Menu

Premium

Een excursie naar het buitenland

Bij Marcus 7,24-30 / Marcus 7:24-30

Van de plaats waar Hij zich op dat moment bevindt (7,17), staat Jezus op en gaat naar het gebied van Tyrus. Op excursie naar het buitenland. Tyrus ligt aan de zee. Van het Galilea der heidenen komt Hij nu in echt heidens gebied. Hij zal er niet lang zijn en het zal de enige keer zijn dat Hij zich buiten Israël begeeft. Waarom doet Jezus dit? Wij kennen van Hem wel de innere Migration wanneer Hij zich terugtrekt in gebed. Maar dit is nieuw. Daarenboven: het gebed is de plaats waar Hij bij God is, maar hier is Hij juist in van God verlaten gebied.

Jezus staat op, gaat weg en gaat binnen. Eén en al beweging. Hij gaat binnen in een huis. Wat voor huis? Wie daar woont? Onbekend. Na het eerste hoofdwerkwoord (Hij ging weg) volgt nu het tweede: Hij wilde niet dat iemand Hem zou kennen, dat iemand het zou weten. Hij wilde onopgemerkt blijven, maar Hij kon niet verborgen zijn. Of moet vertaald worden: maar het kon niet verborgen zijn? Een jood in Tyrus, in heidens gebied, dat moest toch opvallen. Een jood met zijn reputatie. Zijn roep was Hem wellicht reeds vooruitgesneld. Waarom wilde Hij onopgemerkt blijven? Mijn antwoord zou zijn: Omdat Hij als jood, naar eigen besef, onder de heidenen niks te zoeken had. De heidenen zijn van God los. Het zijn leeghoofden en die lege hoofden bieden plaats aan allerlei demonieën, bezetenheden. Heidenen zijn mensen die door van alles bezeten zijn, maar niet door God en zijn gebod. Uit de buurt blijven dus.

Kan dat verborgen blijven?

Maar toch: Hij onderneemt deze excursie. Een jood in de wereld der volkeren, in de diaspora. Móét Hij niet juist daar zijn? Als zout en als gist? Tot heil der wereld? Gaat het God, zíjn God en Vader, niet juist om de wereld? De oikoumenè, de bewoonde wereld, de wereld als een bewoonbare plek voor alle mensen, jood en Griek? Jezus overschrijdt grenzen, in zijn onderricht en in zijn tekenen onophoudelijk. Hij overschrijdt de grenzen die de vrome joden van zijn dagen als hekken gezet hebben om God en zijn gebod en om hun interpretatie daarvan. Maar Jezus moet niets hebben van een zuivere kerk als heilige rest temidden van een verworpen mensheid. Hij weet dat ‘de aarde en haar volheid des Heren zijn’ (Ps. 24) en dat ‘de ganse aarde behoort Mij’ (Ex. 19,6), dat de roeping van Israël er om díe reden is, dat het volk om díe reden ‘Hem ten eigendom is’. Daarom, denk ik, gaat Hij naar Tyrus. Kan dat verborgen blijven? Kan het licht onder de korenmaat blijven? Kan het onopgemerkt blijven wanneer de liefde van God binnentreedt in de wereld der volkeren. Nee, want dat verandert die wereld. Die verneemt dat onmiddellijk, net zo snel als de onreine geesten Jezus feilloos herkennen als de Heilige Gods.

Een snelle doorbraak

Euthus, meteen, onmiddellijk, direct. Et vite vertaalt Chouraqui. Meteen hoort een vrouw over Hem. Die vrouw heeft een dochter met een onreine geest. Nogal wiedes, dat hebben ze allemaal, die heidenen. Die dochter is geen dochter Sions, maar een dochter van Tyrus, van Izebel. Zij is beeld van het bezeten heidendom en het is dit heidendom dat, in de gestalte van haar moeder, neervalt aan de voeten van Jezus. Die moeder, het wordt nog maar eens duidelijk neergezet door Marcus, is een Griekse, een Syrofenicische van geboorte.

Vele grenzen zijn inmiddels doorbroken: die tussen jood en Griek, die tussen man en vrouw, maar ook die tussen rijk en arm, culturele en politieke grenzen[1]. De Syrofenicische vrouw is representant van een rijke cultuur en een rijk volk dat lang heeft geheerst over de sloebers van Galilea. Er is in dit korte verhaal dus sprake van een doorbraak van twee kanten: Jezus gaat naar de heidenen, maar dat heidendom breekt ook door zijn eigen grenzen heen en gaat naar Jezus. De moeder stelt vervolgens meteen de enige vraag die er in deze ontmoeting toe doet: Werp de demonie bij mijn dochter uit! Verdrijf de bezetenheid die doof en blind maakt voor de liefde van God, voor zijn wet en gebod, voor zijn recht en barmhartigheid. Doe ons wat je moet doen als representant van dat heilig volk en dat koninklijke priesterschap van Exodus 19. Geef gehoor aan de roeping waarmee je geroepen bent, zo roept deze vrouw, deze moeder, zonder dat zelf te beseffen Jezus toe.

Een trage reactie

Maar zo onmiddellijk en snel als deze moeder is, zo traag is Jezus. Dat is een fascinerend gegeven in dit bijbelverhaal. Eerst moeten de kinderen Israëls gevoed worden. Het heil is uit de joden en die moeten daar eerst bij bepaald worden, want anders zal het nooit verder komen. Eerst moet Jezus de kinderen Israëls bij hun roeping bepalen, hun opnieuw inscherpen dat zij gezonden zijn om in de wereld en onder de volkeren te getuigen van hun God-Bevrijder opdat de volkeren zullen zeggen: ‘Welk groot volk is er, waaraan de goden zo nabij zijn als de Here onze God (…)’ (Deut. 4,7vv)? Maar ja, nu is Jezus zelf onder de volkeren, bij de honden. Dat verandert de zaak toch? Bovendien wordt er een direct en onmiddellijk appèl op Hem gedaan. Kan Hij zich daaraan onttrekken? Kan Hij nog terug achter de grens die Hij zelf is overgestoken, achter het hek waar Hijzelf overheen geklommen is? Kán Hij zich onttrekken aan dit kyrieleis?

Niet dus, dat demonstreert deze moeder: het heil is er ook voor de volkeren, al zouden die slechts de kruimels krijgen die onder de tafel vallen. De kruimels zijn geen paarlen voor de zwijnen, maar brood des levens voor alle mensen en van dat brood kunnen, wanneer het onder dankzegging gedeeld wordt, inderdaad alle mensen leven, zoals de spijzigingsverhalen vertellen. Op deze zondag de Tafel des Heren aanrichten, Jan Rap en zijn Maat uitnodigen en het wonder beleven dat demonieën uitgaan en gemeenschap wordt gesticht!

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken