Etty Hillesum: sensueel, spiritueel
De handen die haar droegen
Barbara Zwaan volgt in haar artikel de spirituele ontwikkeling van Etty Hillesum. Zij omschrijft deze als een sensueel-spirituele ontwikkelingsweg. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, maakt Zwaan gebruik van het beeld van de handen. Etty bevindt zich eerst in de handen van Spier, daarna in de handen van God en uiteindelijk ook in haar eigen handen.
‘Vooruit dan maar!’ Zo begint Etty Hillesum haar dagboek, dat ze samen met een aantal brieven tussen 1941 en 1943 zal schrijven. In haar woorden lijkt een aarzeling door te klinken, misschien zelfs een lichte tegenzin. Zoiets als: ‘Oké, ik doe ‘t, omdat jij het vraagt.’ Dat is ook begrijpelijk, want het is aanvankelijk niet haar eigen keuze om al schrijvend het ‘samengebalde kluwen’ dat haar van binnen gevangen houdt te ontwarren en te ‘worden wie ze is’. ‘Werde der du bist’, is de lijfspreuk van Julius Spier, de uit Duitsland gevluchte joodse therapeut. Hij heeft kort daarvoor haar handen gelezen en haar aangespoord om aan zichzelf te werken door haar gedachten toe te vertrouwen aan haar schriftjes.
Spier of S., zoals Etty hem noemt, houdt er onorthodoxe behandelpraktijken op na. Naast het handlezen zet hij het binnenste van zijn (vaak jonge, vrouwelijke) cliënten in beweging door met hen te worstelen. Ingegeven door zijn overtuiging dat ‘Körper und Seele sind eins’, rollebolt hij er met deze vrouwen op los. Zo ook met Etty, die verrast wordt door de enorme lichamelijke kracht die bij haar vrijkomt. Ze smijt die grote kerel zomaar tegen de grond! Ze vindt het heerlijk, maar geeft ook eerlijk toe dat haar fantasie er meer van op hol slaat dan haar lief is. Ze wordt er onrustig van en verlangt naar verdergaand fysiek contact. Spier wil echter trouw blijven aan zijn jonge verloofde Hertha Levi in Londen. Etty’s driften en verlangens vinden daardoor geen uitweg.
Etty’s sensueel-spirituele ontwikkelingsweg
Etty moet dus terughoudend zijn in het uiten van haar verliefde gevoelens voor Spier. Dat valt haar niet mee, want Spiers charisma is groot. Toch levert haar gedwongen lichamelijke beheersing ook wat op. Juist omdat ze fysiek moet matigen, wordt haar geestelijk leven groter. In dit artikel ga ik nader in op die sensueel-spirituele ontwikkelingsweg, waarbij ik drie fasen onderscheid. Ik gebruik daarbij het beeld van de handen, die voor Etty belangrijk waren. In een eerste fase is Etty in Spiers handen, vervolgens in die van God, en tenslotte is zij in haar eigen handen.
Juist omdat ze fysiek moet matigen, wordt haar geestelijk leven groter
In Spiers handen
Op 3 februari 1941 klopt Etty Hillesum voor het eerst aan bij de Amsterdamse Courbetstraat 27, waar Julius Spier praktijk houdt. Etty is die dag ‘Object’, oftewel proefpersoon. Spier, bijgestaan door een aantal intimi en leerlingen, leest op basis van met inkt gemaakte afdrukken haar handen. Alexandra Nagel beschrijft in haar boeiende boek over Spier de door hem gestelde diagnose. Hij vindt Etty onrustig, prikkelbaar, zeer gevoelig en gespannen. Ze is intelligent, kunstzinnig, kan goed schrijven, is gul en warmhartig, maar ondanks al haar talenten is ze energetisch niet in evenwicht. Ze heeft een zwak gestel, constateert hij verder, en is op seksueel gebied snel geprikkeld. Haar joodse ouders Riva en Louis – een vluchtelinge uit Rusland en een leraar klassieke talen – spelen een rol in haar problemen, die naast biologisch ook psychologisch van aard zijn. Op zielsniveau is ze verstopt, wat allerlei lichamelijke klachten zou kunnen verklaren. Kortom: Etty’s opdracht is om een balans te vinden tussen denken en voelen (Nagel 142-144).
Spier is degene die Etty aanzet tot het ‘ontstoppen’ van haar ziel door te schrijven, maar maakt het haar door hun gelijktijdige worstelpartijen niet gemakkelijk. Ze beschrijft hoezeer hun fysieke contact haar sensualiteit stimuleert en haar stemmingen hevig doet wisselen. Het ene moment voelt ze zich verheven boven haar lijfelijkheid, het andere moment heeft ze daar helemaal geen vat op. Graag zou ze wat meer controle willen hebben over zichzelf. Ze wil ‘middelpuntiger’ worden, zich aan ‘het leven zelf’ laven in plaats van aan één man. ‘Wat is eigenlijk een echte vrouw, en ben ik dat wel?’ vraagt ze zich af. Een echte vrouw heeft seks, vindt ze, maar geneert zich dan ook weer over dat stereotype denken. In haar ogen is ze al geen ‘vrouwtjes-dier’ meer, het ‘oer-lichamelijke’ wordt al doorbroken door een vergeestelijkingsproces. Maar o, wat is het moeilijk om afstand te houden als Spier haar dan toch weer strelend onder handen neemt. Warmte- en krachtgeleiders noemt ze die handen. Ze voelt zich er zo goed en geborgen bij.
Ze wil zich aan het leven laven in plaats van aan één man
Spier als katalysator
Etty en Spier zijn niet alleen minnaars. Ze zijn ook zielsverwanten. Innerlijk diep verbonden halen ze het beste in elkaar naar boven. Ze zijn graag samen en beleven intens mooie dingen. Zoals die keer dat ze met elkaar als ‘vrolijke toeristen’ door het zonnige Amsterdam lopen. Zijn hand, schrijft ze op 4 juli 1942, ‘ving steeds weer de mijne onder het lopen en ze hadden het goed samen, onze handen’ (Het werk 490). Ze weet dan niet dat Spier nog maar kort te leven heeft. Op 15 september van datzelfde jaar sterft hij aan longkanker. Etty is net op tijd om afscheid van hem te nemen: ‘… ik heb je verdorde, stervende mond gekust, je hebt nog een keer mijn hand genomen en naar je lippen gebracht’ (Het werk 546).
In deze eerste fase is Etty in Spiers handen. Ze levert zich aan hem over, met lichaam en ziel. Zo ontstaat een liefdesgeschiedenis die voor beiden verrijkend is. Voor Etty is Spier de katalysator die haar naar binnen doet bewegen, waar ze ‘God’ vindt.
In Gods handen
Wanneer Spier sterft, is Etty al in doorgangskamp Westerbork geweest. Vanaf juli 1942 zal ze daar met onderbrekingen hulp aan ‘doortrekkenden’ verlenen, mensen die vroeg of laat op transport naar Auschwitz worden gezet. Eerst als medewerkster van de Joodse Raad, later uit vrije wil. Ze wil zijn waar de nood het hoogst is. Tegelijkertijd gaat haar introspectie verder. Steeds meer klaarheid scheppen, ten behoeve van zichzelf en anderen, dat is haar doel. Als er rust is in mijzelf, is haar overtuiging, kan ik die rust ook uitstralen naar anderen. Ze neemt bewust tijd om stil te worden en te mediteren. Zo ontdekt ze ook wat of wie ze ‘God’ noemt in zichzelf. God zit in een ‘heel diepe put’ in haar. Soms kan ze erbij, maar meestal is hij begraven onder stenen en gruis. Dan moet hij weer opgegraven worden. Dat kun je doen, zegt ze, door je hoofd in je handen te verbergen en ‘hinein’ te ‘horchen’, naar binnen te luisteren.
Als er rust is in mijzelf, kan ik die rust ook uitstralen naar anderen
Onderdak bij God
Etty zoekt niet alleen actief naar God in zichzelf, God ‘gebeurt’ ook aan haar. Volkomen passief wordt ze overvallen door ‘iets, dat sterker is’ dan zijzelf. Het meisje dat niet knielen kan – zo noemt ze zichzelf – wordt ineens naar de grond gedwongen door iets dat ze niet in de hand heeft. God krijgt ze niet, zoals Spier, tegen de vlakte, het is andersom. Eerst schaamt ze zich daarvoor, maar gaandeweg geeft ze zich over aan die bovenpersoonlijke kracht. Die kracht neemt bezit van haar en maakt dat ze haar lot en dat van haar mede-Joden kan aanvaarden. Ze is niet meer van zichzelf, maar van God met wie ze in een voortdurende dialoog verwikkeld raakt.
Ondanks de toenemende onderdrukkingen houdt ze vol dat het leven mooi en zinrijk is en dat we het moeten beamen. We moeten ‘ja’ tegen het leven zeggen, met alles erop en eraan. Daar hoort haat tegen de Duitsers niet bij. Natuurlijk is ze moreel verontwaardigd over al het afgrijselijke dat de Joden wordt aangedaan, ze keurt het ten stelligste af. Maar niet alle Duitsers zijn slecht, net zomin als alle Joden goed zijn. Dat genuanceerde denken neemt niet iedereen haar in dank af en ook haar weigering om niet onder te duiken. Etty kan het voor zichzelf niet verantwoorden om haar vege lijf te redden, terwijl haar volk in kampen door luizen wordt opgevreten. Wees menselijk, is haar boodschap. Reik anderen zoveel mogelijk en waar je kunt een helpende hand.
We moeten ‘ja’ tegen het leven zeggen
De tweede fase in Etty’s ontwikkelingsweg laat een verdergaande vergeestelijking zien. God heeft blijvend onderdak in haar gevonden. Aan zijn hand trekt ze verder en wil iets van de mensenliefde die in haar is gegroeid uitstralen, waar ze ook is.
In eigen handen
Niet alleen God gaat mee naar Westerbork, ook Etty’s eigen handen, ‘met hun expressieve vingers, die zijn als krachtige jonge twijgen’. Die handen zullen haar, net als haar ogen, niet verlaten. Al trekt er nog zoveel leed aan hen voorbij. Dat leed blijft Etty niet bespaard. In een van haar zogenaamde Westerbork brieven beschrijft ze aangrijpend hoe ze in de middag van 24 augustus 1943 in een ziekenbarak door een jong meisje wordt geroepen. Het meisje zit kaarsrecht overeind in haar bed, haar ogen zijn wijd opengesperd. Ze heeft dunne polsen en een doorschijnend smal gezichtje. Gedeeltelijk verlamd, is ze met hulp van twee verpleegsters net weer begonnen om te leren lopen:
‘Heb je het gehoord, ik moet weg’, fluistert ze. ‘Wàt, moet jíj weg?’ We kijken elkaar een poosje sprakeloos aan. Ze heeft helemaal geen gezichtje meer, ze heeft alleen nog maar ogen. Eindelijk zegt ze met een effen, grauw stemmetje: ‘En zo jammer, hè, dat nu alles, wat je in je leven geleerd hebt, nu voor niets is geweest’ en ‘wat is het toch nog moeilijk om dood te gaan, hè? (Het werk 688).
De volgende ochtend is het meisje weg, met vele anderen afgevoerd om vernietigd te worden. Etty heeft het hier moeilijk mee. Haar positieve levenshouding wordt zwaar op de proef gesteld. Toch blijft ze trouw aan wat ze als haar opdracht beschouwt: dat God bij haar in veilige handen is en ze hem door de oorlog heen kan loodsen met het oog op de generatie na haar. Hoe ze eerder heen en weer werd geslingerd door haar wisselende stemmingen, is ze nu stevig geworteld in haar bestemming: er ‘gewoon’ maar zijn voor alle mensen. Ze is niet meer gebonden aan één man, maar verbonden met allen door een liefde die alles overstijgend is en iedereen omvat. De vraag of ze wel een echte vrouw is, speelt niet meer. Niet dat ze nu een kuise heilige is geworden. Etty blijft een vrouw die ‘warmte en erotiek’ nodig heeft, ‘zoenen en strelen op z’n minst’, schrijft Jan Oegema treffend (Oegema 195).
Ze is stevig geworteld in haar bestemming
Een lichaam gebroken als brood
Haar promiscue gedrag stopt niet aan de poort van Westerbork. Al tijdens haar eerste verblijf in het kamp – Spier leeft dan nog – gaat ze een intieme relatie aan met de Joodse Raad-medewerker Jopie Vleeschhouwer en de Duitse Alte Kampinasse Osias Kormann. Volgens biografe Judith Koelemeijer was zinnelijkheid voor Etty een manier om haar vriendschappen te verdiepen (Koelemeijer 351). Etty’s eigen woorden bevestigen dat: ‘Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en uitgedeeld onder de mannen. Waarom ook niet, ze waren immers hongerig en hadden al zo lang ontbeerd’ (Het werk 583).
Haar lichamelijk gerichte aanleg blijft dus, maar ze kan – met Spier en God diep in zich – zelfstandig dragen wat haar overkomt. Nu haar eigen ziel is ontstopt, kan ze de ‘geboortehelper’ van de ziel van anderen zijn. Net zoals Spier dat eerder voor haar was. Daarvoor hoeft ze niet zozeer iets te doen, maar er eenvoudigweg voor hen te zijn. Van hun ‘naakte zielenoden’ probeert ze iets op te vangen, op hun wonden wil ze een pleister zijn. Laat haar in het lichaam dat Westerbork is maar de ziel zijn.
Je kunt je nauwelijks voorstellen dat hier dezelfde vrouw aan het woord is als in maart 1941, toen ze met het schrijven van haar dagboek begon. We mogen Spier dankbaar zijn dat hij Etty aanmoedigde matig te zijn in hun fysieke liefdesuitingen. Daardoor is, naast de extreme oorlogsomstandigheden, haar spirituele ontwikkeling in een stroomversnelling gebracht. De vruchten daarvan kunnen wij vandaag de dag nog plukken door ons aan haar leven en werk te spiegelen en onszelf en daarmee ook anderen te bevragen en te verrijken.
Barbara Zwaan is theoloog, werkzaam als geestelijk verzorger en docent. Ze is voorzitter van de Redactie Spiritualiteit van theologie.nl. Momenteel werkt ze aan een boek over Etty Hillesum, Simone Weil en Edith Stein, dat in november 2026 bij KokBoekencentrum zal uitkomen.
Literatuur
Alexandra Nagel (2026) Julius Spier en de kunst van het handlezen. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
Etty Hillesum (2012) Het werk. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
Jan Oegema (2026) Een apart soort moed. Etty Hillesum nu. Amsterdam: Boom.
Judith Koelemeijer (2022) Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven. Amsterdam: Uitgeverij Balans.