Menu

None

Verkiezing door de gemeente

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

Intussen is wel duidelijk geworden dat de gemeente niet zonder het ambt kan. Ambtsdragers, kerkenraad en gemeente zijn op elkaar betrokken. De verkiezing van de ambtsdragers is dan ook in de regel een zaak van de gemeente. Dat geldt zowel de verkiezing van de predikant als die van ouderlingen en diakenen (ord. 3-1).

10.1    Verkiezingsregeling

In de plaatselijke regeling moet worden vastgelegd:

  • wie stemgerechtigd zijn (zie volgende paragraaf),
  • of bij volmacht mag worden gestemd; in dat geval kan een stemgerechtigde maximaal twee volmachtstemmen uitbrengen (ord. 3-2-4),
  • op welke wijze de verkiezing plaatsvindt (ord. 3-6-2; zie § 10.3.3),
  • of de predikant door de kerkenraad verkozen wordt (zie § 11.1.8).

Verder kan in de verkiezingsregeling worden vastgelegd:

  • in welke maand de verkiezing wordt gehouden; er is geen verplichting meer om dit vast te leggen, de kerkenraad kan ook verkiezingen uitschrijven op elk moment dat een vacature ontstaat,
  • of de verkiezing plaatsvindt op een gemeentevergadering dan wel via een stembusverkiezing; de kerkenraad kan dit ook per geval vaststellen; de verkiezing van een predikant geschiedt altijd in een gemeentevergadering,
  • of gebruikgemaakt wordt van de mogelijkheid om dubbeltallen per vacature te stellen,
  • hoelang van tevoren om aanbevelingen wordt gevraagd en de verkiezingsdatum wordt aangekondigd; ook dit hoeft niet te worden vastgelegd, maar de kerkenraad moet in alle gevallen voldoende tijd geven.

In de modellen voor een plaatselijke regeling wordt een model aangereikt waarin de verschillende keuzen worden aangegeven.

De stemprocedure van ord. 4-5-3 is dwingend recht

In een eerdere versie van de Toelichting werd gesteld dat in de plaatselijke regeling ook een stemprocedure kan worden vastgelegd die afwijkt van het bepaalde in ord. 4-5-3. Dit is onjuist. De stemprocedure is dwingend recht waarvan niet kan worden afgeweken.

10.2    Stemgerechtigden

Het stemrecht (ook wel actief kiesrecht genoemd) wordt geregeld in ord. 3-2-3. Stemgerechtigd zijn in ieder geval de belijdende leden van de gemeente. In de betreffende associatieovereenkomsten is vastgelegd dat gastleden uit de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten met leden worden gelijkgesteld. Belijdende gastleden uit die Bond hebben dus ook stemrecht (Associatieovereenkomst, art. 5-2). Hetzelfde is bepaald voor gastleden vanuit de Gereja Kristen Indonesia Nederland.

De kerkenraad bepaalt welke groepen in de gemeente verder stemgerechtigd zijn. Voordat hij hierover een definitief besluit neemt, geeft hij de leden van de gemeente de gelegenheid hun mening hierover te geven.

De groepen die stemrecht kunnen krijgen zijn:

  • de doopleden (in dat geval inclusief de doopleden van bovengenoemde geassocieerde kerken die als gastlid zijn opgenomen),
  • de gastleden,
  • de vrienden die lid zijn van een andere gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland.

Bij de laatste twee groepen kan ook weer onderscheid gemaakt worden tussen belijdende leden en doopleden. Maar het is logisch dat als doopleden van de gemeente stemrecht krijgen, dit ook geldt voor de ‘doopleden’ van deze twee groepen.

Ten slotte kunnen ook de overige vrienden stemrecht krijgen. Het kan daarbij gaan om doopleden en belijdende leden van andere kerken die niet als gastlid zijn opgenomen, en ook om niet gedoopte vrienden.

Voor andere dan belijdende leden geldt een minimumleeftijd van 18 jaar.

Aan het stemrecht kunnen geen nadere voorwaarden worden gesteld. De vraag of iemand meelevend is dan wel of iemand financieel bijdraagt, is niet relevant voor het stemrecht. Alleen in het kader van een tuchtprocedure kan het stemrecht worden ontnomen (ord. 10-9-6 sub d; zie verder § 21.5.4).

10.3    Verkiezing ouderlingen en diakenen

Verkiezingen vinden plaats als de ambtstermijn van ambtsdragers verlopen is. Ook als ambtsdragers bereid zijn een nieuwe ambtstermijn te aanvaarden, moet een normale verkiezing worden gehouden. De kerkenraad moet de gemeente informeren over wie aftredend zijn, en over wie van hen herkiesbaar zijn. De gemeente moet om aanbevelingen worden gevraagd, en als er meer kandidaten zijn, zal de gemeente kunnen kiezen. Als er geen andere kandidaten zijn, kan de kerkenraad de ambtsdrager verkozen – of herkozen – verklaren. Verlenging van de ambtstermijn zonder verkiezing is alleen mogelijk als de betrokken ambtsdrager lid is van een meerdere vergadering dan wel als ambtsdrager lid is van een classicaal of generaal college. In dat geval kan de termijn voor de duur van de zittingstermijn worden verlengd.

Als er tussentijds een vacature ontstaat, kan de kerkenraad besluiten de vacature tot de volgende reguliere verkiezing niet te vervullen of een tussentijdse verkiezing te houden.

10.3.1   Verkiesbaarheid

Alle stemgerechtigden die belijdend (gast)lid zijn of bij de bevestiging in het ambt belijdenis willen doen, zijn in principe verkiesbaar (ord. 3-6-1). Dit wordt ook wel aangeduid als passief kiesrecht.

Niet verkiesbaar zijn degenen die recent een ambtsperiode van in totaal twaalf jaar hebben voltooid in de gemeente. Eerst na elf maanden na het einde van de ambtstermijn zijn zij weer verkiesbaar. Voor kerkrentmeesters en diaconale rentmeesters geldt eveneens dat zij na twaalf jaar in functie niet direct verkiesbaar zijn. Zie verder § 10.3.8.

Uiteraard zijn degenen die in het kader van de kerkelijke tuchtoefening worden uitgesloten van het recht om te stemmen en verkozen te worden (ord. 10-9-6 sub d), niet verkiesbaar. En ook degenen die geschorst zijn in het ambt zijn niet verkiesbaar (ord. 10-9-7 sub c en d) voor een ander ambt.

Over de toelating tot het doen van openbare geloofsbelijdenis beslist de kerkenraad (ord. 9-4-1,2; zie § 5.6.2). Als de kerkenraad geen beletsel ziet, en het dooplid verkozen is en zijn of haar verkiezing heeft aanvaard, vindt de belijdenis plaats door een daartoe te stellen vraag voorafgaande aan de bevestiging in het ambt (ord. 9-5-4).

Ook stemgerechtigde vrienden die belijdend lid zijn van een andere gemeente van de kerk zijn verkiesbaar

Alleen stemgerechtigde doopleden van de gemeente zijn, wanneer de kerkenraad heeft vastgesteld dat zij onder de belijdende leden kunnen worden opgenomen, verkiesbaar. Andere doopleden zijn niet verkiesbaar. De toelating tot de belijdenis is in de eerste plaats een zaak van de gemeente waartoe zij als lid behoren. Wel is het mogelijk dat een gastlid of vriend overkomt naar de gemeente. Maar die overkomst gaat dan aan de verkiesbaarheid vooraf.

Ook stemgerechtigde vrienden die belijdend lid zijn van een andere gemeente van de kerk zijn verkiesbaar. De eerdere regeling (tot 2018) dat een lid van een andere gemeente of wijkgemeente alleen met instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering of van de algemene kerkenraad kandidaat kon worden gesteld, is hiermee vervallen. Er is nu geen toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering of de algemene kerkenraad meer nodig.

De kerkorde kent verder geen beperkingen voor verkiesbaarheid. Stemgerechtigden zijn verkiesbaar ongeacht leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid of samenlevingsvorm. Ook zijn er geen beperkingen met betrekking tot verwantschap. Een kerkenraad is dan ook niet gerechtigd om bepaalde groepen of personen die verkiesbaar zijn, uit te sluiten van de te verkiezen kandidaten, en kan dus ook niet voorbijgaan aan een aanbeveling van tien stemgerechtigde leden omdat de persoon tot een groep behoort die de kerkenraad niet welgevallig is. Het moet aan de wijsheid van de stemgerechtigden worden overgelaten om een te eenzijdige samenstelling van de kerkenraad te voorkomen.

Ambtsdragers zijn in principe verkiesbaar voor een ander ambt

Ook ambtsdragers zijn in principe verkiesbaar voor een ander ambt. Als zij verkozen worden, kunnen zij de roeping alleen aanvaarden als zij hun huidige ambt neerleggen. Niemand kan immers in een gemeente meer dan één ambt dragen (ord. 3-8-3). Maar het is op die manier mogelijk om bijvoorbeeld een ouderling te verkiezen tot ouderling-kerkrentmeester of diaken en omgekeerd, als daartoe de behoefte is. Een overstap van het ene ambt naar het andere zonder verkiezing is niet mogelijk. Betrokkene is immers verkozen tot ouderling, ouderling-kerkrentmeester of diaken. En ook al delen de ouderling die geen kerkrentmeester is en de ouderling-kerkrentmeester het ene ambt van ouderling, beiden zijn tot ouderling-kerkrentmeester dan wel tot ouderling zonder beheerstaken gekozen.

Kerkrentmeesters en diaconale rentmeesters die als niet-ambtsdrager lid zijn van het college van kerkrentmeesters of college van diakenen zijn eveneens verkiesbaar. Zij moeten bij verkiezing het rentmeesterschap als gemeentelid neerleggen (ord. 11-2-2).

Predikanten van de kerk die lid zijn van de gemeente en niet als gemeentepredikant aan de gemeente verbonden zijn, zijn eveneens verkiesbaar. Als ze bevestigd worden tot ouderling of diaken dragen ze wel twee ambten, maar in de gemeente dragen ze alleen het ambt van ouderling of diaken. De kerkenraad kan hen overigens ook als predikant benoemen tot lid van de kerkenraad. Er is dan geen verkiezing nodig (ord. 4-6-7). De zo benoemde predikant kan werk van een ouderling of diaken doen. Maar voor een functie als ambtsdrager in het college van kerkrentmeesters dan wel het college van diakenen is verkiezing tot ouderling-kerkrentmeester dan wel tot diaken noodzakelijk.

10.3.2   Aanbevelingen

Aanbevelingen moeten altijd worden gevraagd

Bij elke vacature moet de gemeente tijdig in de gelegenheid worden gesteld om aanbevelingen te doen van degenen die voor verkiezing in aanmerking komen (ord. 3-6-2,3). Dit geldt ook als het om een ambtsdrager met bepaalde opdracht gaat die door de kerkenraad wordt verkozen. Als de kerkenraad een kerkelijk werker wil benoemen om die vervolgens te verkiezen tot ouderling of diaken met bepaalde opdracht (ord. 3-12-7), moet al voor de benoeming om aanbevelingen worden gevraagd. Als de kerkelijk werker eenmaal benoemd is, is het vragen van aanbevelingen immers niet meer mogelijk.

Aanbevelingen mogen worden gedaan door ieder die bij de gemeente hoort, ook door degenen die niet stemgerechtigd zijn. De kerkorde schrijft niet voor hoe de aanbevelingen moeten worden ingediend. Het heeft de voorkeur dat dit schriftelijk (al dan niet per e-mail) gebeurt. De aanbeveling komt dan als ingekomen stuk bij de stukken van de kerkenraad. Maar een mondelinge mededeling aan de scriba volstaat ook. Maar uiteraard moet duidelijk zijn wie de aanbeveling doet.

Het is mogelijk om iemand voor meer dan één ambt aan te bevelen, of – als aanbevelingen per vacature worden gevraagd – voor meer dan één vacature.

Als een kerkenraad zonder aanbevelingen te vragen iemand tot ambtsdrager verkiest, kan bezwaar gemaakt worden tegen de verkiezingsprocedure. Zie § 10.3.6.

10.3.3   Kandidatenlijst

De kerkenraad stelt de kandidatenlijst op (ord. 3-6-2,3). De kerkenraad moet uiteraard serieus rekening houden met aanbevelingen. Maar bij de verkiezing van ambtsdragers met bepaalde opdracht is hij daar niet aan gebonden. De keuze ligt dan volledig bij de kerkenraad. Deze kan één kandidaat stellen en daarmee de kandidaat verkozen verklaren, of meer kandidaten op de lijst plaatsen en de keus aan de gemeente laten.

Bij de normale verkiezingsprocedure (ord. 3-6-2) wordt de kandidatenlijst per ambt opgesteld. De uitdrukking ‘per ambt’ moet daarbij niet te strikt worden genomen. Het duidt aan dat niet per vacature een kandidatenlijst wordt gemaakt. Maar het is vanzelfsprekend dat er binnen het ambt van ouderling een aparte kandidatenlijst is voor de ouderlingen-kerkrentmeester. Ook is niet uitgesloten dat voor bijvoorbeeld jeugdouderlingen een aparte lijst wordt gemaakt.

De kerkenraad is gehouden iemand die verkiesbaar is en door tien stemgerechtigde leden is aanbevolen, op de kandidatenlijst te plaatsen. Als er vier vacatures voor ouderling zijn en twee personen door tien stemgerechtigde leden zijn aanbevolen, moet de kerkenraad beiden op de kandidatenlijst zetten naast anderen die de kerkenraad op de lijst zet. De kerkenraad kan geen dubbeltallen stellen.

De kerkorde geeft de mogelijkheid dat de kerkenraad een kandidatenlijst opstelt zonder rekening te houden met de aanbevelingen (ord. 3-6-3). Dit kan alleen als de gemeente hem daarvoor voor een periode van ten hoogste zes jaar gemachtigd heeft. De kerkenraad moet dan per vacature dubbeltallen stellen. Als de kerkenraad van deze mogelijkheid gebruik wil maken, moet hij dus steeds opnieuw om toestemming vragen. In gemeenten waar de kerkenraad van deze mogelijkheid gebruikmaakt, spreekt men dan wel van de zesjaarlijkse stemming.

Als de kerkenraad de toestemming heeft van de gemeente om dubbeltallen te stellen, mag de kerkenraad, als er niet voldoende kandidaten zijn, afzien van het stellen van dubbeltallen. Maar in dat geval moet degene die door vijf stemgerechtigden voor een vacature is voorgedragen, op de kandidatenlijst worden gezet. Omdat er dan voor die vacature maar één persoon op de kandidatenlijst staat, zal deze verkozen worden verklaard.

Ook als de kerkenraad bezwaren heeft, kan hij niet weigeren degenen die door voldoende personen zijn aanbevolen en verkiesbaar zijn, op de kandidatenlijst te plaatsen. Formeel moet de kerkenraad ook personen die duidelijk te kennen geven niet verkozen te willen worden bij voldoende aanbevelingen op de kandidatenlijst plaatsen. Het is immers niet uitgesloten dat een kandidaat na verkozen te zijn, op zijn weigering terugkomt. Anderzijds, als de kerkenraad ervan overtuigd is dat betrokkene goede redenen heeft en zal weigeren, kan de kerkenraad aan betrokkenen vragen om hun aanbeveling in te trekken. Iemand laten verkiezen die de verkiezing niet zal aanvaarden, is niet zinvol. Maar als betrokkenen bij hun aanbeveling blijven, zal de aanbevo-lene op de lijst moeten blijven staan. Bij de verkiezing kan de kerkenraad (of de aanbevolene zelf) meedelen dat de aanbevolene de verkiezing niet zal aanvaarden.

10.3.4   Verkiezing of verkozen verklaren

Als er niet meer kandidaten zijn dan vacatures, verklaart de kerkenraad de kandidaten voor verkozen. Dit is mogelijk

  • als de kerkenraad één kandidaat stelt voor de vacature van een ambtsdrager met bepaalde opdracht (de kerkenraad is immers dan niet gebonden aan aanbevelingen),
  • als de kerkenraad allen die door tien stemgerechtigden zijn voorgedragen op de kandidatenlijst plaatst,
  • als de kerkenraad die gemachtigd is dubbeltallen te stellen, degenen die door vijf stemgerechtigden zijn aanbevolen op de kandidatenlijst plaatst.

Als er meer kandidaten zijn dan vacatures, vindt verkiezing door de stemgerechtigden van de gemeente plaats (ord. 3-6-2,3). Dit kan op een aparte gemeenteavond, na de kerkdienst of via het inleveren van stembiljetten. Bij de laatste methode moet gewaarborgd worden dat alleen stemgerechtigden stemmen en dat niemand meer dan één stem uitbrengt en – als de regeling daarin voorziet (ord. 3-2-4) – niet meer dan twee volmachtstemmen. Nadeel van een stembusverkiezing is wel dat niet direct een herstemming gehouden kan worden als dat nodig is.

Ieder vult het stembiljet in met maximaal het gevraagde aantal namen

Bij de stemming is ord. 4-5-3 van toepassing. Bij stemming tussen twee personen is het eenvoudig. Degene die de meerderheid behaalt, is verkozen. Als beiden een gelijk aantal stemmen halen, wordt opnieuw gestemd, en als de stemmen opnieuw staken, wordt er geloot.

In alle andere gevallen kiest ieder zoveel personen als er vacatures zijn. Hiervoor vult ieder het stembiljet in met (maximaal) het gevraagde aantal namen. Een stembiljet waarop meer namen staan dan is gevraagd, is ongeldig, een stembiljet waarop minder namen staan, is wel geldig. Een stembiljet waarop geen naam staat, is blanco en telt niet mee, evenmin als de ongeldige stemmen. Bij het beantwoorden van de vraag of iemand de meerderheid heeft behaald van het aantal stemmen wordt uitgegaan van het aantal geldig uitgebrachte stemmen.

Om de procedure uit te leggen, kan het beste van een voorbeeld worden uitgegaan.

Er zijn zeven kandidaten (A t/m G) en vier vacatures. Uitgebracht zijn 21 geldige stemmen; er zijn stembriefjes waarop minder dan vier namen zijn ingevuld. De meerderheid van stemmen is dan 11 stemmen.

Voorbeelduitslagen:

Bij uitslag I hebben zes kandidaten 11 stemmen of meer. A-C zijn zonder meer verkozen. D, E en F hebben ook een meerderheid, en D en E hebben beiden eenzelfde aantal stemmen en meer dan F. Er vindt dus herstemming plaats tussen D en E.

Bij uitslag II hebben vier kandidaten 11 stemmen of meer; deze zijn verkozen.

Bij uitslag III hebben drie kandidaten 11 stemmen of meer; deze zijn verkozen. Voor de overgebleven vacature vindt herstemming plaats tussen de twee met de meeste stemmen: D en E.

Bij uitslag IV hebben twee kandidaten 11 stemmen of meer; deze zijn verkozen. Er is meer dan één vacature nog niet vervuld, dus er vindt herstemming plaats tussen alle overgebleven kandidaten.

10.3.5   Aanvaarding

De gekozene meldt uiterlijk een week nadat hun de verkiezing bekend is gemaakt, of zij of hij de roeping aanvaardt. Dat kan ook direct tijdens de verkiezingsvergadering gebeuren.

Een nieuwe situatie ontstaat als een verkozene de roeping tot het ambt niet aanvaardt. De kerkenraad kan dan degene die de meeste stemmen heeft behaald (zolang het – in het voorbeeld – er minimaal 11 zijn), verkozen verklaren. Bij uitslag I zijn dat – in volgorde – D of E (degene die in de herstemming niet gekozen is) en F; bij uitslag III is dat D of E (degene die in de herstemming niet gekozen is); bij uitslag IV kan van de uitslag van de tweede stemming worden uitgegaan.

Wanneer, zoals bij uitslag II, er geen kandidaten zijn die de meerderheid hebben behaald, moet een nieuwe stemming plaatsvinden. Er hoeft niet opnieuw om aanbevelingen te worden gevraagd. Het gaat immers om dezelfde verkiezingsronde. De kerkenraad moet daarbij degenen die door tien stemgerechtigden waren aanbevolen en niet verkozen zijn, op de verkiezingslijst plaatsen. Als er dan slechts één kandidaat is, kan de kerkenraad deze verkozen verklaren.

10.3.6   Bezwaren

De namen van degenen die hun roeping hebben aanvaard, worden aan de gemeente bekendgemaakt (ord. 3-6-6). De gemeente geeft vervolgens stilzwijgend goedkeuring aan de bevestiging of verbintenis, tenzij schriftelijk en ondertekend bezwaar wordt gemaakt tegen de verkiezingsprocedure dan wel tegen de bevestiging of verbintenis (ord. 3-6-7,8).

Wanneer een stemgerechtigde van oordeel is dat de verkiezingsprocedure niet goed verlopen is, kan deze zijn bezwaar kenbaar maken aan de kerkenraad. Dat moet binnen vijf dagen na de bekendmaking, maar kan al tijdens de procedure, bijvoorbeeld wanneer een verkiezingsvergadering wordt uitgeschreven zonder dat aanbevelingen zijn gevraagd. De kerkenraad zal waar mogelijk proberen het bezwaar weg te nemen (in het voorbeeld door alsnog aanbevelingen te vragen). Maar als dat niet lukt, moet de betrokkene het bezwaar schriftelijk en ondertekend indienen, en moet de kerkenraad het bezwaar binnen veertien dagen doorsturen naar het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (zie verder § 22.5.2, onder het kopje ‘Uitzonderingen’).

Wanneer een stemgerechtigde bezwaar heeft tegen de bevestiging (en dus tegen de persoon van de gekozene), moet het bezwaar eveneens binnen vijf dagen na de bekendmaking aan de kerkenraad worden gemeld. Dat kan niet voor de bekendmaking; pas na de aanvaarding van de roeping is dit mogelijk. Er kan geen bezwaar worden ingediend als de betrokkene al ambtsdrager is en herkozen is; daarom wordt in ord. 3-6-7 alleen gesproken over bezwaren tegen een bevestiging en niet ook tegen een verbintenis. Betrokkene is immers al als ambtsdrager aanvaard.

Ook hier kan de kerkenraad proberen het bezwaar weg te nemen, en ook hier stuurt hij het bezwaar binnen veertien dagen door, nu naar het classicale college voor het opzicht (zie verder § 21.4.2).

10.3.7   Bevestiging of verbintenis

Bij herverkiezing is geen bevestiging in het ambt nodig, wel een nieuwe verbintenis

Als er geen bezwaren zijn ingediend, of de bezwaren zijn weggenomen dan wel ongegrond verklaard, vindt bevestiging in het ambt plaats. Degenen die herkozen worden in hetzelfde ambt, worden voor een nieuwe termijn verbonden aan de gemeente (we spreken dan van verbintenis). Er is dan geen bevestiging in het ambt nodig: betrokkene draagt immers al dat ambt. Degenen die verkozen worden voor een ander ambt, worden in dat ambt bevestigd. Dat geldt ook voor predikanten die als ouderling of diaken verkozen zijn. Alleen als een ouderling verkozen is tot ouderling-kerkrentmeester (of omgekeerd), is er geen bevestiging in het ambt nodig. Ouderlingen en ouderlingen-kerkrentmeester dragen immers hetzelfde ambt van ouderling. Betrokkenen worden alleen voor een nieuwe termijn verbonden aan de gemeente.

De bevestiging in het ambt geschiedt met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek. Daarbij kunnen aan de te bevestigen ambtsdragers de handen worden opgelegd. Voorgeschreven is dat niet (ord. 3-6-9). Bij een verbintenis gebeurt dat uiteraard niet. Betrokkene staat immers al in het ambt.

Wanneer een dooplid verkozen is tot ambtsdrager wordt deze door het beantwoorden van een belijdenisvraag eerst opgenomen onder de belijdende leden (ord. 9-5-4; zie § 5.6.2).

10.3.8   Ambtstermijn

De ambtstermijn is in de regel minstens twee jaar en ten hoogste vier jaar. De eerste ambtstermijn is in de regel vier jaar, maar de kerkenraad kan bijvoorbeeld ook een ambtstermijn van drie jaar hanteren. Bij een tussentijdse verkiezing kan het zinvol zijn om de ambtstermijn aan te passen om een gelijkmatig rooster van aftreden te behouden.

Ambtsdragers zijn terstond herkiesbaar, maar kunnen niet langer dan twaalf jaar achtereen in het ambt staan (ord. 3-7-1). Na afloop van de termijn zijn ze gedurende elf maanden niet verkiesbaar voor een ambt en evenmin benoembaar als kerkrentmeester of diaconale rentmeester.

Voor kerkrentmeesters en diaconale rentmeesters geldt eveneens dat zij niet langer dan twaalf jaar in functie kunnen zijn (ord. 11-2-3). Zij zijn daarna gedurende elf maanden niet benoembaar tot kerkrentmeester of diaconale rentmeester en evenmin verkiesbaar voor een ambt.

De termijn van twaalf jaar geldt niet voor kerkelijk werkers die tot ouderling of diaken verkozen zijn: hun ambtstermijn is gelijk aan de periode van benoeming (ord. 3-12-6).

De termijnen als ambtsdrager of rentmeester moeten bij elkaar worden opgeteld. Iemand die vier jaar kerkrentmeester is geweest en daarna verkozen is tot ouderling-kerkrentmeester, is na acht jaar als ouderling-kerkrentmeester niet direct herkiesbaar. En iemand die vijf jaar diaken is geweest en daarna gekozen is tot ouderling, is na zeven jaar als ouderling niet meer herkiesbaar.

Een voorafgaande (ambts)periode in een andere (wijk)gemeente telt daarbij niet mee. De reden voor de bepaling is dat de gemeente op die manier niet automatisch dezelfde personen kan verkiezen zodat anderen buiten beeld blijven. Er moet na twaalf jaar altijd een ambteloze periode zijn.

Een ambteloze periode duurt minimaal vijf maanden

Wel mogelijk is het dat een aftredende ambtsdrager nog even aanblijft tot de opvolger is bevestigd, ook als daarmee de twaalfjaarstermijn wordt overschreden. Die periode is maximaal zes maanden (ord. 3-7-4). Voor de termijn van elf maanden wordt dan uitgegaan van de datum waarop de ambtstermijn officieel afliep en niet van de datum dat de ambtsdrager metterdaad aftreedt. Er blijft dan altijd nog een ambteloze periode van minimaal vijf maanden over (ord. 3-7-2).

Op de regel dat na afloop van de ambtstermijn altijd een nieuwe verkiezing moet volgen, is één uitzondering. Als een ambtsdrager lid is van een meerdere vergadering of als ambtsdrager lid is van een classicaal of generaal college, kan de kerkenraad de ambtstermijn verlengen voor de duur van het lidmaatschap van de meerdere vergadering of het classicale of generale college (ord. 3-7-3), ook als daardoor de maximale periode van twaalf jaar wordt overschreden. De nieuwe datum van aftreden is dan gelijk aan het einde van de zittingsperiode. Een verlenging of nieuwe benoeming als lid van die vergadering of dat college is dan niet mogelijk.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken