de regel niet als ambtsdrager verkozen. Het werk als kerkenraadslid zou dan onevenredig veel beslag op de werktijd leggen. In dat geval wordt de kerkelijk werker in de bediening gesteld (GR 4-5-3). Dat wil zeggen: hij of zij wordt in een kerkdienst aan de gemeente verbonden en legt daarbij ook een belofte af, vergelijkbaar met die van ambtsdragers (ord. 3-12-9). Opvallend is dat in ord. 3-12 niet de belofte tot geheimhouding wordt genoemd. Maar de eis van geheimhouding is niet minder van toepassing (ord. 4-2). En in de orde in het Dienstboek die bij de inleiding in de bediening gebruikt moet worden, wordt de vraag naar geheimhouding wel gesteld.
De kerkorde sluit niet uit dat een kerkelijk werker die voor langer dan een jaar of voor meer dan 12 uur per week is aangesteld, toch niet als ambtsdrager bevestigd wordt. Ook blijft het denkbaar dat een kerkelijk werker die voor minder dan een jaar of voor minder dan 12 uur per week is aangesteld, wel als ambtsdrager wordt verkozen. Er moeten dan wel bijzondere redenen zijn om van de regel af te wijken. Een bijzondere reden om niet in het ambt te verkiezen, is bijvoorbeeld dat een kerkelijk werker geen belijdend lid is van de Protestantse Kerk in Nederland en krachtens de eerdergenoemde overgangsbepaling wel als kerkelijk werker benoembaar is, maar dus niet als ouderling of diaken bevestigd kan worden.
Ook bij een heel kleine aanstelling wordt de kerkelijk werker in de bediening gesteld
Een kerkelijk werker wordt altijd of in het ambt bevestigd of in de bediening gesteld (ord. 3-12-8). Ook bij een heel kleine aanstelling zal de kerkelijk werker in de bediening moeten worden gesteld. Het is in strijd met de positie van de kerkelijk werker als deze zou worden aangesteld als betrof het een van de ‘overige functies’. Bij de vaststelling van de tekst van ord. 3-12-8 is dit met nadruk vastgelegd. Dit geldt ook voor kerkelijk werkers die als geestelijk verzorger aan een classis verbonden zijn (zie § 12.5). De classicale vergadering kan geen ouderlingen of diakenen verkiezen, dus zullen zij in de bediening moeten worden gesteld.
12.4 Kerkelijk werker en kerkenraad
12.4.1 Benoeming
Een kerkelijk werker wordt aangesteld op arbeidsovereenkomst. De rechtspositieregeling voor kerkelijk medewerkers is van toepassing (ord. 3-9; GR 4-6). In een gemeente is het college van kerkrentmeesters, of als het om diaconaal werk gaat het college van diakenen, hiervoor verantwoordelijk.
Nadrukkelijk is daarom vastgelegd dat kerkelijk werkers geen lid kunnen zijn van het college van kerkrentmeesters (ord. 3-12-17). Deze bepaling is met name van belang voor kerkelijk werkers die in de bediening zijn gesteld: zij mogen dus niet als gemeentelid in dit college verkozen worden.
Dat een in het ambt van diaken bevestigde kerkelijk werker geen lid kan zijn van het college van kerkrentmeesters spreekt vanzelf: niemand kan in de gemeente meer dan één ambt dragen (ord. 3-8-3). Zo kan ook een ouderling-kerkelijk werker niet tot ouderling-kerkrentmeester of diaken verkozen worden.
Voor diaken-kerkelijk werker ligt het anders. Deze kan wel deel uitmaken van het college van diakenen. Binnen het college van diakenen ligt niet de nadruk op het beheer van vermogensrechtelijke aangelegenheden, maar op het diaconale werk, waaronder de financiële ondersteuning. Het beheer van het diaconale geld en het diaconale werk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alle diakenen, dus ook de diaken-kerkelijk werker, zijn daarbij betrokken.
Nadrukkelijk is bovendien bepaald dat de kerkelijk werkers zich onthouden van besprekingen met betrekking tot hun rechtspositie (ord. 3-12-17).
De colleges zijn geen opdrachtgever van de kerkelijk werker. De benoeming en het toe te vertrouwen taakveld is een zaak van de kerkenraad (GR 4-5-1). Dat geldt niet alleen voor de kerkelijk werker die ambtsdrager is, maar ook voor de kerkelijk werker die geen ambtsdrager is en in de bediening staat. Voor het college van kerkrentmeesters is dat ook in ord. 11-2-7 vastgelegd: het college draagt zorg voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden voor allen die op arbeidsovereenkomst in de gemeente werken (sub d.) en fungeert als opdrachtgever bij met name genoemde functies (sub e.). De kerkelijk werker staat daar niet bij.
Bij het college van diakenen staat hetzelfde onderscheid, maar wordt het college opdrachtgever van allemaal genoemd (ord. 11-2-8). Toch is het college van diakenen geen opdrachtgever van de kerkelijk werkers op diaconaal terrein. In ord. 3-12-11 wordt nadrukkelijk bepaald dat bij de aanstelling van kerkelijk werkers GR 4 van toepassing is. En in GR 4-5-1 staat zoals gezegd dat de kerkenraad voor alle kerkelijk werkers het werkterrein vaststelt.
12.4.2 Permanente educatie
De permanente educatie voor kerkelijk werkers valt, net als bij predikanten, uiteen in coaching gedurende het eerste jaar, primaire nascholing in het tweede tot vierde jaar en voortgezette nascholing vanaf het zesde jaar (GR 15-4). De nascholing is verplicht voor kerkelijk werkers met een aanstelling van ten minste een jaar en voor ten minste van een derde van de werktijd (GR 15-2-2). Deze verplichting betekent dat de tijd die de kerkelijk werker moet besteden aan de permanente educatie, gewoon onder de werktijd van de kerkelijk werker valt.
Voor kerkelijk werkers die werkzaam zijn in een instelling, zijn alleen de eerste twee delen (coaching en primaire nascholing) verplicht.
De kerkelijk werker stelt, met het oog op eigen leervragen en groeibehoefte, het scholingsplan voor de voortgezette nascholing op in overleg met de kerkenraad. Kerkenraad en kerkelijk werker moeten het dus eens worden over het scholingsplan. Het plan behoeft de goedkeuring van het breed moderamen van de classicale vergadering. Het breed moderamen toetst daarbij of het plan in overleg met de kerkenraad is opgesteld en of het plan past bij de door de kerkelijk werker geformuleerde leervragen en groeibehoeften (GR 15-7-3).
12.4.3 Eigen verantwoordelijkheid en samenspel
Bij de uitvoering van het werk is de kerkelijk werker gebonden aan het door de kerkenraad vastgestelde taakveld en de door de kerkenraad vastgestelde prioriteiten. Dat is niet anders dan bij predikanten, die ook in hun werk uitgaan van de door de kerkenraad vastgestelde prioriteiten. En net als bij predikanten zal de kerkenraad bij wijziging van het beleidsplan en de daarmee samenhangende prioriteiten ernstig rekening moeten houden met de inbreng van de kerkelijk werker. Trouwens, ook als betrokkene geen ambtsdrager is, zal de kerkenraad de (adviserende) stem van de kerkelijk werker mee laten klinken. In ord. 3-12-10 is vastgelegd dat kerkelijk werkers in de bediening kunnen worden uitgenodigd om als adviseur deel te nemen aan de vergaderingen van de kerkenraad. Dat zal in ieder geval wenselijk zijn als het werkterrein van de kerkelijk werker in bespreking is.
Ook met een kerkelijk werker worden jaargesprekken gehouden
Met het oog op de goede samenwerking en de kwaliteit van het kerkenraadswerk worden jaargesprekken gehouden door een afvaardiging van de kerkenraad met de kerkelijk werker die in het ambt staat. Het gaat daarbij om de vraag hoe de gemeente het best kan worden gediend en wat daarin de bijdrage van de kerkelijk werker en andere kerkenraadsleden kan zijn. Ook het welbevinden van betrokkenen moet daarbij aan de orde worden gesteld (ord. 4-8-8).
Als ambtsdragers zijn predikant en ouderling- of diaken-kerkelijk werker binnen de kerkenraad gelijkwaardig. Toch is er één groot verschil. Naast de positie als ambtsdrager is de kerkelijk werker ook werknemer. Dat betekent dat naast de jaargesprekken ook functioneringsgesprekken gehouden kunnen worden en dat de kerkenraad kan ontslaan. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst is ook het ambt vervallen.
12.4.4 Preekconsent
Kerkelijk werkers kunnen in bepaalde gevallen een preekconsent verkrijgen, waardoor ze kunnen voorgaan in een kerkdienst (GR 10-6,7). Zij zijn in dat geval niet bevoegd tot ambtelijke handelingen. In § 4.3.4 wordt hierop nader ingegaan.
Om in aanmerking te komen voor een preekconsent moet aan twee voorwaarden worden voldaan: de kerkelijk werker moet een aanvullende homiletische en liturgische vorming hebben ontvangen, en er moet een gemeente zijn die niet op een andere wijze kan voorzien in het voorgaan in de kerkdiensten (GR 10-6-1). De tweede voorwaarde geeft aan dat het niet vanzelfsprekend is dat een kerkelijk werker voorgaat. Alleen als er een noodzaak is, kan de kerkelijk werker een consent ontvangen om in die gemeente voor te gaan, ook als deze niet in die gemeente werkzaam is.
Of aan de voorwaarde voldaan is, staat ter beoordeling van het breed moderamen van de classicale vergadering. De kerkenraad moet de aanvraag dan ook indienen bij de scriba van de classicale vergadering. Als het breed moderamen overtuigd is van de noodzaak, stuurt het de aanvraag door naar de daarvoor door de kleine synode ingestelde commissie. Deze beoordeelt onder meer aan de hand van een preek met de orde van dienst of het consent kan worden verleend (GR 10-1). Bij het versturen van de aanvraag moet het breed moderamen zorgen dat de kerkelijk werker, indien het consent verleend wordt, supervisie van een predikant dan wel een andersoortige begeleiding krijgt (GR 10-6-3).
Het consent wordt voor de eerste maal verleend voor twee jaar, en bij verlenging voor vier jaar (GR 10-6-5), en wordt uitgereikt door het breed moderamen van de classicale vergadering (GR 10-6-9). Het breed moderamen kan bepalen dat de kerkelijk werker ook in andere met name genoemde gemeenten van de classis mag voorgaan (GR 10-6-6).
Gedurende de looptijd van een preekconsent hoeft bij een nieuwe aanstelling niet opnieuw via de landelijke commissie een consent te worden aangevraagd
De generale synode heeft in april 2019 besloten de procedure iets te vereenvoudigen. Tot dan toe verviel het preekconsent als de noodzaak verviel. Als de aanstelling van de kerkelijk werker eindigde, verviel daarmee ook het preekconsent. In de huidige regeling wordt het preekconsent alleen voor die gemeente vervallen verklaard. Zelfs als er daardoor geen gemeente meer is waar de kerkelijk werker mag voorgaan, de bevoegdheid om in een gemeente die het breed moderamen aanwijst voor te gaan, blijft. Het grote verschil met de oude regeling is dat gedurende de looptijd van het consent (twee of vier jaar) niet opnieuw via de landelijke commissie een consent hoeft te worden aangevraagd. Een tweede wijziging is dat ook het breed moderamen in een andere classis een gemeente kan aanwijzen waarin de kerkelijk werker mag voorgaan (GR 10-6-5). Deze bepaling maakt het mogelijk dat een kerkelijk werker die in een gemeente van een andere classis gaat werken, van het breed moderamen van de classicale vergadering van die classis consent krijgt om, gedurende de looptijd van het consent, in die gemeente voor te gaan, zonder dat eerst de landelijke commissie moet worden geraadpleegd. Dat breed moderamen moet dan wel zorgen voor supervisie door een predikant.
12.4.5 Predikantsbevoegdheid
Een kerkelijk werker die preekconsent heeft en bevestigd is als ouderling of diaken, kan in bijzondere omstandigheden ook de bevoegdheid krijgen om de ambtelijke handelingen te verrichten die normaal alleen aan de predikant zijn toegestaan. Het gaat dan om de bediening van de sacramenten, het afnemen van de belijdenis van het geloof, de bevestiging van ambtsdragers, het leiden van trouwdiensten en het uitspreken van de zegen (ord. 3-12-14). Die bevoegdheid geldt alleen voor de (wijk)gemeente waaraan de kerkelijk werker als ambtsdrager verbonden is.
Die bevoegdheid kan alleen worden gegeven voor een gemeente die niet in staat is – ook niet in samenwerking met andere gemeenten – om een predikant te beroepen, maar wel in staat is om een kerkelijk werker aan te stellen voor ten minste een periode van drie jaar en ten minste een derde van de werktijd. De bevoegdheid wordt verleend door het breed moderamen van de classicale vergadering, die dus ook beoordeelt of een gemeente voor deze regeling in aanmerking komt (GR 4-8-2). Ook zorgt het breed moderamen voor supervisie door een predikant.
De bevoegdheid wordt voor vier jaar verleend. Daarna kan worden bezien of de bevoegdheid opnieuw moet worden verleend (GR 4-8-4). Het breed moderamen kan de vier jaar gebruiken om in overleg met de kerkenraad te zoeken naar vormen van samenwerking met andere gemeenten, zodat het niet nodig is de bevoegdheid opnieuw te verlenen.
De predikantsbevoegdheid kan ook worden verleend in gemeenten in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden (ord. 2-6-1; zie § 2.5). Deze bevoegdheid kan worden verleend aan ouderlingen of diakenen, en dus ook aan de ouderling-kerkelijk werker of diaken-kerkelijk werker. Ook hier verleent het breed moderamen deze bevoegdheid en zorgt het voor supervisie door een predikant. Het is overigens ook mogelijk dat het breed moderamen in deze gemeenten slechts een deel van de predikantsbevoegdheden verleent. Hoewel de ordinantie niet zegt dat de bevoegdheid voor een bepaalde termijn wordt verleend, ligt het voor de hand dat het breed moderamen op zijn minst regelmatig beziet of deze bijzondere bevoegdheid nog steeds nodig is. Verlening van de bevoegdheid voor een bepaalde termijn is niet uitgesloten.
De kerkelijk werker die als predikant werkzaam is, is lid van de werkgemeenschap van predikanten (ord. 3-12-16). Andere kerkelijk werkers mogen de werkgemeenschap bijwonen en worden daarvoor uitgenodigd (GR 4-10-2).
12.5 Kerkelijk werker in een instelling
Een kerkelijk werker die benoemd wordt door een instelling als geestelijk verzorger, kan van een kerkenraad of classicale vergadering een bijzondere opdracht ontvangen en zo aan de gemeente of de classis verbonden worden. Net als bij een predikant met bijzondere opdracht is de kerkenraad respectievelijk de classicale vergadering ambtelijk verantwoordelijk voor het ambtelijke werk van de kerkelijk werker, en is zijn rechtspositie een zaak van de instelling (ord. 3-13-3). De kerkenraad of classicale vergadering zorgt voor een commissie die de kerkelijk werker begeleidt.
Een kerkelijk werker die in dienst van een missionaire organisatie werkt in een missionaire (wijk) gemeente als bedoeld in ord. 2-5-6, kan eveneens met een bijzondere opdracht aan een gemeente of classis verbonden worden (ord. 3-13-4).
Indien de classicale vergadering de bijzondere opdracht geeft, wordt de kerkelijk werker in de bediening gesteld. Indien een kerkenraad een bijzondere opdracht geeft, wordt de kerkelijk werker in de regel als ouderling of diaken met bepaalde opdracht verkozen. Opvallend is dat gesproken wordt over ‘bepaalde opdracht’, terwijl er sprake is van een bijzondere opdracht. In feite is beide van toepassing: voor ‘bepaalde’ opdracht is gekozen omdat ambtsdragers met bepaalde opdracht lid zijn van de kerkenraad, de bijzondere opdracht maakt duidelijk dat de rechtspositie niet binnen de kerk ligt, maar bij de instelling waaraan de kerkelijk werker verbonden is.
Zoals gezegd: als een gemeente de opdracht verstrekt, wordt betrokkene in de regel verkozen tot ambtsdrager, en wel voor de duur van de opdracht (ord. 3-13-2). Alleen bij een kleine aanstelling (minder dan een jaar of minder dan 12 uur per week) wordt deze in de bediening gesteld (GR 4-9-3).
Voor alle kerkelijk werkers met bijzondere opdracht (ook voor hen die als ambtsdrager lid zijn van de kerkenraad) wordt een commissie ingesteld die hen in hun werk begeleidt (ord. 3-13-4).
Kerkelijk werkers met bijzondere opdracht en ook kerkelijk werkers die een arbeidsovereenkomst hebben met een gemeente en als taak hebben om gemeenteleden in een instelling te begeleiden, kunnen, indien zij een aanvullende homiletische en liturgische vorming hebben gevolgd, een preekconsent krijgen voor de instelling waarin zij werken indien er geen predikant aan de instelling verbonden is en het bezwaarlijk is dat een predikant van buiten de diensten leidt.
Op dezelfde wijze kan het breed moderamen van de classicale vergadering hun, althans wanneer zij in het ambt staan, de bevoegdheid geven om ook andere predikantsbevoegdheden uit te oefenen (GR 4-8-3).