Menu

Basis

Elia, Johannes en Jezus

In de rabbijnse traditie vind je vele verwijzingen naar de profeet Elia, vaak met legendarische trekken. Zijn bekendste rol is voorloper van de messias. Soms worden hem bijna goddelijke trekken aangemeten, en dan weer wordt dit expliciet bestreden. Deze portretten van Elia zijn allemaal gebaseerd op een beperkt aantal teksten uit de Hebreeuwse Bijbel, te weten 1 Koningen 17-19, 2 Koningen 2 en Maleachi 3.

Drie rollen

De meest prominente rollen van Elia die worden uitgelicht in de rabbijnse teksten zijn: 1. Vredestichter en oplosser van conflicten 2. Opwekker van doden 3. Wegbereider en voorganger van de messias. De eerste rol is met name gebaseerd op Maleachi 3:23, waar het volgende staat:

‘Hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders.’

De tweede rol is gebaseerd op twee gebeurtenissen: het opwekken van de gestorven zoon van de weduwe van Sarefat (1 Koningen 17:21-22) en de hemelvaart van Elia aan het einde van zijn leven, zonder dat hij eerst gestorven is (2 Koningen 2:10-12). Op basis van dit laatste gaat men ervan uit dat Elia nog steeds leeft en kan verschijnen aan mensen op aarde, en dat hij een rol zal spelen bij de opstanding van de doden in de eindtijd. De derde rol, wegbereider van de messias, is gebaseerd op (een specifieke lezing van) Maleachi 3:1-2.

Deze drie rollen worden in de rabbijnse literatuur vaak gecombineerd en om het nog ingewikkelder te maken opereert Elia op al deze terreinen zowel in het aardse leven als aan het einde van de tijden. Alvorens we ons richten op de rabbijnse teksten wil ik echter aandacht geven aan de overlap van deze motieven in het Nieuwe Testament.

Elia, Johannes en Jezus in het NT

Ook in het Nieuwe Testament vinden we een meervoud van interpretaties, en er is wellicht zelfs sprake van reactie van de ene op de andere receptiegeschiedenis van deze kleurrijke bijbelse figuur. Opvallend is dat Elia zowel als model voor Johannes als voor Jezus wordt gezien.

Neem bijvoorbeeld Lucas 4:25-27, waar Jezus zichzelf uitdrukkelijk vergelijkt met Elia (en met Elisja), die alleen gehoor vonden in een vreemde streek en niet bij hun eigen volksgenoten. In andere nieuwtestamentische teksten horen we duidelijk de twijfel over wie van de twee, Johannes of Jezus, nu precies de ‘teruggekomen Elia’ is. In Marcus 6:14-16 (en de parallel in Lucas 9:7-9) lezen we over Herodes die zich afvraagt of Jezus wellicht de teruggekomen Elia of de teruggekeerde Johannes is.

In Matteüs 16:13-14 (en de synoptische parallellen) vraagt Jezus aan zijn leerlingen wie de ‘mensenzoon’ is. Uit het vervolg leren we dat hiermee de messias bedoeld wordt. Relevant is dat ook hier Elia en Johannes de Doper door de leerlingen als kandidaten worden gezien. Elia, Johannes, Jezus, de messias: we komen de namen vaak in elkaars buurt tegen in het Nieuwe Testament en het is duidelijk dat er een zekere overlap in de beleving van al deze personen of personages was.

Naast en samen met Elia vinden we bovendien ook Mozes. Dat is vooral duidelijk in de indrukwekkende transfiguratiescène in Marcus 9 en parallellen:

4Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus. 5Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten maken, een voor U, een voor Moses en een voor Elia.’ 

De associatie van Elia met Mozes vindt zijn oorsprong in de boeken van de Koningen, waar duidelijk ‘mozesiaanse’ motieven op Elia worden getransponeerd: Elia krijgt een openbaring bij een ‘struik’ (1 Koningen 19:4) en nadat hij veertig dagen en veertig nachten door de woestijn heeft gezworven krijgt hij een openbaring op de Horeb (19:8). De Horeb is een andere naam voor Sinaï, zoals we in Ben Sira 48:7, in het relaas over Elia, kunnen lezen. Op de Horeb ervaart Elia God op fysieke wijze in een openbaring (19:11-13) die een combinatie lijkt van Gods openbaring aan Mozes op de berg en de verschijning van God aan Mozes, ‘in de spleet van de rots’. Ten slotte doet Elia voor zijn hemelvaart de Jordaan splijten zodat hij en Elisja droog kunnen oversteken (2 Koningen 8).

Maleachi 3

Maleachi 3:1 en 23-24 spelen in zowel de rabbijnse als de nieuwtestamentische interpretaties een centrale rol. Het is daarom goed om deze verzen in detail te bekijken en de exegetische moeilijkheden – want die zijn er – te noemen. Een eerste vraag is of al de namen en rollen die in Maleachi 3 genoemd worden, op dezelfde figuur slaan: behalve de ‘bode’, treffen we immers ook ‘de heer naar wie jullie uitzien’ en ‘de engel van het verbond’, alle drie in het eerste vers. ‘Elia’ wordt pas in vers 23 genoemd.

Gaat vers 1 ook over Elia? In de meeste christelijke lezingen, te beginnen bij Marcus 1:2, gaat men ervan uit dat dat wel zo is. In de Joodse commentaren worden vers 1 en 23-24 echter niet altijd gelezen als betrekking hebbende op dezelfde persoon. Er zijn vele rabbijnse commentaren waar de twee verzen volstrekt afzonderlijk worden beschouwd. Van de ‘bode’ of ‘engel’ in vers 1 wordt dan gezegd dat dat Israëls beschermengel is, wiens functie is om de ‘slechten te verwijderen;  van de ‘weg’ (Rasji).[1] Ibn Ezra[2] identificeert de bode met de ‘messias zoon van Jozef’. Andere commentaren veronderstellen wel een verband tussen vers 1: ‘Let op, Ik zal mijn bode zenden’, en vers 23: ‘Let op, ik zal Elia de profeet zenden.’ De woordelijke overeenkomst tussen beide verzen, in het Hebreeuws heel duidelijk maar in vele vertalingen gecamoufleerd, is een formele aanleiding om dit verband tussen beide verzen te leggen.

Niet toevallig vormen de laatste verzen van Maleachi, anders dan in de Joodse canon, het allerlaatste stukje van het Oude Testament in de christelijke canon. Ze leiden volgens de visie achter deze ordening rechtstreeks naar de boodschap van het Nieuwe Testament. Het evangelie van Marcus sluit hier naadloos op aan. Al in het tweede vers van Marcus wordt Maleachi 3:1 – ‘Ik zal mijn bode zenden, die voor Mij de weg zal effenen’ – geciteerd, daar verkeerdelijk toegeschreven aan Jesaja. In Marcus 1, en in de synoptische parallellen Matteüs 11:10 en Lucas 7:27, wordt dit vers toegepast op Johannes de Doper. En hoe zit het dan met Elia, genoemd in Maleachi 3:23? Volgens Matteüs 17:10-12 zegt Jezus, verwijzend naar dit vers, dat Elia al gekomen is, en in vers 13 wordt daar expliciet gezegd dat dat over Johannes ging.

Met deze kennis van de nieuwtestamentische associaties van Elia met Johannes, Jezus en Mozes in het achterhoofd kunnen we gaan kijken naar een aantal rabbijnse teksten over Elia. We gebruiken hierbij het onderscheid tussen de drie thema’s dat eerder gemaakt is.

Elia. José de Ribera
Elia. José de Ribera, 1638. Museo Nazionale di San Martino, Napels.

Elia lost conflicten op

Vanaf de vroegste rabbijnse teksten wordt Elia genoemd als degene die alle mogelijke onbeslechte geschillen en onzekerheden zal oplossen. De uitdrukking ‘het zal opzij gezet worden totdat Elia komt’, is wel achttien keer te vinden in de rabbijnse geschriften. Het gaat dan over geschillen, meestal monetaire gevallen. Bijvoorbeeld:

Als iemand een document vindt tussen zijn documenten en hij weet niet waar het over gaat, dan moet dat opzij gezet worden totdat Elia komt. (Misjna Baba Metsia 1:8)

Uit de context blijkt dat het gaat om een document waarin een schuld beschreven staat en iemand weet niet meer van wie de schuld is, of, of deze al betaald is. Nog een voorbeeld:

Als iemand gouden of glazen voorwerpen vindt, dan mag hij deze niet aanraken tot Elia komt. (Misjna Baba Metsia 2:8)

Uit deze voorbeelden zou men kunnen concluderen dat de messiaanse rol van Elia voor de rabbijnen wel heel prozaïsch is. Hij lijkt wel een eindtijdelijke rijdende rechter. In het rabbijnse Jodendom zijn dergelijke halachische kwesties echter wel degelijk belangrijk: zij vormen een deel van de (mondelinge) Tora, van de rabbijnse leer. Bovendien getuigen ze van respect voor de aardse zaken van gewone mensen en geven ze aan dat creatief boekhouden of het achteroverdrukken van een gevonden voorwerp wel degelijk misdadig, onethisch, en dus tegen de joodse leer is.

Elia wekt doden op

De rabbijnse literatuur bevat ook opvattingen over Elia die meer passen bij de apocalyptiek zoals we die in het Nieuwe Testament vinden. De gave van het opwekken van een dode door Elia in zijn aardse leven, wordt in de rabbijnse literatuur doorgetrokken tot zijn betrokkenheid bij de algehele verrijzenis van de doden in de eindtijd. Daarbij komt dat Elia zelf niet gestorven is maar als het ware aan de dood ontsnapt is door zijn hemelvaart. In de rabbijnse literatuur wordt er, zoals gezegd, van uitgegaan dat Elia altijd is blijven leven. Hij verschijnt dan ook in levenden lijve aan meerdere personen, meestal om raad te geven.  In de Tosefta vinden we een populaire uitspraak die wijst op de overbekende associatie van Elia en de verrijzenis van de doden:

Zoals iemand tot zijn vriend zegt: ‘Totdat Elia komt of totdat de doden zullen verrijzen’ (Toseft Sota 13:2)

Het ‘of’ lijkt aan te geven dat het om uitwisselbare verwijzingen naar de eindtijd gaat waarin zowel de komst van Elia als het verrijzen van de doden een plaats hebben. Vermoedelijk is deze uitspraak overigens cynisch bedoeld en wil ze zoveel zeggen als ‘als Pasen en Pinksteren op één dag vallen’.

In de Palestijnse Talmoed (PT) worden Elia, het verrijzen van de doden en Maleachi 3:24 met elkaar verbonden. Deze tekst beschrijft de zogenaamde ‘opgang van de heilige’, een concept dat verbonden is met vroeg-Joodse vroomheid.

Rabbi Pinchas ben Yair placht te zeggen: Voorzichtigheid leidt tot zuiverheid, zuiverheid leidt tot reinheid, reinheid leidt tot heiligheid, heiligheid leidt tot bescheidenheid, bescheidenheid leidt tot vrees voor zonde, vrees voor zonde leidt tot vroomheid, vroomheid leidt tot de heilige geest, de heilige geest leidt tot de verrijzenis van de doden, de verrijzenis van de doden leidt tot de komst van Elia, moge zijn herinnering ten goede zijn. […] zoals geschreven is: ‘Let op, ik zal jullie Elia de profeet zenden voordat de grote en verschrikkelijke dag van de Heer komt.’
(PT Sjekalim 3:3)

Een belangrijk handschrift van de Tosefta leest ‘door Elia’ in plaats van ‘tot de komst van Elia’. Dat verandert iets aan de eindtijdelijke chronologie en lijkt beter te passen bij andere rabbijnse uitspraken. Welke lezing ook oorspronkelijk is, het is in elk geval duidelijk dat Elia met de opstanding van de doden te maken heeft.

Jezus is uit de dood gewekt en wekt doden op

In het Nieuwe Testament wordt ook beschreven hoe Jezus al tijdens zijn aardse leven een aantal doden opwekte. Er wordt dan niet altijd een verband gelegd met zijn gelijkaardige rol aan het einde van de tijden. Het thema van de verrijzenis van doden wordt vooral gekoppeld aan de verrijzenis van Jezus zelf, zoals in de beroemde passage in 1 Korintiërs 15:12-14. Hoewel er verschillen zijn – in tegenstelling tot Elia is Jezus wel gestorven voor zijn verrijzenis en hemelvaart –, is de redenering gelijkaardig: de herleving van een gestorvene in de aardse tijd wordt gekoppeld aan de verrijzenis van de doden aan het einde van de tijden.

Jezus vergelijkt zichzelf volgens het evangelie van Lucas zoals gezegd expliciet met Elia en Elisja. Van zowel Elia en Elisja als van Jezus wordt verhaald hoe zij tijdens hun leven een aantal doden weer tot leven hebben gebracht. Bij Elia is dat de zoon van de weduwe van Sarefat (1 Koningen 17) en bij Elisja de zoon van de vrouw uit Sunem (2 Koningen 4). Ook Jezus wekt meerdere mensen op, waaronder ook een zoon van een weduwe, zoals beschreven in Lucas 7:13-15. Net als Elia geeft Jezus de zoon van de weduwe van Nain ‘terug aan zijn moeder’.

Elia en de messias

Sommige titels die genoemd worden in Maleachi 3:1, met name ‘de heer naar wie jullie uitzien’, zouden, als deze worden betrokken op Elia, erop kunnen wijzen dat Elia een goddelijke figuur is. In tegenstelling tot de christelijke lezing van deze woorden, die zoals gezegd al in Marcus 1 op Jezus worden betrokken—Johannes is dan de bode en wegbereider, en Jezus de ‘Heer’— gebeurt dit bij Elia niet. Sterker nog, de oudste rabbijnse teksten waarschuwen tegen een al te goddelijke voorstelling van Elia. Dat was niet zonder reden. Zowel in de pagane, hellenistisch-joodse als christelijke bronnen van rond het begin van de tijdrekening kwamen vergoddelijkte mensen voor en daar moesten de rabbijnen, met name in Israël, zich toe verhouden. Behalve Elia was ook Mozes een figuur die, vooral in het hellenistische Jodendom, als een semi-goddelijke figuur werd voorgesteld die naar de hemel was opgestegen en daar had gezeten op een troon. Deze visie komt ook terug in de nieuwtestamentische transfiguratiescène die al eerder werd genoemd.

Een reactie op de vergoddelijking van Elia en Mozes (en wellicht indirect Jezus), vinden we in een derde-eeuwse Midrasj op het boek Exodus.

Rabbi Jose zei, kijk, het is geschreven: ‘De hemel is de hemel van de Heer, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven’ (Psalm 115:16).  Moses en Elia zijn niet naar de hemel gegaan en de Heerlijkheid is niet naar beneden gekomen. Maar dit leert ons dat de Heer tot Mozes zei: ‘Ik zal jou van de top van de berg roepen, en jij zal naar boven gaan. Daarom staat er: ‘En God riep Mozes’ (Exodus 19:20). (Mechilta de Rabbi Jisjmaël Bachodesj 4)

In de latere rabbijnse literatuur, vooral in de Babylonische Talmoed, wordt aan Elia kennis van de aard en eigenschappen van de messias toegedicht. In sommige teksten spreken de rabbijnen zeer vrijelijk over ontmoetingen met Elia en zelfs met de messias. Babylonische Talmoed Sanhedrin heeft hier meerdere voorbeelden van, vaak met een sterk legendarisch gehalte. Interessant is dat vele aspecten van de messias ook in het Nieuwe Testament worden uitgewerkt, vaak als exegeses van teksten uit Tanach, zoals het feit dat de messias op een ezel zal rijden (Zacharia 9:9, zie Matteüs 21:4; Johannes 12:14-15):

Jehosjua ben Levi, die zegt: ‘Van de mensenzoon staat er dat Hij komt met de wolken des hemels (Daniël 7:13), en: “rijdend op een ezel (Zacharia 9:9).” Hoe zit dat? Wel: als Israël verdienste heeft, komt Hij in heerlijkheid met de wolken des hemels; als Israël geen verdienste heeft, komt Hij arm, rijdend op een ezel.’[3]

Jesaja 53, over de lijdende knecht, wordt in de christelijke traditie vaak op Jezus’ messias-zijn toegepast.[4] Hoewel niet zeer veelvuldig, zijn er ook rabbijnse teksten die Jesaja 53 op de messias toepassen. Zo vinden we in Babylonische Talmoed Sanhedrin 98b dat een van de namen van de messias ‘de melaatse van het huis van Rabbi (Jehoeda Nasi)’ is, met als bewijstekst Jesaja 53:4. In de voorafgaande folio (98a) vinden we een beschrijving van de messias als een arme man vol zweren die tussen de bedelaars in de poorten van Rome zit. Elia is in al deze voorbeelden degene die de rabbijnen erop wijst waar ze de messias kunnen vinden.

Lieve Teugels is universitair hoofddocent Semitics and Jewish Studies aan de PThU in Amsterdam. Verder is zij betrokken met het Centre for Early Jewish Hermeneutics en de JPC serie van Brill.

Literatuur

Alouf-Aboody, Hilla N. Through the Prism of Wisdom Elijah the Prophet as a Bearer of Wisdom in Rabbinic Literature. Piscataway, NJ: Gorgias Press, 2020.

Kadari, Adiel. Until Elijah Comes: The Portrayal of Elijah the Prophet in Tannaitic Literature. Jerusalem: Magnes Press, 2021.

Stemberger, Günter. Introduction to the Talmud and Midrash. Translated by Markus Bockmuehl. Edinburgh: T. & T. Clark, 1990.

Teugels, Lieve M. “Did Moses See the Chariot?: The Link between Exod 19-20 and Ezek 1 in Early Jewish Interpretation.” Pages 594–602 in Studies in the Book of Exodus. Redaction, Reception, Interpretation. Edited by Marc Vervenne. Leuven: Peeters, 1996.

———. “Man van God of Goddelijke Man?” De Rol van Elia in de Eindtijd En de Receptie van Maleachi 3:1, 23–24 in de Rabbijnse Interpretaties.” Pages 139–47 in Elia & Elisa. Edited by Marieke den Braber and Willien van Wieringen. Vol. 35. Amsterdamse cahiers voor exegese van de bijbel en zijn tradities. Amsterdam: Societas Hebraica Amstelodamensis, 2022.

Van der Horst, Pieter Willem. “Moses’ Throne Vision in Ezekiel the Dramatist.” Journal of Jewish Studies 34 (1983): 21–30.


[1] https://www.sefaria.org/Malachi.3.1?lang=bi&p2=Rashi_on_Malachi.3.1.1&lang2=bi

[2] https://www.sefaria.org/Malachi.3.1lang=bi&p2=Ibn_Ezra_on_Malachi.3.1.1&lang2=bi&w2=all&lang3=en

[3] Vertaling A. Brons. https://www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi45-1a.php

[4] Matteus 8:14-17; Johannes 12:37-41; Lukas 22:35-38; 1 Petrus 2:19-25; Handelingen 8:26-35; Romeinen 10:11-21.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken