Menu

Basis

De kleine goedheid

Silhouette van een man met daarachter het melkwegstelsel
(Beeld: iStock)

In tijden van maakbaarheid zijn we zoekender dan ooit. Elk individu moet voldoen aan een haast sadistische eis: zichzelf verwezenlijken. Dat is een onmogelijke opgave. In een nieuwe publicatie ‘groter dan ik’ gaan psychiater Esther van Fenema en predikant Joost Röselaers op zoek naar dat wat ons nog kan verbinden aan iets dat groter is dan ik.

In onze spreekkamers – de ene in de psychiatrie, de andere in de kerk – verschijnt een vergelijkbaar en verontrustend beeld. Mensen die hun leven ogenschijnlijk op orde hebben, maar toch vastlopen. Niet omdat ze te weinig vrijheid hebben, maar juist te veel. Alsof we voorbij het optimum van die vrijheid zijn geschoten. Ze worden nergens meer in beperkt maar ook nergens door gedragen. Het individu, ooit bevochten als hoogste ideaal, blijkt in de praktijk een uiterst kwetsbare constructie.

We hebben ons losgemaakt van structuren die ooit vormend waren: familie, kerk, gemeenschap. Die verbanden konden verstikkend zijn, beklemmend en soms ronduit beschadigend. Maar in onze poging om onszelf te bevrijden, hebben we iets wezenlijks verloren: een vanzelfsprekende bedding. Een context, waar je ‘vrij van’ kon zijn in plaats van het huidige ondraaglijke ‘vrij om’.

In onze poging onszelf te bevrijden, verloren we een vanzelfsprekende bedding

Tussen autonomie en verbondenheid

In de psychiatrie zien we dat scherp terug. Angststoornissen, depressies, gevoelens van leegte en zinloosheid – ze zijn geen randverschijnselen meer, maar tekenen van een maatschappelijke verschuiving. Veel klachten laten zich niet reduceren tot een individueel probleem of een chemische disbalans. Ze raken aan de vraag, hoe een mens zich verhoudt tot dat wat zijn context kan vormen: familie, samenleving, natuur, kunst, dood of God.

Opvallend vaak blijkt die verhouding ijl of fragiel; mensen voelen zich losgezongen. Als alles kan, wordt de kans om overspoeld te raken enorm. Je kan overal wonen, maar nergens thuishoren. Als je alles kunt worden, wordt kiezen al snel falen. Het individu van nu krijgt bijna goddelijke proporties toegedicht. Maar die positie is niet vol te houden. Aan de buitenkant een glanzende façade, maar in onze spreekkamers een desolate leegte die ontregelend groot is.

De predikant ziet hetzelfde, maar dan op een andere manier. Tijdens ontmoetingen, bijvoorbeeld aan het bed van stervenden. Of bij uitvaarten en in gesprekken, waarin het leven zich niet meer laat ordenen. Daar gebeurt iets opvallends: precies op die momenten, dat de routine en de vanzelfsprekendheid er niet meer is, ontstaat de noodzaak tot echte verbinding. Mensen verlangen naar hun kinderen, ouders of willen hun verleden gebruiken om betekenis te ontdekken. Ze zoeken op die momenten juist naar een verhaal dat hen overstijgt. Ook als ze dat hun hele leven hebben vermeden.
Die spanning, tussen autonomie en verbondenheid, is kenmerkend voor deze tijd. Jongeren die zichzelf als hyperindividu manifesteren, maar tegelijkertijd zoekende zijn naar betekenis. Je bekeren tot Jezus via een influencer op TikTok is daar een hedendaags voorbeeld van.

We hebben dat individu in de jaren 60-70 bevrijd, maar gaandeweg de afgelopen decennia is het verstrikt geraakt in wat de Vlaamse psychiater Dirk de Wachter ‘de ikkigheid’ noemt. Een term die beschrijft hoe we geïsoleerd zijn geraakt in verschillende domeinen van het leven. Pas als het slecht met ons gaat, erkennen we de noodzaak van die verbinding. Je kan je afvragen of al die mentale klachten van dat losgezongen individu niet het prijskaartje zijn van een leefstijl die ons oerbrein continu de notie van gevaar geeft. Want dat brein is niet gemaakt voor autonomie, maar voor verbondenheid. Alleen zijn of eenzaam zijn is evolutionair gezien een alarmsignaal. Immers in de oertijd overleefde je niet alleen en zo is ons brein ook afgesteld. Eenzaamheid als pijnlijk signaal voor gevaar.

Ons brein is niet gemaakt voor autonomie, maar voor verbondenheid

Ergens bij horen, ‘groter dan ik’

Familie bijvoorbeeld, is van een vanzelfsprekend verband veranderd in een keuze. Dat lijkt een vooruitgang, maar heeft ook een prijs. In de spreekkamer verschijnen mensen vaak alleen. Relaties zijn verbroken, het contact is verwaterd en verwachtingen zijn soms te pijnlijk geworden. Tegelijk zien we dat bij ziekte, verlies of een naderende dood het verlangen nog springlevend is en blijkt hoe fundamenteel die verbondenheid is. Dan pas voelen mensen wat ze al die jaren hebben gemist.

In de samenleving zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Traditionele verbanden zijn verdwenen, maar het verlangen naar collectiviteit blijft. Het uit zich in nieuwe vormen van groepsvorming: online gemeenschappen, politieke bewegingen of identiteitsgroepen. Samen ergens voor of tegen opstaan en zelfs een stukje comfort inleveren voor dat hogere doel. Onder al die vormen ligt dezelfde behoefte: ergens bij horen, deel uitmaken van iets dat groter is dan jezelf.

Ook de natuur kan bijdragen om het zelf te overstijgen. Wie wandelt, fietst of simpelweg buiten is, ervaart vaak een vorm van rust en verbinding, die elders ontbreekt. Niet omdat de natuur antwoorden biedt, maar omdat ze zich niets aantrekt van menselijke verwachtingen. Ze groeit, vervalt en verandert zonder oordeel of mening. Juist dat maakt dat mensen zich opgenomen kunnen voelen in een groter geheel, zonder dat ze zichzelf hoeven te verklaren of te verbeteren.

In de kunst zien we iets vergelijkbaars. Een muziekstuk, een schilderij, een roman kan je plots optillen uit jezelf. Even ben je niet bezig met je eigen verhaal, maar opgenomen in dat van een ander of in iets dat zich niet laat uitleggen.

De dood is misschien wel de meest directe confrontatie met het ‘groter dan ik’

En dan is er de dood. Misschien wel de meest directe confrontatie met het ‘groter dan ik’. De dood laat zich niet sturen. Hij ondergraaft elk idee van maakbaarheid. In de medische praktijk zien we hoe moeilijk dat te accepteren is. Behandelingen worden voortgezet, ingrepen herhaald, alsof het leven eindeloos gerekt kan worden. Tegelijk zien we mensen, die juist verlangen naar controle, door het moment te plannen waarop het leven eindigt. In beide gevallen speelt dezelfde onderliggende gedachte: dat de dood binnen onze regie valt. Maar de dood maakt zichtbaar wat wij niet kunnen beheersen – en daarmee wat er werkelijk toe doet.

En tenslotte God. Of beter gezegd: het verdwijnen van een vanzelfsprekend godsbeeld. Waar vroeger een groter verhaal richting gaf, is nu vooral de leegte daarvan voelbaar. Tegelijk blijft het verlangen bestaan. Niet altijd in traditionele vormen, maar wel in de behoefte aan betekenis, aan ordening, aan iets wat het individuele leven overstijgt.

De mens zoekt wat hem overstijgt

Deze domeinen, familie, samenleving, natuur, kunst, dood en God, laten steeds hetzelfde zien. De mens zoekt, expliciet of impliciet, naar iets dat hem overstijgt. Iets dat richting geeft, zonder dat het volledig door hemzelf hoeft te worden gedragen.

Toch blijven we geneigd om de oplossing binnen het individu te zoeken. We proberen het leven te begrijpen, te optimaliseren, te organiseren. Maar betekenis ontstaat juist daar waar controle ophoudt.

Anders gezegd: als we dat individu blijven koesteren als een glazen knikker, dan missen we de zingeving die juist ontstaat door een klein stukje op te offeren. Het optimum van vrijheid ligt niet bij maximale autonomie, maar bij het vermogen om iets van die vrijheid los te laten. Iets los te laten van dat zelf en daarmee onderdeel van iets groters te kunnen worden. Dat is de meest concrete way-out uit het isolement van het zelf. Niet groots en meeslepend, maar klein en herhaalbaar. Een beweging van opoffering in plaats van accumulatie. Telkens zoeken naar een klein stukje loslaten met als doel de verbintenis aan te gaan met dat grotere dan ik. Iets wat je elke dag opnieuw kan doen, binnen je eigen reikwijdte en op jouw eigen schaal.

Je zou het de kleine goedheid kunnen noemen, een houding om het juiste doen, zonder garantie dat het iets oplevert. Het lijkt bescheiden, maar het is precies in die bescheidenheid waar de kracht ligt. De kleine goedheid veronderstelt altijd een relatie, iemand anders, een context. Ze plaatst het ik opnieuw in verbinding met iets buiten zichzelf, zonder dat daar een groot systeem of overtuiging voor nodig is.

In die zin is ze fractaal: het grotere openbaart zich in het kleine. Niet als een allesomvattend verhaal, maar als een patroon dat zich herhaalt in het dagelijks handelen.

De vrijheid om het juiste te doen, omdat het beter bij ons aard als mens past

Vrijheid

Dat heeft consequenties voor hoe we naar vrijheid kijken. De vrijheid die we de afgelopen decennia hebben nagestreefd, was vooral het losmaken van: vrij van verwachtingen, vrij van structuren, vrij van verplichtingen. Maar deze vorm van vrijheid confronteert ons vooral met leegte. Ze laat de mens achter met zichzelf in een onmetelijk universum en dat blijkt gevaarlijk en ongezond.

De kleine goedheid biedt een andere vorm van vrijheid, namelijk de vrijheid om het juiste te doen. Niet omdat het moet, maar omdat het beter bij onze aard als mens past.

In een wereld die steeds complexer en onoverzichtelijker wordt, is dat misschien het enige wat werkelijk binnen ons bereik ligt. We kunnen het geheel niet overzien. We kunnen de grote problemen niet alleen oplossen. Maar we kunnen wel handelen op de schaal waarop we bestaan. Dat raakt aan onze noodzaak om een gevoel van grip en controle te ervaren, iets van handelingsperspectief.

In een tijd waarin grote verhalen ontbreken en het individu onder druk staat, is dat geen spectaculaire oplossing. Maar wel een manier om onze menselijkheid anno nu weer te voelen zoals die bedoeld lijkt.

Drs. Joost Röselaers is predikant van de (Franstalige) Waalse kerk in Amsterdam en van de remonstrantse gemeente in Bussum. Samen met Esther van Fenema, psychiater en publicist, schreef hij Groter dan ik – een predikant en een psychiater op zoek.


Ouderlingenblad 2026, nr. 9

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken