Het evangelie van vijandschap
‘God is terug’ klinkt het steeds vaker in de media. Maar welke God eigenlijk? Niet de God van de liefde, stelt filosoof Sjoerd Griffioen in zijn nieuwste artikel, maar een autoritaire, militante God. Dit godsbeeld wordt door radicaal-rechts omarmd en uitgedragen, niet alleen in Amerika maar ook veel dichterbij huis, en berust op een eenvoudige maar heel gevaarlijke tegenstelling tussen ‘vriend’ en ‘vijand’. Maar wat is er eigenlijk zo gevaarlijk aan deze tegenstelling en waarom dreigt ze het begrip ‘christendom’ uit te hollen?
“God is terug”. Dit is de titel van een aan religie gewijd themanummer van de Groene Amsterdammer (nr.18, 2025), dat geheel toepasselijk vlak voor kerst vorig jaar verscheen. Als men dit themanummer openslaat dan blijkt dat de ‘terugkeer van God’ zich niet alleen beperkt tot de bekering of religieuze outcoming van Nederlandse TikTok-influencers, voetballers of Hollywoodsterren, maar dat God – ofwel in bredere zin, religie – ook terug is in de westerse politiek.
De politieke wederkeer van (het idee) ‘God’ moeten we echter niet zien als beeld van verlossing, hoop en uitzicht op een betere wereld, maar als vaandel in de strijd tegen de vijand. Het is niet de God van liefde die is teruggekeerd, maar een autoritaire, militante God; het is dan ook niet voor niets dat Pete Hegseth, de Amerikaanse Minister van Oorlog (voorheen Defensie) en één van de machtigste mannen in de VS, prominent de kruisvaardersleus “Deus volt” (God wil het) op zijn arm heeft laten tatoeëren. Ben je blij met de verworven vrijheden van het westen? “Thank a crusader”, aldus Hegseth. En bij het militante Godsbeeld van de moderne kruistocht die Hegseth voor ogen heeft, past een absoluut vijandsbeeld: ook de Vijand is terug in de westerse politiek.
De politieke wederkeer van (het idee) ‘God’ moeten we echter niet zien als beeld van verlossing, hoop en uitzicht op een betere wereld, maar als vaandel in de strijd tegen de vijand
Wat het kerstnummer van de Groene laat zien, is dat er in westerse landen zoals Nederland een duidelijke lijn te trekken valt tussen enerzijds radicaal-rechtse ‘religieuze’ uitingen – denk aan kruisdragende anti-AZC demonstranten die “Christus rex” en “wij zijn Nederland” scanderen – en anderzijds het beroep op een min of meer exclusieve christelijke cultuur dat inmiddels gemeengoed is geworden onder gevestigde (centrum)rechtse partijen. Maar dát religie of specifiek het christendom wordt gebruikt als stok om ‘de vijand’ mee te slaan, of om ‘de ander’ mee buiten de deur te houden, is al bekend (hier schreef ik ook al eerder over). Wat mij nu vooral bezighoudt, is hoe het christendom ingezet wordt voor deze doeleinden en welke rol het beeld van ‘de vijand’ hierin speelt.
‘Christendom’ als betwist begrip
Twee dingen staan voor mij, als filosoof die zich bezig houdt met ‘christendom’ en ‘moderniteit’ als cultuurhistorische fenomenen, buiten kijf. Allereerst uitgangspunt nummer één: ‘het christendom’ is een betwist begrip, een onderwerp van voortdurende discussie over wat het precies is. Sterker nog, het is een “wezenlijk betwist begrip” (“essentially contested concept”), om de theorie van filosoof Walter Bryce Gallie aan te halen.1 Dit betekent dat de inhoud en de grenzen van het begrip niet vast staan en dat er altijd discussie zal zijn over hoe we het begrip precies moeten definiëren. Maar dat wil volgens Gallie niet zeggen dat alles geoorloofd is, ofwel dat elke interpretatie precies even aannemelijk is.
Het tweede uitganspunt is dat we niettemin een rationeel en constructief debat zouden moeten kunnen voeren (let op deze kwalificatie) over wat de juiste interpretatie is van het begrip ‘christendom’. Ook al zal dit debat geen definitieve conclusie kennen, het is wel mogelijk om binnen het debat verschillende kwalitatief hoogstaande interpretaties van overduidelijk slechte interpretaties te onderscheiden. Dit komt onder andere doordat de verschillende kampen in een discussie wel enige mate van overeenstemming kunnen bereiken over welke aspecten of elementen een grotere kans maken om tot de kern of essentie van het christendom gerekend te worden. Bepaalde versies van het protestantisme kunnen bijvoorbeeld ver verwijderd liggen van het katholicisme, maar als het goed is kunnen protestanten en katholieken elkaar wel vinden in de erkenning van bijvoorbeeld de tien geboden of de Bergrede als behorende tot de ‘kern’ van het christendom. (De rest van de discussie gaat dan over hoe we deze ‘kernelementen’ vervolgens moeten interpreteren, en over welke elementen er nog meer tot de kern behoren – en welke niet.)
In de situatie die Gallie beschrijft is het begrip ‘christendom’ wezenlijk betwist, “essentially contested”. Dat betekent dat het begrip inherent flexibel is en openstaat voor meerdere (redelijke) interpretaties. Maar het betekent niet dat het begrip volledig leeg is en dat het dus door elke interpretatie ingevuld zou kunnen worden. Sommige overduidelijk slechte of schadelijke interpretaties kunnen en zullen in zo’n soort meningsverschil direct verworpen worden door verschillende partijen. Dit gebeurt wanneer deze interpretaties simpelweg niet herkend zullen worden door de partijen als iets te maken hebbend met het ‘christendom’ – met name als deze interpretaties de ‘kernelementen’ miskennen, zoals de Bergrede, waar wel enige mate van overeenstemming over was.
Mijn stelling is nu dat ‘christendom’ de laatste tijd niet langer “essentially contested” is, maar een begrip dreigt te worden dat Gallie “radically confused” (“radicaal verward”) noemt. Dat wil zeggen dat er geen constructieve, rationele discussie meer gevoerd kan worden over de juiste interpretatie van het begrip. Hoe komt dit?
Evangelie van macht en haat
Het begrip ‘christendom’ is aan uitholling onderhevig, wat volgens mij verklaard kan worden door de rechts-autoritaire preoccupatie met ‘de vijand’. Het fenomeen dat ik voor ogen heb is kort aangekaart door politiek filosoof Theo de Wit in een interview in Trouw (14 oktober 2025). Wijzend op hoe politici als Wilders, Van der Plas en Baudet zich beroepen op religie, zegt hij:
“Het geloof wordt zo niet alleen geneutraliseerd maar gaat zelfs totaal het tegenovergestelde betekenen. … [V]an een traditie die van jezelf voortdurende uitleg en zelfreflectie vraagt, gaat het naar een cultureel identiteitskenmerk, en vooral een wapen tegen anderen, allereerst ‘vreemdelingen’. Godsdienst is in de politiek een identity marker geworden … vooral om te zeggen: wij zijn anders dan jullie.”2
Omdat rechtse politici het christelijk geloof gebruiken om een streep te trekken tussen ‘ons’ en ‘de vreemdeling’, kunnen ze moeilijk uit de voeten met een boodschap van liefde en zwakheid, suggereert De Wit. Dit maakt daarom plaats voor een boodschap van brute macht en zelfs van haat, waardoor de christelijke geloofsinhoud een radicaal andere, volgens De Wit ‘onchristelijke’, invulling krijgt.
Omdat rechtse politici het christelijk geloof gebruiken om een streep te trekken tussen ‘ons’ en ‘de vreemdeling’, kunnen ze moeilijk uit de voeten met een boodschap van liefde en zwakheid
In het artikel ‘Christelijk nationalisme in de VS’ (Groene) haalt Rutger van der Hoeven het theocratisch-rechtse Amerikaanse online tijdschrift The American Reformer aan. Hierin lezen we:
“Amerikaanse politiek beweegt zich richting de natuurstaat … In een natuurstaat worden geschillen beslecht door macht. Wij schrikken niet terug van deze realiteit. Het is onze plicht als christelijke mannen – echtgenoten, vaders, buren en Amerikanen – om macht te vergaren en te hanteren. Als dit je beangstigt, denk dan aan een wereld waarin alleen onze vijanden deze instelling hebben.”3
Om dit te parafraseren: ‘in een natuurstaat heerst alleen het recht van de sterkste. Om te overleven in zo’n toestand moet je sterk zijn. Als je dat niet bent, zal de vijand je doden. Het is dus onze plicht als christenen om de vijand te bestrijden voordat hij ons de kop inslaat.’ Wat hier gebeurt is dat de kwalificatie ‘christen’ alleen wordt gebruikt om een grens te trekken tussen wij en zij. Het wordt in feite zo betekenisloos als de kleur van de shirtjes tijdens een voetbalwedstrijd – alleen zou hier sprake zijn van een strijd om leven en dood.
Uitholling door vijandschap
Ik veronderstel dus dat deze tendens, de uitholling en verdraaiing van het ‘christendom’ als begrip, wordt gedreven door een intensivering van het vijandsdenken. In sommige gevallen is dit direct godsdienstsociologisch verklaarbaar. Het komt voor, bijvoorbeeld in de Amerikaanse situatie, dat wereldlijke, politieke opponenten (links, of de Democraten) in toenemende mate met de absolute vijand (Satan) worden geïdentificeerd. Als een politieke tegenstander een letterlijke handlanger van de duivel zou zijn, dan geldt het naastenliefdegebod of zelfs het vijandsliefdegebod niet meer, zou je kunnen zeggen. Maar deze identificatie gebeurt niet overal even expliciet. Als er sprake is van een ‘demonisering’ van de vijand, dan betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat de vijand letterlijk als duivels wordt afgeschilderd.
Wat hier aan de hand is kunnen we beter in een iets abstractere en meer filosofische zin vatten. De vijand krijgt zo’n centrale plek toegewezen in de gedachtewereld van religieus radicaal-rechts dat de preoccupatie met het vriend/vijand onderscheid al het overige doet vervagen. Om dit te begrijpen moeten we weer even (zoals ik in een eerder artikel al heb gedaan) te rade gaan bij de Duitse filosoof Carl Schmitt, de aartsvader van moderne ‘politieke theologie’ en een grote inspiratiebron voor talloze nieuwrechtse denkers. Volgens Schmitt is de vriend-vijand tegenstelling de essentie van politiek. Hij stelt dat andere soorten tegenstellingen – denk aan gelovig/ongelovig, westers/niet-westers – in de sfeer van de politiek getrokken worden, naarmate deze andere tegenstellingen beginnen te overlappen met de vriend-vijand tegenstelling. In zijn boek Het begrip politiek lezen we: “De onderscheiding van vriend en vijand is bedoeld om de uiterste graad van intensiteit van een verbinding of scheiding, van een associatie of dissociatie aan te geven.”4
De vijand krijgt zo’n centrale plek toegewezen in de gedachtewereld van religieus radicaal-rechts dat de preoccupatie met het vriend/vijand onderscheid al het overige doet vervagen
Nu is er een belangrijke kritiek op Schmitt van Karl Löwith (ook een filosoof) die relevant is voor onze doeleinden.5 Löwith merkt namelijk op dat zodra een bestaande tegenstelling, bijvoorbeeld gelovig-ongelovig, politiek wordt in een Schmittiaanse zin, dus zodra het overlapt met de vriend-vijand tegenstelling, deze eigenlijk zijn inhoud begint te verliezen. Hoe intensiever de strijd, hoe belangrijker het geacht wordt dat men optreedt tegen de vijand, hoe meer het inhoudelijke waarom of wat tegen de achtergrond verdwijnt, omdat alleen de strijd zelf alle aandacht opeist. Volgens Löwith is een Schmittiaanse politiek ten diepste nihilistisch: alle inhoud, alle normen en betekenissen worden opgeofferd in het existentiële gevecht met de vijand. Dit gebeurt doordatmen alleen op de vijand gericht is. Om terug te keren naar mijn eerdere punt: dit is dus de dynamiek die zorgt voor de uitholling van de begrippen waar de strijd om gevoerd wordt. Waar aanvankelijk het begrip het object is van strijd – de juiste interpretatie van ‘christendom’ bijvoorbeeld – wordt het nu slechts een wapen, waarvan de inhoud volledig bepaald wordt door het gebruik.
Licht en duister
Ik zal dit, tot slot, met twee voorbeelden illustreren. In Duitsland is het AfD (Alternative für Deutschland) druk bezig om zich het christendom toe te eigenen, in bewuste stellingname tegen de bestaande kerken. Op de website katholisch.de en in een artikel in Trouw van Ekke Overbeek (3 februari 2026) kunnen we lezen dat een AfD-voorman, Hans-Thomas Tillschneider, ‘echte’ christenen oproept om zich tegen hun kerken en de kerkleiding te keren. Toen bisschop Georg Bätzing opriep om niet op de “tweedrachtzaaiers” van het AfD te stemmen, reageerde Tillschneider: “Wie de duidelijke scheiding tussen waarheid en dwaling, tussen licht en duisternis, tussen het rechte pad en misleiding afdoet als tweedracht zaaien, is geen apostel van Jezus Christus, maar is door de duivel gestuurd.” 6 Termen als waarheid en leugen, licht en duisternis worden hier als synoniemen gebruikt voor vriend en vijand. De enige waarheid die geldt is dat dit onderscheid gemaakt wordt.
Dit is hetzelfde soort retoriek als wat in Amerika klinkt, zo merkt Overbeek ook op. Eén van de meest treffende en huiveringwekkende voorbeelden uit de VS is de toespraak van Stephen Miller, de rechterhand van Trump, bij de begrafenis van de pas vermoorde Charlie Kirk:
“Het licht zal het duister verslaan. We zullen zegenvieren over de machten van het kwaad. Ze kunnen het zich niet voorstellen wat ze hebben opgeroepen … het leger dat in ons is opgewekt. Want wij staan voor wat goed is, wat deugdzaam is, en wat nobel is. En zij die willen oproepen tot geweld tegen ons, die haat zaaien: wat hebben jullie? Jullie hebben niets, jullie zijn niets, jullie zijn kwaadaardigheid, jullie zijn jalousie, jullie zijn na-ijver, jullie zijn haat. Jullie zijn niets.”7
Om weer te parafrasen, het argument dat wordt voorgelegd komt ongeveer hier op neer: ‘wij zijn goed omdat zij slecht zijn; zij zijn slecht omdat wij goed zijn.’ Hier blijkt ook dat begrippen als ‘waarheid’ maar ook ‘liefde’ niet overboord worden gegooid maar dat ze worden uitgehold (of “geneutraliseerd”, in de woorden van De Wit)8 en in dezelfde circulaire logica ingevoegd: ‘wij staan voor waarheid omdat we het goede vertegenwoordigen; wij zijn goed omdat de waarheid aan onze kant staat.’ Of: ‘wij vertegenwoordigen de liefde tegen haat; wij haten de haters in naam van de liefde.’
“You are nothing”
Er gebeurt iets paradoxaals wanneer de obsessie met de vijand het politieke denken overneemt. Juist door alleen te focussen op de grens tussen wij en zij, vriend en vijand, vervagen inhoudelijke categorieën en betekenissen. Hiermee verdwijnen de morele normen of grenzen die ook voor ‘ons’, de ‘in-group’, zouden moeten gelden. Want in de strijd tegen de absolute vijand is immers alles geoorloofd, zeker haat en geweld. Maar doordat normen en begrippen aangepast worden aan identiteit, in plaats van andersom, raakt de identiteit zelf leeg. Het enige wat resteert, zo merkt Löwith op, is het ‘dat’ – dat men is, dat men niet de vijand is – ten koste van het ‘wat’, ‘waartoe’ of ‘waarvoor’ men is.
Nu is het een kunst om niet zelf in deze valkuil te trappen. Zelfreflectie speelt hier een belangrijke rol in: door kritisch de eigen identiteit onder de loep te blijven nemen, in plaats van het aan te nemen als een vastomlijnd, onomstotelijk gegeven, voorkom je een ‘reïficatie’ van je eigen gelijk. Kort gezegd: je identiteit zou moeten voortkomen uit bepaalde waarden en waarheden die je aanvaardt in plaats van andersom, dat je waarden voortkomen uit je identiteit. En daarmee moet kritiek zowel naar buiten als naar binnen zijn gekeerd. Als een norm alleen voor de ander geldt, alleen om een grens tussen wij en zij te trekken, dan ‘geldt’ deze eigenlijk niet in een morele zin; het wordt alleen een arbitraire scheidslijn.
Of misschien moeten we al te vastomlijnde concepties van zelf en identiteit überhaupt wat meer loslaten. Stephen Miller zei het al: “You are nothing”. Ligt er in zijn oproep tot niets-zijn niet eigenlijk een belangrijke boodschap verscholen?
Sjoerd Griffioen is docent aan de Faculteit Filosofie van de Rijksuniversiteit Groningen. In 2020 promoveerde hij op het Duitse secularisatiedebat, een filosofische polemiek over de relatie tussen moderniteit en christendom. Zijn onderzoek richt zich op de raakvlakken tussen politiek, religie en geschiedenis in moderne filosofie.
- Walter Bryce Gallie, ‘Essentially Contested Concepts’. Proceedings of the Aristotelian Society (1956), 56, 1: 167-198. ↩︎
- Jelmer Mulder, ‘Politici hebben het al jaren over de ‘joods-christelijke waarden’, maar zeggen niet wat ze ermee bedoelen’, interview met Theo de Wit. Trouw (14 oktober, 2025). ↩︎
- Josh Abbotoy en Nate Fischer, ‘The Return of Politics’, The American Reformer (31 mei, 2024). Eigen vertaling. Cf. Rutger van der Hoeven, ‘Christelijk nationalisme in de VS’, Groene Amsterdammer (18 december, 2025). ↩︎
- Carl. Schmitt, Het begrip politiek. G. Kwaad, vert. (Boom, 2001), p.63. ↩︎
- Karl Löwith, ‘Der Okkasionele Dezisionismus von C. Schmitt’, in: Gesammelte Abhandlungen (W. Kohlhammer Verlag, 1960). ↩︎
- Ekke Overbeek, De rechts-radicale AfD eigent zich het christendom toe, tot afgrijzen van de Duitse kerken, Trouw (3 februari, 2026). Cf. Karin Willschläger, ‘Frontangriff auf die Kirchen: AfD-Programm in Sachsen-Anhalt’, katholisch.de (7 februari 2026). ↩︎
- Stephen Miller, speech op begrafenis van Charlie Kirk. Geraadpleegd via de podcast Some More News (23 september, 2025). Eigen vertaling. ↩︎
- Zie ook: Theo de Wit, De onontkoombaarheid van politiek. De soevereine vijand in de politieke filosofie van Carl Schmitt (Katholieke Theologische Universiteit, 1992). ↩︎