Menu

None

De kerkenraad

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

Onder de ambtelijke vergaderingen neemt de kerkenraad in zekere zin de eerste plaats in: hij geeft leiding aan het leven van de gemeente.

In de Romeinse artikelen wordt een aantal basisregels voor de kerkenraad vastgelegd. De kerkenraad wordt gevormd door de bij de gemeente dienstdoende predikanten, de ouderlingen en diakenen en geeft leiding aan het leven en werken van de gemeente (art. VI-3,4 KO). Dit is fundamenteel. Leiding geven is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle ambtsdragers die dan ook gezamenlijk in een ambtelijke vergadering wordt uitgeoefend. Dat leiding geven is niet ‘de baas zijn’. In de kerk is Christus de baas, en Hij is gekomen om te dienen. De leiding van de kerkenraad is dan ook een dienst aan de gemeente om de gemeente te helpen haar roeping te vervullen.

Gezamenlijk leiding geven is dienen

Daarbij moet de kerkenraad luisteren naar de inbreng vanuit de gemeente (art. VI-5 KO). De gemeente heeft immers de roeping om de opdracht te vervullen die Christus geeft. Op de vervulling van die roeping is de leiding van de kerkenraad gericht (art. IV-2,3 KO). In zijn werk kan de kerkenraad zich laten bijstaan door commissies die een taak in opdracht van de kerkenraad uitvoeren (art. VI-7 KO) en door werkgroepen die een deel van de kerkenraadstaak toebedeeld krijgen (art. VI-6 KO; zie § 9.4.4). Het verschil tussen commissie en werkgroep is groot: een commissie voert kerkenraadsbesluiten uit. Zij kan voorstellen doen en de kerkenraad neemt de besluiten. Een werkgroep neemt zelfstandig besluiten op het toebedeelde werkterrein. De kerkenraad bepaalt wel het algemene beleid, maar concrete beslissingen worden door de werkgroep genomen.

In ord. 4-6 t/m 12 wordt een en ander uitgewerkt.

9.1      Samenstelling

De kerkenraad wordt gevormd door alle ambtsdragers van de gemeente (ord. 4-6-2). Je kunt geen ambtsdrager zijn in de gemeente zonder lid te zijn van de kerkenraad. Alle kerkenraadsleden behoren dan ook aan de beraadslagingen in de kerkenraad mee te doen. Ook als de kerkenraad er in de praktijk mee instemt dat een ambtsdrager structureel de vergaderingen niet bijwoont, blijft deze ambtsdrager mee verantwoordelijk voor de besluiten van de kerkenraad.

Op de regel dat alle ambtsdragers in de gemeente lid zijn van de kerkenraad is één uitzondering.

Dit betreft de predikanten van de kerk die als geestelijk verzorger werkzaam zijn in een instelling. Zij zijn als predikant met bijzondere opdracht verbonden aan de gemeente of aan de classis. Ook als zij aan de gemeente verbonden zijn, zijn zij geen lid van de kerkenraad. Zij doen immers geen dienst in de gemeente. In art. VI-3 KO wordt dan ook niet gesproken over de aan de gemeente verbonden predikanten, maar over de bij de gemeente dienstdoende predikanten.

De uitzondering betreft alleen de predikanten met bijzondere opdracht. Kerkelijk werkers die als geestelijk verzorger werkzaam zijn in een instelling, kunnen door de kerkenraad (of door de classicale vergadering) benoemd worden tot kerkelijk werker met bijzondere opdracht. Als de kerkenraad hen benoemt, worden zij als ouderling met bepaalde opdracht aan de gemeente verbonden. Zij zijn dan wel lid van de kerkenraad (ord. 3-13-2).

Predikanten met bijzondere opdracht kunnen overigens wel door de kerkenraad (buiten verkiezing om) tot kerkenraadslid worden benoemd. Dat geldt ook voor andere predikanten van de kerk die lid zijn van de gemeente (ord. 4-6-7), bijvoorbeeld emerituspredikanten. Deze predikanten staan al in een ambt, en worden door de benoeming lid van de kerkenraad; zij worden dus niet apart aan de gemeente verbonden. De kerkorde spreekt verder niet over de taken die aan deze predikanten kunnen worden toevertrouwd. Dat kan plaatselijk nader worden ingevuld. De taak kan zich beperken tot het meedenken over het beleid in de kerkenraad. Maar ook kunnen specifieke taken worden toevertrouwd. Het moet dan wel gaan om taken die aan een predikant kunnen worden toevertrouwd. Zij of hij kan bijvoorbeeld scriba of voorzitter van de kerkenraad zijn, of ook een diaconale taak hebben, maar het is niet mogelijk voorzitter of secretaris van het college van kerkrentmeesters of college van diakenen te zijn. Een predikant is immers geen ouderling-kerkrentmeester of diaken. Het verdient de voorkeur dat in deze situatie een predikant op grond van diens ambt als ‘predikant van de kerk’ (ord. 3-15) wordt uitgenodigd om lid te worden van de kerkenraad, maar desgewenst kunnen deze predikanten tot ouderling of diaken verkozen worden: het zijn immers stemgerechtigde leden, en zij ‘dragen dan niet meer dan een ambt in de gemeente’ (vgl. ord. 3-8-3; zie § 10.3.1).

In een gemeente met wijkgemeenten heeft de gemeente een algemene kerkenraad en elke wijkgemeente een wijkkerkenraad. De wijkkerkenraad wordt gevormd door alle ambtsdragers van de wijkgemeente. De samenstelling van de algemene kerkenraad wordt plaatselijk geregeld. Alleen is vastgelegd dat alle wijkkerkenraden in de algemene kerkenraad vertegenwoordigd zijn. Wijkkerkenraden kunnen desgewenst voor hun vertegenwoordiger in de algemene kerkenraad een vervanger aanwijzen voor het geval de vertegenwoordiger verhinderd is.

Verder gelden voor alle kerkenraden, dus ook voor de algemene kerkenraad, de algemene bepalingen over de omvang en samenstelling van de kerkenraad.

Elke kerkenraad (dus ook de algemene kerkenraad) bestaat uit ten minste één predikant, twee ‘gewone’ ouderlingen, twee ouderlingen-kerkrentmeester en twee diakenen. Het minimum van twee ouderlingen-kerkrentmeester en twee diakenen hangt samen met de eis dat in het college van kerkrentmeesters ten minste twee ouderlingen-kerkrentmeester zitting hebben, en in het college van diakenen ten minste twee diakenen. Een wijkkerkenraad kan een lid minder tellen: volstaan kan worden met één ouderling-kerkrentmeester (ord. 4-6-3,4). Aan de eis dat het college van kerkrentmeesters ten minste twee ouderlingen-kerkrentmeester telt, kan immers worden voldaan doordat de ouderlingen-kerkrentmeester van de verschillende wijkgemeenten samenwerken in het gezamenlijke college van kerkrentmeesters. Het minimum van twee ouderlingen en twee diakenen moet waarborgen dat ouderlingen en diakenen altijd onderling kunnen overleggen en er niet alleen voor staan.

Het in stand houden van veel vacatures is ontmoedigend

Voor het overige bepaalt de kerkenraad zelf de omvang van de kerkenraad. Hij zal daarbij rekening houden met de te verrichten taken, maar ook rekening houden met de beschikbaarheid van mensen. Als structureel vacatures niet vervuld kunnen worden, zal gedacht moeten worden aan herschikking van taken en stellen van prioriteiten. Het in stand houden van veel vacatures is ontmoedigend en ook onverstandig in verband met het feit dat minimaal de helft van het aantal vastgestelde leden aanwezig moet zijn om een besluit te kunnen nemen (ord. 4-5-4). Bij een kerkenraad met formeel vijftien leden en daarbinnen zes vacatures moeten acht leden aanwezig zijn om een besluit te kunnen nemen. Er mag dus niet meer dan één lid afwezig zijn. Bij de vacatures telt uiteraard ook een eventuele predikantsvacature mee, behalve wanneer het breed moderamen van de classicale vergadering toestemming heeft gegeven op andere wijze in de vacature te voorzien (zie § 9.2).

De kerkorde schrijft niet voor dat het aantal leden in de plaatselijke regeling moet worden vastgelegd. Als het aantal opgenomen is in de plaatselijke regeling, moet over de wijziging van het aantal de gemeente worden gehoord (ord. 4-8-9).

Een bijzondere bepaling is dat de kerkenraad kan besluiten dat degenen die in een bediening staan (zie § 7.3), als adviseurs worden toegelaten tot de vergaderingen van de kerkenraad (ord. 4-6-6; 3-12-10). Het gaat hierbij om kerkelijk werkers en kerkmusici voor zover deze in de bediening zijn gesteld.

Als door omstandigheden tijdelijk of structureel niet voldaan wordt aan de minimumeisen, overleggen kerkenraad en breed moderamen van de classicale vergadering over de vraag hoe de taken dan kunnen worden gedaan. Het breed moderamen van de classicale vergadering kan zo nodig maatregelen treffen. Als het om een evangelisch-lutherse gemeente gaat, wordt de evangelisch-lutherse synode erbij betrokken (ord. 4-6-5).

Wat die maatregelen kunnen zijn, wordt niet nader gezegd. Uiteraard zal het breed moderamen proberen met de kerkenraad tot een oplossing te komen. Maar als de kerkenraad geen enkele oplossing zou willen, zal het breed moderamen toch iets moeten doen om te zorgen dat de taken worden uitgevoerd. Als het de kerkenraad niet meer lukt om zelf de taken te verrichten, kan gedacht worden aan tijdelijke ondersteuning door ambtsdragers uit naburige gemeenten. Ook kan het breed moderamen helpen bij het zoeken naar samenwerking of het samengaan met een andere gemeente. Het is zelfs mogelijk dat het breed moderamen – na overleg met de kerkenraad – taken van de kerkenraad overneemt als de kerkenraad zelf daartoe niet meer in staat is doordat er minder dan drie leden zijn. Het GCBG heeft dit in 2005 uitgesproken toen het een bezwaarschrift van een breed moderamen van een classicale vergadering namens de kerkenraad ontvankelijk verklaarde, een bezwaarschrift dat normaal alleen door een kerkenraad kan worden ingediend (GCBG 2005/10). Voor het ontbreken van voldoende ouderlingen-kerkrentmeester en diakenen wordt, met het oog op hun vermogensrechtelijke taken, in GR 12 een regeling getroffen. Zie daarvoor § 13.4.

9.2      Predikantsvacature

Geen ambt kan worden gemist

Voor het ontbreken van de predikant geeft de kerkorde zelf nadere bepalingen. Als er tijdelijk (door een vacature) geen predikant aan de gemeente verbonden is, of als de predikant langdurig niet kan werken in de gemeente, wordt de kerkenraad bijgestaan door een predikant van de kerk als consulent. Hierin komt de zorg van de kerk voor alle gemeenten tot uitdrukking. Alle predikanten van de kerk, ook de emerituspredikanten, kunnen deze taak op zich nemen (ord. 4-10-1).

De consulent staat de kerkenraad met raad en daad bij, maar is geen lid van de kerkenraad. Wel kan hij of zij de vergadering van de kerkenraad met adviserende stem bijwonen en ook als voorzitter optreden. De consulent hoeft niet alle kerkenraadsvergaderingen bij te wonen, maar moet wel op de hoogte gesteld worden en voor alle vergaderingen worden uitgenodigd. Bij afwezigheid van de consulent kan de kerkenraad wel gewoon besluiten (als het quorum aanwezig is). Alleen als het beroepingswerk aan de orde is, moet de consulent aanwezig zijn (ord. 3-3-4).

De kerkenraad kan zelf een predikant van de kerk uitnodigen om als consulent op te treden. Maar als dat niet lukt, kan de voorzitter van de werkgemeenschap van predikanten om bemiddeling worden gevraagd (ord. 4-10-1). De predikanten uit de werkgemeenschap zijn er gezamenlijk verantwoordelijk voor dat er een consulent beschikbaar komt.

Als een gemeente niet meer in staat is om een predikant te beroepen, zal allereerst gezocht moeten worden naar mogelijkheden om door samenwerking met andere gemeenten tot een oplossing te komen. Maar wanneer dat niet lukt, kan het breed moderamen van de classicale vergadering twee oplossingen aanbieden.

Het breed moderamen kan aan een kleine gemeente toestemming geven om een beroepbaar predikant of een emerituspredikant te roepen om het dienstwerk van een predikant te verrichten voor een periode van minimaal twee en maximaal vier jaar. Het gaat dan om kleine gemeenten (minder dan 300 leden) en andere gemeenten die naar het oordeel van het breed moderamen hiervoor in aanmerking komen (ord. 3-28-3). Deze wordt niet beroepen (het minimum van een derde van de werktijd is dan ook niet van toepassing) en niet aan de gemeente verbonden, maar verricht wel het noodzakelijke predikantswerk in de gemeente. Zij of hij is adviseur van de kerkenraad en als waarnemend predikant in principe bij alle kerkenraadsvergaderingen aanwezig.

Het gaat hierbij om een bijzondere vorm van tijdelijke hulpdienst. Zie daarvoor § 11.3.1. Als de door de synode in april 2019 in principe aanvaarde herstructurering van de tijdelijke dienst in tweede lezing wordt aanvaard (zie § 11.3.2), zal deze aparte mogelijkheid vervallen. In plaats hiervan is er dan een ruimere mogelijkheid om in tijdelijke dienst te beroepen of tot hulpdiensten te roepen.

Een bijzondere bepaling is dat ook proponenten ouder dan 65 jaar hiervoor kunnen worden geroepen. Zij worden dan, zonder te zijn beroepen, bevestigd in het ambt (ord. 3-28-4). En omdat ze niet aan een gemeente verbonden zijn, zijn ze op dat moment beroepbaar predikant buiten vaste bediening dan wel, als zij de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, emerituspredikant.

Deze regeling zorgt ervoor dat deze oudere proponenten als predikant van de kerk met alle bevoegdheden dit werk kunnen verrichten.

Een tweede mogelijkheid is dat het breed moderamen vaststelt dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’ en daarom aan een kerkelijk werker de bevoegdheid geeft in bedoelde gemeente predikantswerk te doen. Voorwaarde is dat de kerkelijk werker als ouderling of diaken met bepaalde opdracht aan de gemeente verbonden is en een preekconsent heeft ontvangen (ord. 3-12-14). Deze bevoegdheid is beperkt tot bedoelde gemeente en vervalt als de kerkelijk werker niet langer als ambtsdrager aan de gemeente verbonden is.

Zoals aangegeven, deze mogelijkheid bestaat alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden. In GR 4-8-2 wordt dit nader uitgewerkt: de gemeente is niet in staat een predikant (voor 33% van de werktijd) te beroepen en samenwerking met een andere gemeente is niet mogelijk. Tevens moet de kerkelijk werker voor ten minste drie jaar voor ten minste 33% van de werktijd benoemd worden (GR 4-8-2). Het breed moderamen vraagt daarbij advies van het classicale college voor de behandeling van beheerszaken, en als het een evangelisch-lutherse gemeente betreft van de evangelisch-lutherse synode. De bevoegdheid wordt voor maximaal vier jaar gegeven (GR 4-8-4). Daarbij ontvangt de kerkelijk werker supervisie van een door het breed moderamen van de classicale vergadering aangewezen predikant (GR 4-8-5).

Omdat de kerkelijk werker in de betrokken gemeente als predikant werkt, wordt de bevoegdheid door een predikant van de kerk in een kerkdienst onder handoplegging aan de kerkelijk werker gegeven (ord. 3-12-15). Ook maakt betrokkene deel uit van de werkgemeenschap van predikanten (ord. 3-12-16) en is dus – net als alle predikanten – verplicht de vergaderingen van de werkgemeenschap bij te wonen.

Een consulent blijft nodig

Als voor één van deze oplossingen gekozen wordt, blijft een consulent nodig. Er is immers geen dienstdoend predikant lid van de kerkenraad. In het eerste geval kan de predikant die in de gemeente werkzaam is, als consulent worden gevraagd, in het tweede geval zal een predikant moeten worden gezocht.

Omdat het breed moderamen van de classicale vergadering toestemming verleent de vacature niet te vervullen, hoeft de vacature niet te worden meegeteld bij de vaststelling van het quorum.

9.3      Taken van de kerkenraad

In ord. 4-7-1 worden tien taken van de kerkenraad opgesomd, afgesloten met ‘het verrichten van alles wat verder in de orde van de kerk van hem wordt gevraagd’. De opsomming is dan ook niet uitputtend. Bijvoorbeeld wordt niet apart genoemd dat de kerkenraad moet meewerken aan de verkiezing van leden van de classicale vergadering. De taken die hier met name genoemd worden, zijn de kerntaken.

9.3.1     Leven en werken van de gemeente

De eerste drie taken die in ord. 4-7-1 worden genoemd, betreffen het leven van de gemeente zoals dat in hoofdstuk 4 nader wordt uitgewerkt: de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten (vgl. ord. 5 t/m 7), het leiding geven aan de opbouw van de gemeente in de wereld, en de zorg voor de missionaire, diaconale en pastorale arbeid en de geestelijke vorming (vgl. ord. 8,9). Het tweede punt (leiding geven) staat wat merkwaardig tussen tweemaal ‘zorg’ in. Het leiding geven aan de opbouw van de gemeente komt immers tot uiting in de zorg die in de andere punten wordt genoemd.

9.3.2     Beleidsplan

Direct op deze drie taken volgt als vierde taak de vaststelling van het beleidsplan ter zake van het leven en werken van de gemeente. In ord. 4-8-6 worden hiervoor nadere regels gegeven. Dat het hier genoemd wordt, geeft aan dat de kerk groot belang hecht aan een beleidsplan. De kerkenraad zal keuzen moeten maken en prioriteiten moeten stellen. Het nadenken over de toekomst van de gemeente, in gesprek met alle betrokkenen, is onontbeerlijk. Bij het overleg moeten in ieder geval het college van kerkrentmeesters en dat van diakenen worden gehoord, en verder alle ‘daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente’. Welke dat zijn, is niet vastgelegd. Maar vanzelfsprekend zal bij het spreken over het jeugdbeleid een jeugdcommissie worden betrokken. Vastgelegd is dat het beleidsplan voor vier jaar wordt vastgesteld, nadat de gemeente hierover is gehoord. Het beleidsplan kan jaarlijks (of eerder als dat nodig is) worden bijgesteld (op dezelfde wijze als bij de vaststelling moet gebeuren). En na vier jaar hoeft het beleidsplan niet te wijzigen. Maar wel moet minstens eenmaal per vier jaar het beleid binnen de kerkenraad met betrokkenen worden besproken en aan de gemeente worden voorgelegd.

Het beleidsplan omvat alle terreinen van het kerkelijk leven. Dat wordt verder niet nader omschreven. Alleen wordt vastgelegd dat het beleid ten aanzien van de – in de gemeente gewenste – kerkmuziek in het beleidsplan moet worden vastgelegd (GR 9-2-2). Het gaat bij de bepaling in GR 9 met name om de functie-eisen die aan de kerkmusicus (meestal de organist) worden gesteld (GR 9-3 t/m 5) en de wijze van aanstelling (op arbeidsovereenkomst of op vrijwilligerscontract; GR 9-13). Uiteraard kunnen ook andere elementen, zoals de keuze van liedboeken, in het beleidsplan worden opgenomen.

Een actueel beleidsplan is ook een vereiste om in aanmerking te blijven komen voor de ANBI-status

Naast het belang dat een beleidsplan heeft voor het leven en werken van de gemeente, is een actueel beleidsplan ook een vereiste om in aanmerking te blijven komen voor de ANBI-status en dus als Algemeen Nut Beogende Instelling giften te ontvangen die voor de gevers aftrekbaar zijn van de belasting.

9.3.3     Opzicht

Vervolgens wordt als vijfde taak het opzicht over de leden van de gemeente genoemd ‘voor zover hem dat door de orde van de kerk is opgedragen’. Opzicht wordt al snel verbonden met tuchtmaatregelen, maar daarover gaat het hier niet. Bij het opzicht van de kerkenraad gaat het om de herderlijke zorg om ieder te bewaren bij de gemeente van de Heer (zie ook ord. 10-7-1). In het bijzonder is dit toevertrouwd aan de predikant en de ouderlingen (ord. 3-9-1 en 3-10-1). Zij zijn het ook die als college van predikant(en) en ouderlingen beslissen over de vraag of nadere bemoeienis met een gemeentelid noodzakelijk is (ord. 10-7-1). Bij de taak van de kerkenraad zal met name gedacht moeten worden aan het scheppen van een klimaat waarin ruimte is voor onderlinge bemoediging en zo nodig ook vermaan. Zie voor de herderlijke zorg verder § 5.3, en voor het opzicht ord. 10 (zie § 21.5).

9.3.4     Vermogensrechtelijke aangelegenheden

Apart wordt als zesde taak genoemd de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente. Daaronder vallen ook de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconie van de gemeente. De kerkenraad is hier eindverantwoordelijk. De dagelijkse verzorging van deze aangelegenheden is toevertrouwd aan het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen. Een en ander is uitgewerkt in ord. 11 (zie hoofdstuk 13).

9.3.5     Naar buiten

De volgende drie taken betreffen de blik naar de omgeving. Als eerste staat de in 2018 toegevoegde (zevende) taak om in samenwerking met andere gemeenten de vitaliteit van de betrokken gemeenten te bevorderen en formatieplaatsen van voldoende omvang voor predikanten in stand te houden dan wel te verkrijgen. Het gaat daarbij niet alleen om de zorg voor de eigen gemeente, maar nadrukkelijk ook om de buurgemeenten. De kerkenraad kan de zorgen van de buurgemeente niet negeren, maar zal naar vermogen buurgemeenten behulpzaam zijn, zoals hij ook zo nodig van buurgemeenten hulp mag verwachten. In dit verband kan ook genoemd worden wat elders wordt gezegd: de kerkenraad zal contact onderhouden met andere gemeenten van de kerk op hetzelfde grondgebied. In ieder geval zullen die kerkenraden elkaar op de hoogte stellen van de activiteiten (ord. 2-4-6).

De achtste taak betreft de oecumene. In ord. 8-5,6 wordt dit uitgewerkt. De kerkenraad doet zijn werk in het besef dat de gemeente deel uitmaakt van de wereldwijde Kerk van Christus en zal dan ook in woord en daad daaraan gestalte geven.

Ten slotte wordt hierbij als negende taak genoemd het bespreken van zaken die door de classicale vergadering worden of zijn behandeld. Ook al is niet elke gemeente meer in persoon in de classicale vergadering vertegenwoordigd, de kerkenraad zal het bredere belang van de classis in het oog moeten houden. Het zou overigens niet hebben misstaan als hier als taak was toegevoegd: het in ringen samenwerken met buurgemeenten. Zie verder ord. 4-17 (zie § 6.7.2).

9.3.6     Regelingen

Als tiende taak wordt genoemd het vaststellen van de regelingen ten behoeve van het leven en werken van de gemeente, kortweg de plaatselijke regeling. Dit wordt nader beschreven in ord. 4-8-5,7.

In de regeling moet in ieder geval staan hoe ouderlingen en diakenen worden verkozen. In ord. 3-6 worden de kaders daarvoor aangegeven.

Verder moet er een regeling zijn voor de wijze van werken van de kerkenraad. Hierin moet worden geregeld het bijeenroepen van zijn vergaderingen, de agendering, de openbaarmaking van zijn besluiten, de toelating van niet-leden van de kerkenraad tot zijn vergaderingen en het beheer van zijn archieven (ord. 4-8-5,7).

Gebruikelijk is dat kerkenraadsvergaderingen niet openbaar zijn

Wat de toelating van niet-leden tot de vergadering betreft: gebruikelijk is dat de vergaderingen niet openbaar zijn en alleen op verzoek niet-leden bij (een deel van) de vergadering worden toegelaten. Maar het is ook mogelijk te besluiten dat de vergaderingen altijd openbaar zijn, tenzij besloten wordt een bepaald onderwerp in comité te behandelen. Buitenstaanders moeten dan de vergadering verlaten. In ieder geval kunnen vertrouwelijke zaken alleen behandeld worden in besloten zitting. En als er geen niet-leden aanwezig zijn, mogen kerkenraadsleden ervan uitgaan dat de bespreking in besloten kring plaatsvindt, ook zonder dat dat – als de vergadering in principe openbaar is – met zoveel woorden is uitgesproken (GCBG 2013/16).

Ook moet de regeling van de vermogensrechtelijke aangelegenheden worden opgenomen. Hierin kan bijvoorbeeld de bevoegdheid van de penningmeester om bepaalde betalingen te doen zonder een tweede handtekening van voorzitter of secretaris, en de vervanging van voorzitter, secretaris en penningmeester worden geregeld.

In een gemeente met wijkgemeenten heeft elke wijkgemeente een plaatselijke regeling voor de wijkgemeente, en heeft de gemeente een plaatselijke regeling voor de gemeente als geheel.

Met name is het in een gemeente met wijkgemeenten noodzakelijk dat de afspraken tussen wijkkerkenraad en algemene kerkenraad goed worden vastgelegd in de regeling voor de gemeente, zodat er geen misverstanden over bevoegdheid kunnen ontstaan. Op dezelfde manier is het van belang dat de taakverdeling tussen kerkenraad en – als die zijn ingesteld – kleine kerkenraad en/of werkgroepen vastligt. Deze regelingen worden dan ook expliciet genoemd.

Een goede plaatselijke regeling met alle gemaakte afspraken is van belang, opdat ieder op eenvoudige wijze kan zien wat er is afgesproken. Zo kan in de plaatselijke regeling ook worden vastgelegd wat de samenstelling is van de kerkenraad en van de colleges, en kan bijvoorbeeld het besluit om jaarlijks een bezinningsdag van de kerkenraad te houden in de regeling worden vastgelegd. Maar dat betekent wel dat over al die besluiten de gemeente moet worden gehoord. Vanwege de kenbaarheid is het te overwegen om de plaatselijke regeling op de website van de gemeente te plaatsen. In ieder geval moet ieder gemeentelid desgevraagd de plaatselijke regeling kunnen inzien.

9.4      Taakverdeling

9.4.1     Moderamen

Elke kerkenraad heeft een moderamen, bestaande uit ten minste preses, scriba en assessor. Dezen worden uit de kerkenraadsleden gekozen. Het is uiteraard mogelijk dat iemand tot ambtsdrager verkozen wordt speciaal met het oog op de functie van preses of scriba.

Een van de leden van het moderamen is predikant (ord. 4-8-2). Een groter moderamen mag wel, maar hoeft niet. Omdat het moderamen uit drie personen kan bestaan, is vastgelegd dat voor besluiten van het moderamen wel het quorum geldt (minstens de helft moet aanwezig zijn; ord. 4-5-4), maar niet het minimum van drie (ord. 4-8-2). Bij een moderamen van drie of vier leden kunnen dus twee leden besluiten.

De taak van het moderamen (ord. 4-8-3,4) is beperkt: allereerst het voorbereiden, samenroepen en leiden van de kerkenraadsvergaderingen. Bij het voorbereiden gaat het erom dat een agenda wordt opgesteld en dat alle relevante stukken worden toegezonden. Het is mogelijk dat het moderamen in bepaalde zaken ook voorstellen doet, maar dat is alleen een hulpmiddel. Moderamenleden spreken ter vergadering gewoon mee, en zijn – als het tot stemming komt – vrij in hun stem.

Bij de voorbereiding van de agenda behoort ook de jaarplanning, zodat de verschillende onderwerpen over het jaar gespreid worden.

Het moderamen moet verantwoording afleggen aan de kerkenraad

Verder heeft het moderamen tot taak besluiten van de kerkenraad uit te voeren waarvoor geen anderen zijn aangewezen, en het afdoen van zaken van formele of administratieve aard. Het gaat daarbij om zaken waarover geen besluit hoeft te worden genomen. Het kan dan gaan om vragen om inlichtingen, of om zaken waarbij de kerkenraad al een beleid heeft afgesproken. Het moderamen moet hierover verantwoording afleggen aan de kerkenraad. Dat zal bij deze zaken zich kunnen beperken tot mededeling van de gedane zaken.

Ten slotte is het moderamen bevoegd om spoedeisende zaken af te doen. Het gaat dan om zaken die voor een bepaalde datum moeten zijn gedaan, zonder dat voor die tijd een vergadering van de kerkenraad kan worden gehouden. Het moderamen kan in deze gevallen vooraf informeel proberen de mening van de kerkenraadsleden te peilen, maar noodzakelijk is dat niet. Achteraf moet het moderamen uiteraard zijn besluit wel verantwoorden aan de kerkenraad.

9.4.2     Algemene kerkenraad en wijkkerkenraad

In een gemeente met wijkgemeenten moet worden vastgelegd hoe de taken tussen algemene kerkenraad en wijkkerkenraad worden verdeeld. De kerkorde geeft daarbij enkele richtlijnen (ord. 4-7-2). Uitgangspunt is dat de wijkkerkenraad alle taken heeft die niet nadrukkelijk aan de algemene kerkenraad zijn toevertrouwd. Die taken van de algemene kerkenraad hebben te maken met de zorg voor de gemeente als geheel: het overleg met de wijkkerkenraden over de samenwerking binnen de gemeente, de zorg voor minderheidsgroepen voor zover dat niet door de wijkkerkenraden wordt gedaan, en de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden waaronder begrepen alles wat te maken heeft met de rechtspositie van predikanten en gesalarieerde medewerkers.

Dat laatste sluit overigens niet uit dat bepaalde vermogensrechtelijke aangelegenheden per wijk worden geregeld (een wijkkas bijvoorbeeld). Bij ord. 11 komt dat verder aan de orde (zie § 13.6.1).

De kerkorde legt het zwaartepunt bij de wijkkerkenraad. Als niet uit het verband of door de vermelding (algemene) kerkenraad blijkt dat de algemene kerkenraad is bedoeld, is in een gemeente met wijkgemeenten steeds de wijkkerkenraad bedoeld (ord. 2-4-9). Maar dat sluit niet uit dat wijkkerkenraden kunnen besluiten bepaalde taken aan de algemene kerkenraad toe te vertrouwen. Vorming en toerusting bijvoorbeeld, of jeugdwerk, of noem maar op. Plaatselijk is er alle ruimte om te bezien wat beter gezamenlijk kan, en wat beter per wijkgemeente kan gebeuren. Maar dat is dan een besluit van de wijkkerkenraden gezamenlijk. De algemene kerkenraad kan niet bij meerderheid van stemmen, tegen de zin van een wijkkerkenraad in, een taak van de wijkkerkenraad op zich nemen. Natuurlijk kunnen wijkkerkenraden die dat wel willen, ook zonder de algemene kerkenraad daarmee te belasten zaken gezamenlijk aanpakken. Dergelijke afspraken kunnen, als niet anders is afgesproken, alleen in gezamenlijk overleg gewijzigd worden.

9.4.3     Kerkenraad en kleine kerkenraad

De kerkorde kent de mogelijkheid te onderscheiden tussen kerkenraad en kleine kerkenraad (ord. 4-9-1). De kerkenraad bepaalt dan het algemene beleid, en de kleine kerkenraad de overige zaken. De kleine kerkenraad bestaat uit het moderamen en ten minste vier andere leden, waarbij alle ambten vertegenwoordigd zijn. Een dergelijk onderscheid is alleen zinvol bij wat grotere kerkenraden. Een kleine kerkenraad van zeven leden bij een kerkenraad van negen leden betekent in de praktijk uitsluiting van die twee overgebleven leden. Overigens belet niets de kerkenraad om in de plaatselijke regeling vast te leggen dat ambtsdragers die geen lid zijn van de kleine kerkenraad, te allen tijde het recht hebben om met adviserende stem deel te nemen aan de vergaderingen van de kleine kerkenraad. Zij tellen dan niet mee voor het quorum. Het verdient aanbeveling de agenda en stukken voor een vergadering van de kleine kerkenraad aan alle kerkenraadsleden toe te zenden, zodat zij op de hoogte zijn van de zaken die spelen.

De taakverdeling tussen de kerkenraad en kleine kerkenraad wordt nader geregeld in ord. 4-9-6.

De kerkenraad bepaalt het algehele beleid (vgl. ord. 4-9-2) en geeft algemene leiding aan de opbouw van de gemeente in de wereld (hiermee zal het beleid ter zake worden bedoeld). Daarnaast is het beroepen van een predikant zaak van de kerkenraad, evenals het nemen van besluiten waarbij betrokkenheid van gemeenteleden is voorgeschreven. Alle andere taken kunnen aan de kleine kerkenraad worden toevertrouwd. Dat kan plaatselijk worden bepaald.

Alleen ligt vast dat aan de kleine kerkenraad – als die er is – de coördinatie van het werk van de werkgroepen – als die er zijn – is toevertrouwd.

Ook een algemene kerkenraad en een wijkkerkenraad kunnen een kleine kerkenraad instellen. Bij een algemene kerkenraad ligt dat – gezien het takenpakket van de algemene kerkenraad – niet direct voor de hand.

9.4.4     Kerkenraad en werkgroepen

De kerkenraad kan, onder behoud van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid, de zorg voor de opbouw van de gemeente delen met door hem in te stellen werkgroepen (art. VI-6 KO; ord. 4-9-3). De positie van werkgroepen is enigszins te vergelijken met die van het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen. Binnen het algemene beleid van de kerkenraad neemt een werkgroep zelfstandig besluiten op het aan de werkgroep toevertrouwde taakveld. De kerkenraad kan zelf geen besluiten nemen op dat taakveld buiten de werkgroep om. Dat zou ook in strijd zijn met de bedoeling van werkgroepen. Werkgroepen worden ingesteld om naast ambtsdragers ook gemeenteleden verantwoordelijkheid te geven voor het betreffende taakveld. Daarbij past niet dat het algemene beleid zo precies wordt ingevuld dat er in de praktijk voor de werkgroep geen speelruimte is. Als de kerkenraad de verantwoordelijkheid niet wil delen en geen taken wil delegeren, kan hij kiezen voor het instellen van commissies. Commissies voeren besluiten van de kerkenraad uit, kunnen voorstellen doen, maar de kerkenraad besluit. De kerkenraad kan uiteraard de commissie ook enige speelruimte geven, maar kan op elk moment de commissie overrulen. Bij een werkgroep kan dat niet.

Een werkgroep heeft een eigen verantwoordelijkheid

De naam werkgroep wordt overigens ook wel gebruikt als commissie wordt bedoeld. En naast werkgroep kennen we ook andere aanduidingen, zoals taakgroep of cluster. Uiteindelijk is de naam minder van belang. Het gaat erom dat duidelijk wordt vastgelegd wat bedoeld is: delen van verantwoordelijkheid of niet. Als de kerkenraad de groep een eigen verantwoordelijkheid geeft, is de groep een werkgroep in de zin van de kerkorde; anders is het een commissie in de zin van de kerkorde.

In elke werkgroep zit minimaal één ambtsdrager. Anders dan vroeger is niet langer bepaald dat elke werkgroep in de kleine kerkenraad vertegenwoordigd moet zijn. De kleine kerkenraad kan zelf ervoor zorgen dat het werk van de werkgroepen binnen de kleine kerkenraad aan de orde komt. Als er geen kleine kerkenraad is, zijn alle werkgroepen vanzelf in de kerkenraad vertegenwoordigd.

Ook een algemene kerkenraad en een wijkkerkenraad kunnen werkgroepen instellen. Bij een algemene kerkenraad zal daarvan alleen sprake kunnen zijn als wijkkerkenraden veel taken aan de algemene kerkenraad toevertrouwen.

9.4.5     Kerkenraad en colleges

Elke gemeente – en hier wordt niet de wijkgemeente bedoeld – heeft voor vermogensrechtelijke aangelegenheden twee colleges: het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen. De kerkenraad kan over vermogensrechtelijke aangelegenheden niet buiten deze colleges om handelen. Tegelijkertijd zijn deze colleges gebonden aan het door de (algemene) kerkenraad vastgestelde beleid en de door de (algemene) kerkenraad vastgestelde begroting. Zie verder § 13.2.2.

Een bijzondere regeling geldt de hervormde wijkgemeente van bijzondere aard die voorheen als buitengewone wijkgemeente rechtspersoonlijkheid bezat (ovb. 10, bij ord. 11-5-1). De kerkenraad van zo’n wijkgemeente is verantwoordelijk voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de wijkgemeente. Die wijkgemeente heeft dan ook een eigen college van kerkrentmeesters.

9.5      Kerkenraad en gemeente

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk al is gezegd: de kerkenraad neemt geen besluiten die voor het leven van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de gemeente daarin gekend en gehoord te hebben (art. VI-5 KO). Dat dit in de Romeinse artikelen vermeld staat, geeft aan dat het om een fundamentele zaak gaat. Leiding geven gaat niet zonder luisteren naar de inbreng van de gemeente. Het gaat er daarbij om dat de gemeente betrokken wordt in de keuzen waarvoor de kerkenraad en daarmee de gemeente gesteld wordt. De Geest werkt immers niet alleen in kerkenraadsleden, maar in heel de gemeente.

Het is de kerkenraad die besluiten neemt en niet een gemeentevergadering

De kerkenraad zal dan ook de inbreng vanuit de gemeente moeten meewegen in het uiteindelijke besluit. Daarbij zal de kerkenraad niet alleen de argumenten moeten wegen, maar ook moeten wegen of het besluit door de gemeente gedragen kan worden. Een voortgaand gesprek in de gemeente kan daarvoor nodig zijn. Dit laat onverlet dat het de kerkenraad is die besluiten neemt en niet een gemeentevergadering.

Bij het betrekken van de gemeente gaat het steeds om voorgenomen besluiten van de kerkenraad waarover de gemeente wordt gehoord. Gemeenteleden kunnen uiteraard de kerkenraad vragen om bijvoorbeeld het stemrecht aan doopleden te geven, maar alleen als de kerkenraad hieraan gehoor wil geven moet de gemeente worden gehoord. Als de kerkenraad het bij het oude houdt, behoeft hij daarover de gemeente niet te horen.

In ord. 4-8-9 worden de zaken opgesomd waarbij de gemeente moet worden betrokken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beraad in de gemeente en anderzijds de gemeenteleden kennen en horen dan wel in de gelegenheid stellen hun mening te geven.

De termen ‘kennen en horen’ en ‘in de gelegenheid stellen hun mening te geven’ zijn uitwisselbaar.

Om een mogelijk misverstand te voorkomen dat het om verschillende procedures gaat, heeft de synode in november 2018 in eerste lezing besloten om in de ordinanties steeds de term ‘in de gelegenheid stellen hun mening te geven’ te gebruiken. In november 2019 zal hierover in tweede lezing worden beslist.

Bij ‘beraad in de gemeente’ gaat het om een bezinningsproces in de gemeente. Dit is voorgeschreven op twee punten waarover binnen de kerk verschil van mening heerst:

  • mogen alleen belijdende leden aan het avondmaal worden toegelaten of ook doopleden (kinderen), en
  • mogen ook andere huwelijken en levensverbintenissen dan het huwelijk tussen man en vrouw worden (in)gezegend.

De kerk acht zowel de toelating van gedoopte kinderen alsook de (in)zegening van andere huwelijken en levensverbintenissen legitiem. Zie voor het laatste § 4.9.

Vervolgens worden de andere besluiten genoemd, waarbij de gemeente in ieder geval moet worden betrokken:

  • het beantwoorden van de doopvragen door doopleden;
  • het verlenen van stemrecht aan anderen dan belijdende leden;
  • de wijze van de verkiezing van ambtsdragers;
  • de aanduiding en de naam van de gemeente;
  • het voortbestaan van de gemeente;
  • het aangaan van een samenwerkingsverband met een andere gemeente;
  • de plaats van samenkomst van de gemeente;
  • het verwerven, ingrijpend verbouwen, afbreken, verkopen of op andere wijze vervreemden van een kerkgebouw;
  • de plaatselijke regeling als bedoeld in ord. 4-8-5;
  • het beleidsplan; en
  • de begroting en jaarrekening.

Het gaat hierbij om meer of minder ingrijpende zaken. Bij een kleine wijziging in de plaatselijke regeling zal kunnen worden volstaan met een bekendmaking van het voorgenomen besluit met daarbij de mogelijkheid tot reageren. Bij de voorgenomen sluiting van een kerkgebouw zal het beleggen van een of meer gemeenteavonden noodzakelijk zijn. Dit zal per geval moeten worden bekeken. In ieder geval moet voldoende ruimte gegeven worden om te reageren. De bepaling dat de gemeente moet worden gehoord inzake een samenwerkingsverband en inzake het voortbestaan van de gemeente (waaronder het samengaan met een andere gemeente), betekent ook dat de kerkenraad een verzoek van een andere gemeente niet kan afwijzen zonder de gemeente te hebben gehoord. Het GCBG sprak dit uit in 2008. In de toenmalige tekst van de kerkorde werd nog uitgegaan van een onderscheid tussen verenigen en samengaan, in de huidige tekst is alleen sprake van samengaan. Maar dit verandert niets aan de inhoud: “Met deze bepaling [nu ord. 2-8-4 over het betrekken van de gemeente bij een besluit tot samengaan], die ertoe strekt dat de gemeenteleden kennisnemen van en gehoord worden over zaken die van wezenlijk belang zijn in het leven van de gemeente, verdraagt zich niet dat aan een gemeente wordt toegeschreven dat zij niet bereid is tot vereniging {nu: samengaan] te komen, zonder dat de leden van de gemeente zich daarover hebben kunnen uitlaten” (GCBG 2008/05).


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken