Menu

Basis

Johannes de Doper en Jezus als onderwijzers

De asceet en de levensgenieter

de Johannes-de-Doper-kerk

‘Wat was de leukste lerares of leraar die jij had op de basisschool of op je middelbare school?’ Dat was de vraag die ik mijn studenten op de Pabo stelde bij het voorstelrondje bij de allereerste les van het eerste jaar. En dan brandden ze los en vertelden zij hun verhalen. Een relaas over een docent die niets deed aan het pesten in een klas, maar ook heel veel mooie verhalen over hoe bepaalde docenten indruk gemaakt hadden. Vaak waren dat geschiedenisdocenten, maar toch ook zeer geregeld was het een docent die godsdienst gaf. Voor één studente was het een docente die altijd maar sprak over haar minnaar en dan ook allerlei spannende details daarover vertelde. Wat er door die eerste vraag gebeurde was dat zij tijdens die eerste les nadachten over allerlei soorten leraren.

De vraag die ik van de redactie van Schrift kreeg was of ik wilde schrijven over of/hoe Johannes de Doper het wint van Jezus in ascese. Daarover wil ik best schrijven, alhoewel ik hem liever met het volksere en oudere Jan de Doper aanduidt (er zijn nog steeds veel katholieke kerken in Nederland waarvan de oorspronkelijke parochie nog van voor de Reformatie stammen en die dan Jan de Doper heten). Bovendien zal ik niet spreken over ‘winnen in ascese’, omdat het volgens mij in de verhouding tussen Jezus en Jan de Doper niet gaat over een wedstrijd. Ik wil laten zien hoe in Lucas 7:18-35 wij in Jezus en in Jan de Doper twee leraren tegenkomen, die de ontvangers van het evangelie op een eigen wijze te denken kunnen geven over verschillende manieren van leraar zijn. Lucas 7:18-35 laat zien dat de Lucaanse Jezus schetst hoe hij en Jan de Doper complementair zijn aan elkaar.

De wordingsgeschiedenis van de evangeliën

Voordat ik op deze tekst inga, schets ik eerst de wordingsgeschiedenis van de verschillende evangeliën. Dat is sinds meer dan twee eeuwen een onderwerp van veel onderzoek. Het is hier niet de plaats om dat onderzoek te bespreken of samen te vatten, maar het is wel goed om op te merken dat Lucas 7:18-35 ook voorkomt in Matteüs 11:2-20 en dat de (meeste) geleerden ervan uitgaan dat zowel Lucas als Matteüs die passage dan gevonden zouden hebben in ouder materiaal. Meestal wordt dat ouder materiaal Q genoemd, verwijzend naar het Duitse woord Quelle [Bron], maar dat kan ook gebruikt worden als verzamelnaam voor het materiaal waarvan duidelijk is dat Matteüs en Lucas dat gezamenlijk hebben. Matteüs en Lucas hebben Q materiaal in (soms licht) bewerkte vorm in hun versie van het evangelie verwerkt, samen met bijvoorbeeld (delen van) Marcus en eigen materiaal. Van belang voor onze vraagstelling is dat het erop lijkt dat in deze wat oudere laag van de overleveringen aangaande Jezus, er meer gelijkheid bestaat tussen Jezus en Jan de Doper dan in de wat jongere lagen. Een duidelijk voorbeeld van het laatste is de voorgeschiedenis van Jezus en Jan de Doper in Lucas 1-2, waar telkens benadrukt wordt dat Jezus groter is dan Jan de Doper.

Ik kan dus ook Matteüs 11:2-20 bespreken of nog beter zowel Matteüs 11:2-20 als Lucas 7:18-35, maar gezien de beperkingen van dit artikel beperk ik me tot de Lucaanse variant. In die tekst  bespreekt Jezus zelf het verschil tussen hem en Jan de Doper, nadat er twee leerlingen van de laatste naar Jezus komen met diens vraag of Jezus degene is die komen zal of dat men een ander moet verwachten (7:18-20). Jezus is op dat moment voor veel mensen aan het zorgen en antwoordt aan de twee leerlingen dat zij als oor- en ooggetuigen naar Jan de Doper kunnen gaan met de boodschap dat blinden weer kunnen zien, lammen rondwandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, gestorvenen worden opgewekt en aan armen de goede boodschap wordt verkondigd (7:21-23).

Wanneer de boodschappers weggegaan zijn, reflecteert Jezus ten overstaan van de (aanwezige) menigte hardop over Jan de Doper (7:24-30). Om dat publiek aan het werk te zetten om zelf te denken over Jan de Doper begint Jezus met een serie vragen:

7:24b Wat zijn jullie uitgetrokken naar de woestijn om te aanschouwen?
Een riet, door de wind bewogen?
7:25 Maar wat zijn jullie uitgetrokken om te zien?
Een man, in zachte kleren gekleed?
Puh, zij met prachtige en luxueuze kleding leven onder de koninklijken. 
7:26 Maar wat zijn jullie uitgetrokken om te zien?
Een profeet?
Ja, zeg ik jullie en meer dan een profeet. 

Dan past Jezus Maleachi 7:1 toe op Jan de Doper, een tekst die ook in Marcus 1:2 wordt gebruikt om die profeet als bode en wegbereider te typeren. Dat duidt erop dat die typering in verschillende tradities gedeeld werd. Vervolgens zegt Jezus dat er onder degenen die uit de vrouwen geboren zijn, niemand groter is dan Jan de Doper. Dat de kleinste in het koninkrijk groter is dan hem (7:28), zou weleens een gevalletje kunnen zijn van een dwerg op de schouder van een reus.

In 7:31 stapt Jezus over op een ander spoor. Nu gaat het even niet meer om waar hij of Jan de Doper op elkaar lijken, maar waar de mensen van deze generatie (dat is in ieder geval die van Jezus’ tijd) op zouden lijken.

Jezus komt met een verrassende vergelijking. Hij gebruikt een kinderliedje om die generatie te schetsen. Jezus heeft het over kinderen die op de marktplaats zitten. Je ziet ze zitten aan de rand, bij wijze van spreken op de stoep. De kinderen lijken een gezelschapsspel te spelen, een soort ‘Schipper mag ik overvaren, ja of nee?’. De kinderen roepen elkaar toe. Eerst een uitnodiging tot dansen: ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst.’ Met vervolgens een uitnodiging tot samen huilen: ‘Wij hebben voor jullie klaagliederen gezongen en jullie hebben niet geweend.’ Zoals wel meer bij kinderspelletjes gaat het over ‘grote mensen thema´s’: feesten en rouwen. Dat herinnert aan het concept Homo Ludens (de spelende mens) dat Johan Huizinga, een van Nederlands meest boeiende historici, gebruikte om het belang van spelen te laten zien voor het ontstaan van cultuur.

In Echteld (bij Tiel) staat een Johannes-de-Doper-kerk. Aan die kerk vinden we zijn hoofd (met watergolven) zevenmaal verbeeld.
Foto: Harma de Vries.

Jezus als pedagoog

Jezus is hier weer een inspirerend en praktisch pedagoog. Voordat ik wat verder inga op wat de Lucaanse Jezus hier doet, schets ik hoe Jezus’ manier van leren een systematiek van pedagogie laat zien. In het evangelie van Lucas is hij the man, who comes to dinner (5:27-34; 7:36-50; 10:38-42; 11:37-52; 14-1-24; 19:2-28; 22:14-39, maar ook 24:13-35 en 24:41-49;   vergelijk ook 9:12-17 en 15:2). Die maaltijden zijn echter vaak een gelegenheid om te leren. Dat gebeurt al in Lucas 5:27-32, een passage die Lucas overigens gemeen heeft met Matteüs (9:9-13) en Marcus (2:13-17). Ook in het Sondergut, het materiaal dat hij alleen heeft, wordt er voortdurend aan tafel gegeten en samen geleerd. In Lucas 7:36-50, de passage die op onze perikoop volgt, ontmoeten we een Jezus die uitgenodigd is aan tafel bij een Farizeeër. Een vrouw (een zondares!) komt dan bij Jezus en wast Zijn voeten met haar tranen en mirre. Wanneer Jezus ziet dat Zijn gastheer er bepaalde gedachten over heeft, vertelt Hij een verhaal om die Simon aan het denken te zetten. Een ander voorbeeld vinden we in Lucas 14:1-24. Daar komt een waterzuchtige langs, wanneer Jezus op sabbat aanligt bij een leider van de Farizeeën. Lucas suggereert daarmee vast dat het een goede maaltijd geweest is. Zoals ik elders heb betoogd, wordt in 14:1-6 de waterzuchtige niet weggestuurd, zoals in de gebruikelijke vertalingen wordt gesuggereerd, maar neemt Jezus hem (of haar?) mee aan tafel en laat daarmee aan zijn gastheer zien wat het doel is van de sabbat- en bruiloftsfeesten: de armen uitnodigen aan de tafel van de rijken. Dat wordt het thema van Lucas 14:1-24. Een waterzuchtige kan, zoals medische handboeken toen en nu ons leren, iemand met opgezwollen buik zijn van de honger. Mijn vertaling van 14:4b is dan ook: ‘Door hem er bij te nemen genas hij en bevrijdde hij hem.’ Met andere woorden: Jezus zorgt dat een hongerige aan tafel mag. Na die praktijkles (14:1-6) volgt de les met de narratieve theorie, een lesopbouw die Jezus volgens Lucas ook elders doet. Hij combineert vragen en verhalen en zet zo zijn publiek toen en nu aan het werk.

Net als in de andere evangelies helpt Jezus zijn publiek ook door samenvattingen van de Joodse Tora te geven, en daarmee maakt hij duidelijk wat zijn hermeneutiek is bij het Bijbellezen, uitleggen en actualiseren. In Marcus 12:28-34 geeft Jezus op de vraag van een grammateus (waarschijnlijk is dat iemand die aan het begin van zijn carrière als bijbelgeleerde stond) al een samenvatting van de Joodse Tora, waarbij hij het liefdesgebod uit Leviticus 19:18 een centrale plaats geeft. Matteüs lijkt die passage zo te bewerken dat een paar erg mooie pre-rabbijnse elementen minder duidelijk uitkomen (zie Matteüs 22:34-40). Lucas in Lucas 10:25-37, het narratief over de barmhartige Samaritaan, gaat een heel eigen weg, waarbij hij als pedagogisch principe Jezus op zo’n manier tegenvragen laat stellen dat de man uiteindelijk zijn eigen vraag beantwoordt. Wel vinden we hier ook een verwijzing naar Leviticus 19:18.

Terug naar Lucas 7:31-35. Ook daar is Jezus een interessante pedagoog, omdat hij daar een kinderversje gebruikt. Echter, wat doet hij nu eigenlijk met dat kinderversje? Het kinderversje gaat over meedoen. In het versje worden twee activiteiten genoemd, maar daarvan wordt gezegd dat die niet de beoogde activiteiten opleveren. Nu zijn die twee activiteiten nogal tegengesteld: bij de ene gaat het om rouwen, bij de andere om feesten.

Het kinderversje als symbool

Jezus verbindt het kinderversje met het optreden van Jan de Doper én met zijn eigen optreden. Ook die zijn nogal tegengesteld: Jan de Dopers optreden wordt omschreven als sober, hij eet geen brood en drinkt geen wijn. Die soberheid lijkt op vasten en vasten wordt in veel culturen verbonden met rouwen; het is dus geen feest bij Jan de Doper. Mensen typeren zijn optreden als negatief, die sobere man zal wel een daimon hebben (7:33). Ook wij zouden nog wel van iemand die te fanatiek is kunnen zeggen dat die bezeten is. Vervolgens zegt Jezus iets over zichzelf: hij spreekt over zichzelf als de zoon van een mens, en die is gekomen etend en drinkend. In de ogen van de mensen van de generatie waar Jezus het over heeft is dat ook niet goed. ‘Zie, die mens is vraatzuchtig en een wijnzuiper’ (7:34a). Bovendien bevindt hij zich in gezelschap van tollenaars en zondaars (7:34b).

Lifestyle keuzes

De bovengenoemde, negatieve publieksreacties aangaande Jan de Doper en Jezus passen wel bij wat we kunnen weten uit de rest van het evangelie. Bij Lucas horen we overigens niet – zoals bij Matteüs (3:1) en Marcus (1:4) – dat Jan de Doper ruig gekleed gaat. In Lucas 5:33-35, een ander stukje waar Jan de Doper zijn lifestyle wordt vergeleken met die van Jezus, horen we dat Jan de Doper en zijn leerlingen vasten (zie ook Matteüs 9:14/ Marcus. 2:18). Van Jan de Doper werd in Lucas 1:13 al gezegd dat hij geen wijn en sterke drank zou drinken.

Jezus zegt dat de mensen hem ‘vraatzuchtig’ en een ‘wijnzuiper’ noemen. Dat klinkt wat grof en de vraag is op grond waarvan Jezus dan zo genoemd kan zijn door zijn tijdgenoten. Ook al zal ik niet zo ver gaan als de dominee die beweerde dat er geen wijn meer was op de bruiloft van Kana, omdat Jezus er was, toch kunnen we in de evangelies wel wat argumenten vinden voor deze karikatuur van hem. In de bovengenoemde passage 5:33-35 worden Jan de Doper, de asceet en Jezus, de levensgenieter als tegenpolen geschetst. Wanneer de leerlingen van Johannes vragen waarom zijn leerlingen niet vasten, antwoordt Jezus dat zijn leerlingen eten en drinken als bij een bruiloftsfeest (sic!) en dat zijn leerlingen wel kunnen vasten als hij er niet meer is.

Jezus schetst in 7:33-34 Jan de Doper en zichzelf als twee nogal verschillende leraren en daarmee worden ze exponent van twee verschillende, complementaire houdingen van leraar zijn. Het antwoord op de vraag van de redactie van Schrift is dat Jan de Doper inderdaad meer asceet is dan Jezus, maar de Jezus van Lucas 7:18-35 laat zien dat wat hem betreft de andere levens- en leerstijl van Jan de Doper complementair is aan die van hem. Met het kinderversje maakt Jezus zijn publiek duidelijk dat het minder uitmaakt welke stijl je volgt, maar dat het erom gaat dat je je engageert, dat je meedoet. Met de rouwende of met de feestgangers.

Het lijkt erop dat deze tekst – die Lucas gemeen heeft met Matteüs – waarschijnlijk materiaal bevat die sporen van oudere tradities laat zien. Die traditie laat zien dat in een oudere laag van het Q materiaal in Lucas Jan de Doper meer gelijkwaardig aan Jezus kan zijn dan in de rest van Lucas. Lucas 1-2 is materiaal eigen aan Lucas. Daar worden Jezus en Jan de Doper parallel gepresenteerd als twee profetische figuren, maar wel zo dat Jezus duidelijk belangrijker is dan Jan de Doper.

Inspirerende leraren

We zien dus dat het Nieuwe Testament hier twee leraren presenteert die elkaar aanvullen. Dat lijkt op een model dat we in de (latere) rabbijnse traditie vinden. In het tractaat Pirke Avoth wordt een doorlopende traditie gesuggereerd die begint met Mozes, die de Tora van de Sinai krijgt en dan via Jozua, de Ouderen, de Profeten wordt doorgegeven aan de mannen van de grote verzameling (Pirke Avoth 1:2), en dan uiteindelijk bij de latere rabbijnen belandt. In Pirke Avoth 1:2-3 worden dan twee leraren genoemd: Simon de rechtvaardige (1:2) en Antigonos uit Socho (1:3). In de volgende spreuken wordt de zich ontwikkelende leer aan telkens twee leraren per generatie gekoppeld. Gezamenlijk geven ze de traditie die ze gekregen hebben door met hun eigen interpretaties aan telkens weer twee nieuwe leraren van de volgende generatie. In de Rabbijnse traditie heetten die paren zugot. Er zijn vijf van die paren: Jose ben Joezer en Jose ben Johanan (volgens de traditie zouden die opgetreden hebben tijdens de periode van de Makkabeïsche onafhankelijkheidsoorlogen), vervolgens komen Jozua ben Perachjah en Nittai van Arbela, die werden opgevolgd door Juda ben Tabbai en Simeon ben Sjetach, die de traditie doorgaven aan Sj’maja en Abtalion, en die gaven de Tora weer door aan de laatste twee: Hillel en Sjammai. Zij zouden geleefd hebben in de periode van koning Herodes I.

Het interessante is dat deze laatste twee leraren in zekere zin te vergelijken zijn met bijna tijdgenoten Jezus en Jan de Doper. Hillel lijkt in veel (niet alle opzichten) meer op Jezus, terwijl Shammai meer de ‘serieuze’ trekken heeft van Jan de Doper. 

Ik begon dit artikel met de vraag welke leraar mijn leerlingen inspirerend vonden. De Jezus van Lucas 7:18-35 (en die van Matteüs 11:2-20) zet zijn publiek ook aan tot nadenken over soorten van leraren. Hij schetst Jan de Doper als een profeet die dicht bij hem staat en die in zijn leerstijl weliswaar heel anders is, maar toch complementair aan Jezus zelf. Daarmee laat hij zien dat we in die passage twee inspirerende leraren ontmoeten: Jezus en Jan de Doper.

De vroege kerk heeft overigens lang de belangrijke rol van Jan de Doper als leraar en profeet naast Jezus herinnerd. Veel oude kerken zijn aan hem toegewijd en in allerlei gebeden speelde hij een grote rol. Zo werd hij genoemd na Maria en voor de apostelen in het oude Confiteor, het gebed, een soort schuldbelijdenis bij de aanvang van de Mis, waarin de bidder principieel zegt dat hij tekortschiet. Bij de liturgieverandering na het Vaticaanse Concilie (1962-1965) verdwijnt hij uit dat gebed. Dat laat iets zien van hoe daar ook een stukje van de ‘twee-eenheid’ die Jan de Doper met Jezus had, uit het vizier raakte.  

Bart Koet is hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke literatuur aan de Universiteit van Tilburg en decaan Onderzoek aan dezelfde instelling.


Wellicht ook interessant

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

Brood breken en veilig aan land komen

Als zeilende bootsvrouw valt me altijd weer op hoe nauwkeurig Lucas de zeiltocht van Paulus in het boek Handelingen beschrijft. De hedendaagse reisverslagen die je op de Facebookpagina’s van zeezeilen vindt en de verslagen in zeiltijdschriften kunnen er een voorbeeld aan nemen. Je ziet de boot in zwaar weer voor je: het extra scheepstuig is overboord gegooid en de reddingssloep is gekapt omdat er enkelen mee wilden wegvaren, en nu is er land in zicht.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

Jezus in zijn vaderstad

‘En Hij ging daar weg’ (6:1). Je wordt doodmoe van dit Evangelie! Wat een vaart, wat een beweging. Hij ging daarvandaan – ja, vanwaar is dat nu weer en waar gaat Hij heen? Eromheen lezen levert op dat Hij bij Jaïrus vandaan kwam, de overste van de synagoge. Dé synagoge? Welke? Waar? Hij begon in Dekapolis te verkondigen (5:20). Dat is een Romeinse provincie, oostelijk van de Jordaan en zuidelijk van het meer van Galilea. Waar die synagoge gestaan heeft, is niet duidelijk.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

In storm en wind

De dag loopt ten einde, de nacht komt naderbij. Zo situeert Marcus het verhaal van de storm op het meer. Wat wordt ons hier veel gezegd over de geheimen van het Koninkrijk! De laatste woorden van Jezus’ parabelrede klinken nog in onze oren, over het mosterdzaadje, het beeld van de weerloze gemeente van Jezus Messias in de grote wereld. Onmiddellijk daarna vertelt Marcus hoe het scheepje van Jezus en zijn vrienden met enkele andere bootjes weerloos op de holle zee van Galilea de donkere nacht tegemoet gaat.

Nieuwe boeken