Menu

Premium

Een absurde vraag

Bij Job 19,23-27a, Psalm 119,1-8 en Marcus 12,18-27Job weet dat zijn aardse leven eindig is. Maar hij zegt ook: ‘Mijn redder (NBG ’51: Losser; Hebr.: goʼēl) leeft (…) ik zal Hem aanschouwen’ (19,25.27). Psalm 119,8 zinspeelt op de dood als van God verlaten zijn. Jezus wordt tussen intocht en kruisiging in Jeruzalem uitgedaagd door joodse gezagsdragers. Na schriftgeleerden en oudsten, farizeeën en herodianen, komen nu sadduceeën op het toneel. Zij stellen een absurde vraag over de opstanding der doden.Waren de sadduceeën, in het Marcusevangelie alleen hier genoemd, nakomelingen van de priester Zadok (2 Sam. 8,17; 1 Kon. 1,8)? Ze waren

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken