Menu

Premium

Het visioen van Jezus’ transfiguratie

Bij Matteüs 17:1-9 en Exodus 24:12-18

De plaats die de evangelist aan het visioen van Jezus’ transfiguratie geeft, is van belang voor de uitleg ervan. De Heer staat op het keerpunt van zijn leven: zijn terugkeer naar Jeruzalem. De stad waarvan Hij later zal getuigen: ‘Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt, wie tot u gezonden zijn’ (Mat. 23,37). Nu schetst Hij voor het eerst de weg die Hij moet gaan, niet buiten lijden en dood om, om de verheerlijking, de opwekking door de Eeuwige, te ontvangen. Alleen op die weg is Hij ‘de Christus’, de titel die Petrus Hem kort tevoren in een dijk van een belijdenis gaf (Mat. 16:16).

Wanneer Petrus, als eerste, probeert Hem daarvan te weerhouden, krijgt hij als antwoord: ga áchter Mij in jouw navolging, in plaats van tegenóver Mij (16:23-24)! Dat uitgerekend Jeruzalem een deel van Jezus’ lijden blijkt te worden, valt de Heer zwaar. Juist een joodse gelovige kan het lijden van de Messias niet plaatsen. Daar gaat de Stem uit de wolk op in: ‘Hoort naar Hem!’ (17:5). Deze transfiguratie is de nieuwtestamentische tegenhanger van Exodus 24.

Een bekroning van de Messiasbelijdenis

De Heer neemt drie kroongetuigen mee de berg op. Drie intimi, getuigen van hoogte- en dieptepunten in Jezus’ leven. Petrus wordt na zijn afstraffing door zijn Meester niet gepasseerd. Zij waren getuigen van de opwekking van Jaïrus’ dochtertje; nu van Jezus’ komende glorie na Pasen, maar later ook van zijn gebedsworsteling in de hof van Getsemane. Jezus’ gedaanteverandering in dit visioen geeft hun even een blik op het glorieuze einde van de Via Dolorosa, een voorschot op Jezus’ opstanding. De symboliek is duidelijk: Mozes en Elia zien zij met Hem spreken. Jezus trekt de consequenties uit het onderricht van Tora en profeten. Het Eerste Testament loopt uit op de geliefde Zoon Gods. Petrus’ spontane belijdenis wordt hier bevestigd in Jezus’ ‘Paasgestalte’. Zij schouwen de luister van zijn toekomende heerlijkheid, die op het punt staat in onze wereld de gestalte van de lijdende knecht des Heren (de èbèd uit Jesaja 53) aan te nemen. Hij overziet hier, wetend van zijn lijdensweg, vanaf de berg wat achter en wat vóór Hem ligt. Dat zal een stralende toekomst zijn.

De Eeuwige zal bij ons wonen

Petrus wil dit overwinningsvisioen vasthouden, dat pas bij de doorbraak van Gods Koningschap wereldwijd (!) realiteit zal worden. De tent van God zal immers bij de mensen zijn, Hij zal onder ons wónen, zoals in de tabernakel op Israëls woestijnreis en in de tempel te Jeruzalem. Maar dat Rijk Gods is niet door ons te beperken tot een heuvel in Palestina. Net zomin als het christen-zijn geannexeerd kan worden door één zuil, één geloofsgemeenschap of één ideologie. Eén ding weten wij zeker: de kerk is het Koninkrijk van God niet en bréngt het ook niet op aarde. Wij hebben niets vast in handen, want zo schep je nog meer ongelijkheid tussen mensen. Het geruststellende liedje ‘Scheepje onder Jezus’ hoede’ zou ons het slot van die eerste regel kunnen doen vergeten: ‘met de kruisvlag hoog in top’, dat nou juist de identiteit en de opdracht van de kerk weergeeft. Het gaat Jezus om ‘állen die in nood zijn’ op te pikken. Maar die nood kun je niet ontkennen. De wereld wordt niet gered zonder ommekeer en crisis, zonder scheiding van goed en kwaad (krinein = oordelen). Onze wereld kan niet rechtlijnig overgaan in het Rijk van God.

Er is geen goedkoop Pasen

Na dit visioen heeft Jezus zijn weg nog te volbrengen, met alle risico’s van dien. Ook Petrus is er nog niet – evenmin als alle volgelingen van Jezus – door met de mond te belijden: Jezus is de Messias, de Zoon van God. Hij heeft, zijn belijdenis in praktijk brengend, dat met zijn leven moeten betalen. Mozes, Elia en Jezus (Tora, profeten en evangelie) als geloofsgetuigen hebben veel ongeloof en weerstand ondervonden. Alle drie kenden hoogte- en dieptepunten. Mozes en Elia kregen een godsverschijning, waarin de Eeuwige hun zijn glorie openbaarde. Maar dat betekende niet dat zij geen wanhoop meer kenden. Dat van deze grote drie zuilen van de kerk het graf nooit is gevonden, is symbolisch voor hun lévende aanwezigheid en invloed tot op vandaag.

Wanneer Jezus het drietal oplegt niet over dit visioen met anderen te spreken – Hij had zijn werk nog niet volbracht – houdt de Heer hun voor dat Elia al is verschenen als voorloper van de komst van de Messias, in de gestalte van Johannes de Doper. Jezus ervoer hem als een Elia, die ook niet ontkwam aan lijden vanwege zijn geloofsovertuiging. In Jezus’ gedaanteverandering wordt even een blik op zijn ‘Paasgestalte’ onthuld, daarna gaat zijn weg door lijden tot glorie.

Geloof en realiteitszin

Opvallend genoeg twijfelen de getuigen van Jezus’ glorie zelfs na dit gezicht nóg of Hij de Messias wel is. Vers 17,10-21 laat de twijfel en onmacht zien van gelovigen, die soms geen raad weten met de beloften van een vernieuwde wereld. Omdat zij steeds weer geconfronteerd worden met ziekte, ellende, dood en crisis, maar niet beseffen dat juist Jezus’ opwekking (Pasen) de dood ernstig neemt. En omdat welvarende gelovigen er niet áán willen los te laten wat hen, ook in eigen denken en doen, van de navolging van Christus afhoudt. Wie zelf met de voeten in de modder staat en afgestroopt wordt, ervaart dat aan den lijve. In de Veertigdagentijd voor Pasen is het zinnig stil te staan bij de dichter Dirck Raphaëlsz Camphuysen (1618), die ons voorhoudt:

Daer moet veel strijdts gestreden sijn;
Daer moet veel leets geleden sijn;
En veel gebedts gebeden sijn;
En Christelijke zeden sijn;
Soo lang wij hier beneden sijn:
Soo zal ’t hiernae in vreden sijn.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken