Menu

Basis

Het verhaal van twee mannen, een zoon en een boot

DAK

DAK

Hier begint een nieuwe serie in Ouderlingenblad, uitvloeisel van ons contact met ‘Netwerk DAK’. Op hun website beschrijven ze zichzelf: Netwerk DAK verbindt, versterkt en vertegenwoordigt meer dan 150 inloophuizen, buurt- en straatpastoraat door heel Nederland.

Dan weet u waar de serie over gaat. De medewerkers van DAK willen verhalen vertellen. Over hun werk en over de mensen die ze tegenkomen, waar en hoe dan ook. Om die mensen als mensen te zien, zoals zij dat doen. Altijd de mens op één.

Met de verhalen die we vertellen, vertellen we wat ons leven voor ons betekent. We hebben het allemaal af en toe nodig: iemand die ons de gelegenheid biedt om ons verhaal te doen. Als we het moeilijk hebben, als we iets moois willen delen, als we met vragen rondlopen.

In het straatpastoraat is een pastoraal gesprek vaak meer dan een gesprek. We zijn vaak meer dan een luisterend oor. Want we lopen mee. En door letterlijk mee te lopen, worden we een klein beetje onderdeel van het daadwerkelijk geleefde leven, want vaak is er geen familie meer. Of is er te veel gebeurd in een leven, waardoor het dagelijkse leven met de eigen familie moeilijk nog gedeeld kan worden. Trauma, verslaving, onontwarbare familiepatronen, armoede, geweld. Het tekent een mens.

Ik heb geleerd dat elk verhaal verteld wil worden. En dat in elk verhaal iets van waarde zit verscholen. Onder al die lagen van complexiteit, onder al die lagen van vuil, die het leven erop heeft afgegeven, zit huid. Huid van een mens, van een mens die voelt, die iemand is, en die nog steeds kan bloeden. Een huid die pijn ervaart of kippenvel. Die rimpelt bij een lach. Om mee te kunnen voelen met die soms onbeschrijfelijke levens schrijf ik dicht op de huid.

We zijn vaak meer dan een luisterend oor, we lopen mee

Een laatste belofte

Dit is het verhaal van twee mannen, een zoon en een boot.

Hij belt me in de avond. Dat doet hij nooit. Dus ik begrijp dat het urgent is. ‘Annemarie,’ hij steekt meteen van wal zodra ik opneem, ‘ik ga de boot verkopen. Ik moet de boot verkopen. Ik heb geld nodig. Maar jij moet me tegenhouden, want ik wil de boot niet verkopen. Dan is alles verloren. Kan ik alsjeblieft wat geld lenen?’

Als iemand, die ernstig verslaafd is, me om geld vraagt, word ik altijd wat ongemakkelijk. Ik heb tijd nodig. Dus ik vertraag het gesprek en stel hem vragen, ook al weet ik dat zijn verslaving gigantisch aan hem trekt.

Ik heb Trienko een aantal maanden daarvoor ontmoet. Ik werd benaderd om bij de gesprekken aan te schuiven. Trienko was ziek, van wat precies was nog niet duidelijk, maar dat het waarschijnlijk ernstig was wel. Met de eindigheid in het vooruitzicht worstelde hij met zingevingsvragen. Wat begon met het opschrijven van zijn levensverhaal, waaraan we maar één gesprek besteedden, mondde uit in een praktische zoektocht naar wat écht belangrijk voor hem was.

Ik ging mee naar het ziekenhuis. Wat staat hem te wachten? Wat wil hij? Wat niet? Wat kan er? Wat niet? In de wachtkamers praatten we wat, of we zwegen. Als we spraken kwam telkens het bootje langs, dat hij had gekocht.

Ergens bovenin Groningen lag een kajuitbootje, dat hij naar de stad wilde halen. Dat zou een vaartocht zijn van een volle dag. Hoe moest hij dat voor elkaar krijgen? En met wie? En hoe lag het er nu bij, na een winter, al maanden niet gezien?

Dit bootje was zijn allerlaatste wens én belofte. Ooit, alweer lang geleden, had hij zijn zoon beloofd samen een bootje op te knappen en samen te gaan varen. Zijn zoon leeft niet meer, maar de belofte aan hem des te meer. Met dat bootje zou hij, met zijn zoon in gedachten, tochtjes gaan maken met mensen die even een leuke dag nodig hebben. Die het niet makkelijk hebben, het nodig hebben het hoofd even leeg te maken.

In de tussentijd ontmoet ik Danny. Danny heeft geen huis, slaapt in een tentje. Hij onttrekt zich aan de maatschappij, waaraan hij niet meer wil meedoen: een maatschappij die zovelen kwetst, waar geld en macht overheersen, en die de mens niet meer op één heeft staan. Hij heeft ook geen uitkering. Hij redt zichzelf.

Het bootje wordt door twee vrijwilligers van het straatpastoraat naar Groningen gehaald. Halverwege breekt het stuurwiel af, de buitenboordmotor zuipt om de een of andere reden benzine. Verschillende reparaties zijn al tijdens de vaart nodig, maar uiteindelijk ligt het bootje in de haven.

En Trienko blijkt ongeneeslijk ziek. Maar hij is blij, intens blij. En tegelijk gestrest, want hoewel het bootje nu dichtbij is, lijkt zijn droom van hem weg te drijven. Als hij het niet meer zelf kan opknappen, hoe kan hij dan nog meemaken, dat hij ermee kan varen? De ziekte schrijdt voort en de verslaving woekert. Zoals op die avond, dat hij geen geld heeft. De wanhoop slaat toe. Het enige wat hij kan bedenken is de boot verkopen. Maar dat zou hij zichzelf nooit vergeven. Hij vraagt mij om hem tegen te houden. Dus ik fiets naar hem toe en leen hem 50 euro, op voorwaarde dat hij mij de sleutel van de boot geeft. Ik bewaak niet de boot, maar ik bewaak zijn droom, zijn laatste wens en de belofte aan zijn overleden zoon.

Hij zou tochtjes gaan maken met mensen die even een leuke dag nodig hebben

Een andere droom

Als geestelijk verzorger maak ik via de verhalen van mensen mee hoe moeilijk het is om dicht bij je droom te blijven, er trouw aan te zijn en de droom te verwezenlijken. Het leven gooit zo makkelijk roet in het eten.

Danny heeft op radicale wijze zijn leven omgegooid omdat hij tot inzichten is gekomen, die hem grond onder de voeten geven: de mens moet altijd centraal staan. Waar geld en macht regeren, verliest de mens. Maar om te kunnen leven, heeft een mens wel wat geld nodig. Daarom werkt hij waar hij kan, want werk verbindt mensen. Van het geld dat hij verdient, handje contantje, leeft hij.

Maar hoe vaak krijgt hij niet te horen: jou betaal ik minder, want jij hoeft toch geen huur te betalen. Dan recht hij zijn rug en draait zich om. Met en voor zulke mensen werkt hij niet. Want ook hij is een mens en staat op nummer één.

In één van die werkcontacten ging het mis. Boos en verdrietig doet hij mij zijn verhaal. Na een paar dagen werk kreeg hij niet uitbetaald. En dat terwijl hij aan het sparen was voor een kajuitbootje, zijn droom om uit de tent in een wat stabielere woonsituatie te komen.

Ik geloof dat verhalen mensen met elkaar verbinden. En sommige verhalen doen dat letterlijk.

Ik geloof dat verhalen mensen met elkaar verbinden, soms letterlijk…

Als ik Trienko na zijn turbulente avond weer spreek, vraag ik hem naar zijn droom, die hij niet meer kan verwezenlijken zoals hij in gedachten had. Wat als hij er één iemand mee blij kan maken? Wat als zijn bootje in de zorgzame en handige handen terechtkomt van iemand die het moeilijk heeft, niet om mee te varen, maar om in te wonen?

Ik stel Trienko voor om de boot aan Danny te verkopen. Ik zeg hem dat ik oprecht denk, dat Danny goed voor het bootje zal zorgen. Lang hoeft hij niet na te denken. Het is goed, het geeft hem rust. Niet hijzelf, maar iemand anders voltooit zijn droom.

Dus organiseer ik een crowdfunding, zodat Danny de boot van Trienko kan kopen. Binnen een week is het geregeld. We spreken gedrieën in een koffietentje af. Eerst vertellen ze allebei over hun leven. Daarna schrijf ik een soort koopovereenkomst voor ze uit, die ze allebei tekenen. En ik ook, als getuige.

Ik geef Trienko de sleutel van de boot, zodat hij die aan Danny kan overhandigen. De mensen in het koffietentje zien dat er iets gebeurt. Het ontroert me. Het moment, de mannen, de droom, en dat deze mensen worden gezien.

Inmiddels heeft Danny de boot opgeknapt. En af en toe vaart hij met mensen die het moeilijk hebben, die het even nodig hebben om het hoofd leeg te maken. De mens op één.

Mw. Annemarie van der Vegt werkt namens Netwerk DAK in Groningen als straatpastor / geestelijk verzorger.


Ouderlingenblad 2026, nr. 9

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken