Menu

None

“Ik zoek geen Bunnikside-light in het geloof.”

Kees van Ekris over voetbal en geloof

Heilig gras, clubiconen, de hand van God – in de voetbalwereld barst het van de religieuze symboliek. Supporters zingen op zondag hun liederen, verlangen vurig naar een overwinning en danken het team na de weelde van drie punten. Bovendien lijkt er op het professionele veld ruimte te zijn voor ‘echte’ religie. We zien voetballers kruisjes slaan, het gras kussen en bezield omhoog wijzen na een doelpunt. In deze artikelserie leggen we voetbal en geloof naast elkaar: wat hebben ze gemeen en wat juist niet? Dit keer lezen we hoe Kees van Ekris als voormalig Theoloog der Nederlanden de Bunnikside van FC Utrecht bezocht.

Kom naar de Bunnikside

De eerste mail die ik als (voormalig) Theoloog der Nederlanden kreeg, kwam uit de voetbalwereld en was van Michel. Ik had tijdens de Nacht van de Theologie gezegd dat ik het komende jaar graag bij Ajax langs wilde gaan. Daar was veel gaande. Maurice Steijn, de nieuwe coach, was ontslagen, er was gedoe met de technisch directeur. De clubleiding had met bakken geld gesmeten en de geest van Johan Cruijff spookte rond in de burelen van de club. Een icoon van de Amsterdamse voetbalclub met de mythische naam Ajax, John van ’t Schip, wiens vrouw net op jonge leeftijd gestorven was aan kanker, werd gevraagd om coach te worden en de club te redden. Stel je voor: midden in een rouwproces doet jouw club een dringend beroep op je. Er was veel aan de hand in Amsterdam. De machten van geld, media, invloed en verraad, maar ook van traditie en mythologie, raasden door de club. De pastor, de theoloog en de voetballiefhebber in mij wilden daar graag een portret over schrijven.

‘Vergeet Ajax,’ schreef Michel. ‘Kom naar de Bunnikside van FC Utrecht. Ik kan je verhalen vertellen over hooligans en geweld, clubliefde en loyaliteit. Ik ken die verhalen van binnenuit.’

‘Vergeet Ajax,’ schreef Michel. ‘Kom naar de Bunnikside van FC Utrecht.’

Puur Utrechts

We spraken af in het restaurant van TivoliVredenburg, midden in Utrecht. Michel was herkenbaar aan zijn Utrecht-tatoeages. We waren allebei wat schuchter. Twee jongens uit heel verschillende werelden, met een heel verschillende komaf, die met elkaar een soort avontuur aangingen. Kun jij mijn wereld begrijpen en ik de jouwe?

Michel begon te vertellen. Het eerste wat me opviel in zijn verhalen was zijn tongval. En zijn humor. Allebei puur Utrechts. Beetje onderkoeld. Allergisch voor kapsones. Rechttoe rechtaan.

Traditie

Michel komt uit Utrechtse volkswijken. Als hij het woord neemt, komt de stad tot leven. Oprechte trots op de stad. Op de Dom, op Wijk C, op de geschiedenis, op de club, op de taal. ‘Er is geen plek waar ik me zo Utrechts voel als op de Bunnikside.’ Dat leerde ik al heel snel van Michel: liefde voor traditie. In het voetbal kun je FC Utrecht een Traditionsverein noemen. Een club met een traditie, met legendarische figuren en markante momenten. Ik kom uit een kerkelijke wereld waarin mensen besmuikt over hun eigen traditie kunnen doen. Ze schamen zich er vaak voor. Maar van Michel leer ik dat je een traditie kunt koesteren. Dat als je naar het stadion loopt, herinneringen naar boven komen over het moment dat Real Madrid hier speelde, bijvoorbeeld, en dat de Madrilenen 1-0 achterkwamen, en dat iedereen in het stadion even dacht dat Utrecht zou gaan winnen van die Goliath in het internationale voetbal.

Traditie is iets wat leeft, daar woon je in, dat is een levende herinnering. Je kunt nu in het stadion staan, en je ziet de zon wegzinken, de lichten van de stad gaan aan, je ziet de Dom in de verte, je bent met je vrienden, en je zingt een lied, over ‘Wij zijn de Bunnikside en wij gaan niet weg’, en dat dat magie is, pure magie. Dat je op dat moment even al je sores kwijt bent.

Maar van Michel leer ik dat je een traditie kunt koesteren

Buitenbeentje

Op zijn eigen manier vertelt Michel me zijn verhaal. Opgegroeid in een volkswijk, in een groot gezin. Een thuis waar diezelfde rauwheid aan de orde van de dag was. Altijd moeten opkomen voor zichzelf. ‘Ik was boos,’ vertelt hij me, ‘ik was klein en ik werd gepest. Eigenlijk overal een buitenbeentje. Ik zat vol frustratie. Vanaf mijn tiende stond ik op de Bunnikside.’ Vanaf zijn tiende. Ze zeiden tegen hem: ‘Wat er ook gebeurt, wij blijven naast elkaar staan. Al komt die hele Feyenoordbende op ons af, wij staan naast je.’ ‘Dat had ik nog nooit meegemaakt, dat gezamenlijke, dat voor elkaar opkomen,’ zegt hij me. ‘Het gaf me zelfwaarde en vriendschappen. Ik kon mijn boosheid kanaliseren in de woede van de Bunnikside.’

Ik luister ademloos naar hem. Een gevoel van familie, van saamhorigheid, van dezelfde humor. Je hoeft niets te zeggen. Wij tegen de rest. Dat vond hij daar. Ik kan me voorstellen dat dat een existentiële verademing gaf, een stabiliteit die hem kracht gaf en een soort betekenis.

Hooligans

Op advies van Michel lees ik het boek De rebellen van de Bunnikside. Het is een geschiedenis van volksjongens, van bendes in Utrechtse volkswijken die doordeweeks elkaar niet kunnen luchten of zien, maar die zich op zondag verenigen. De eerste georganiseerde en beruchte hooligangroep van Nederland. Verhalen vol trots, eer en onvoorwaardelijke vriendschap. Hoe langer ik met Michel praat, hoe scherper ik zie hoe diep dat gaat. Het verhaal raakt een existentiële laag in me, het gaat over acceptatie en herkenning die sterker kunnen zijn dan enige religieuze binding. Misschien ís het religieuze binding?

De verhalen zijn ook gewelddadig. Michel zat er middenin. Hij vertelt me hoe omvattend het kan worden, deze clubliefde, deze onvoorwaardelijke verbondenheid. Dat je in dwingende gevoels- en gedragspatronen terecht kunt komen zonder dat je het zelf doorhebt. Je kunt jezelf ook verliezen, zo hoor ik hem zeggen. De mythe van de club kan ook een macht worden die sterker is dan jij. Die je doen en laten bepaalt. Ook de mythe eist navolging.

De mythe van de club kan ook een macht worden die sterker is dan jij

Navolging

Dat kan ver gaan. Je kunt iemand op je werk die voor Ajax is simpelweg negeren. Gewoon geen woord tegen zo iemand zeggen. Een soort haat voelen. Je leven richt zich elke dag helemaal op de club, de hele week door. ’s Morgens gelijk checken of er nog clubnieuws is. De hele week staat in het kader van het weekend. Op vrijdag en zaterdag al wat opgefokter raken. De indrinkrituelen, met de opzwepende muziek die je draait om in de mood te komen. En dan de climax van de week, winnen of verliezen, vechten, soms jezelf te buiten gaan, sowieso verbaal en als het moet met je vuisten. Op maandag ben je kapot, je moet anderhalve dag bijkomen. Het is week in, week uit een dwingende cadans. Voor je het weet ben je jezelf kwijt.

Kyrie

Je merkt wel, aan hoe ik het opschrijf, dat ik ter plekke veel leerde. Je kunt erover lezen in de krant, en er allerlei meningen over hebben, maar als je de tijd neemt om iemand te leren kennen en de verhalen te beluisteren van binnenuit, is dat wezenlijk anders. Je begrijpt, op de een of andere manier, dat het zo werkt en dat het zo kan gaan in je leven.

Wat me ontroert is de rauwheid. In de kerk gebruiken we de taal van het kyrie, van de roep om ontferming. Misschien is het wel zo dat je in allerlei manifestaties in onze cultuur, ook in rauwheid, protest en grofheid, een soort kyrie kunt horen? En wat zou het een verrijking voor de liturgie zijn wanneer we die rauwheid in ons kyrie durven te verwoorden. De moeizaamheid van het bestaan, het alleen-zijn, het soms langdurig moeten tobben zonder een steek verder te komen. De vergeefsheid, de haat naar wie jou kleineert. Wat zouden veel mensen geholpen zijn, ook mensen die hun pijn stileren of ontkennen, om explicieter de vermoeienis van het bestaan te benoemen en te uiten tot God. Staat zulke taal niet ook in de psalmen? Bij de Bunnikside leer ik de kracht van het kyrie.

Bij de Bunnikside leer ik de kracht van het kyrie

Loyaliteit

De loyaliteit raakt me. Er kan een levenslange verbinding ontstaan, doordat je iets ontvangen hebt van een club, iets wat van levensbelang voor je was. Zijn het niet vormen van gemeenschap, van opkomen voor elkaar, waar een kerk ook van kan leren? Of is het te tribaal, en is de kerk wezenlijk anders? Dat kan ook.

Maar dat zullen we dan helder moeten maken, dat de doop een andere verbinding is dan die van het bloed, en dat de liturgie een andere toonsoort heeft dan een clublied. En dat het bloed je weliswaar dieper raakt en sneller kolkt dan de doop, maar dat we in de kerk niet de band van het bloed vieren, maar de band door de doop leren. En dat de doop ook bloedbanden kan doorbréken.

Dat leerde Michel me namelijk ook, het besef dat je in al dit waardevolle van vriendschap en clubliefde jezelf kwijt kunt raken. Dat je iemand kunt worden die je niet wilt zijn. Als ik het in dit essay heb over de macht van de mythe, dan bedoel ik ook dit. Hoe de mythe van je club en van de Bunnikside je iets wezenlijks kan geven, je leven kracht kan geven, hoe ze je kan betoveren. Daarmee kan een werkzame macht in de mythe meekomen die sterker is dan jij, die een religieuze dimensie heeft, die je onbereikbaar kan maken.

Stadion Galgenwaard
(bron: Wikimedia Commons)

De mythe

De mythe kan geweld legitimeren en heroïseren, ze kan je verharden en vervreemden, tribaal maken. En dat geldt voor sport, maar evenzeer voor andere terreinen in onze cultuur waarin mythische krachten voelbaar zijn en werkzaam. Op de ene plek gebeurt die mythische verblinding rauw en volks, op een andere plek gedistingeerd, academisch en chic, en weer ergens anders ideologisch, nationalistisch of politiek. Maar als een mythe beslissende kracht in het leven krijgt, kun je dingen gaan vinden en dingen gaan doen, die anderen en jezelf schade toebrengen.

Hoogmoed

Ik ben een sportliefhebber; zowel passief als actief. Altijd geweest. Voetbal, tennis, wielrennen, atletiek. En eerlijk gezegd beleef ik dat ook zo, dat de vreugde van het geloof door kan werken in de vreugde van het spel en de beweging. Als Michel en ik over voetbal praten, herkennen we bij elkaar dat plezier. Maar juist als je over de goede verhoudingen leest tussen cultus en cultuur, krijg je ook enig gevoel voor de wanverhouding die kan ontstaan.

Antoine Bodar schrijft daar ook over. Over de adoratie voor de mens die kan ontstaan in de sportbeleving en de hoogmoed. Dat in de sport de mens gevierd wordt, als een held, en dat idolen kunnen ontstaan en idolatrie. Dat de club heilig kan worden en levensbepalend. Dat het gewone leven daardoor als vervelend beleefd kan gaan worden, leeg, en dat de kick uit de sport gehaald moet worden. En dat die kick bedwelmend kan gaan werken en dat het zwaartepunt van je leven, de metafysische magneet van je leven in de sport komt te liggen. En dat de machten van geld, commercie en invloed dat aanvoelen, dat mensen daar raakbaar zijn, en dat die machten zo groot kunnen worden dat het spel kapotgemaakt wordt en de mensen uitgeput raken.

Daar zouden we het ook over moeten hebben, over het geweld tegen het lichaam dat in de topsport gebeurt. En over het geld. Je wilt niet weten welke bedragen topvoetballers wekelijks krijgen en hoe groot de druk op het spel is geworden. Het spel is geen spelletje meer, maar ernst, soms zelfs een laatste ernst. Sport kan een verlossende dimensie krijgen. De religieuze taal is tastbaar aanwezig in de sportwereld en ik neem die taal serieus.

Sport kan een verlossende dimensie krijgen

Rehobothkerk

Op een zondag in december hebben Michel en ik afgesproken om een hele dag samen op te trekken. We gaan eerst naar de kerk van Michel, de Rehobothkerk in Utrecht. Het is advent. Michel wacht me op bij de ingang. Hij heeft zijn FC Utrecht-shirt al aan. We zitten naast elkaar. We zingen adventsliederen. We luisteren naar een sterke preek uit Micha. Ik geniet enorm. En ondertussen smoest Michel me dingen toe. Dat hij kinderwerk heeft gedaan in de kerk en dat hij dat mooi vond om te doen. Dat hij van het gereformeerde houdt. Hij blijft me verbazen: hij houdt van het gereformeerde! ‘Ik had een rumoeriger kerk bij jou verwacht,’ zeg ik hem. ‘Als ik lawaai wil,’ zegt hij me droog, ‘dan ga ik wel naar de Bunnikside, daar is lawaai genoeg. Ik zoek geen Bunnikside-light in het geloof, ik zoek juist iets wat anders is. Ik gedij juist bij deze verstilling.’

Hij vertelt me over de coronaperiode, hoe moeilijk die was. En later, over de ziekte van zijn man, Kees, aan wie hij zeer verknocht is. En dat hij zocht naar een gebedsritme dat hem staande hield in die tijd. ’s Morgens een psalm lezen, stil zijn en schrijven. En dat hij Etty Hillesum graag leest. Michel is een denker, en heeft een sterk contemplatieve kant. En ik realiseer me opnieuw hoe gelaagd wij mensen zijn en dat het dom is om te denken in etiketten van seculier, volks, academisch of hooligan, van gereformeerd of gefrustreerd. Dat een mens zoveel meer is dan die makkelijke typeringen.

Rehobothkerk in Utrecht
(bron: Wikimedia Commons)

Humor

Michel vertelt me dat hij op zoveel plekken in zijn leven ‘anders’ is. Ooit was hij anti-gelovig, en nu gelooft hij. Hij is homoseksueel in een wereld van rauwheid. Op de Bunnikside hoort hij er helemaal bij en is hij tegelijkertijd anders dan de anderen. Toen hij tot geloof gekomen was, en daar ook op Facebook uiting aan gaf, en hij daarna voor het eerst naar FC Utrecht ging, zei iemand: ‘Ben je vandaag over het water komen lopen, pik?’ En daarmee was het goed.

Humor als brug en acceptatie. In de kerk is hij weer op een andere manier anders. Maar hij kan dat hebben. Hij kan van allerlei plekken de kracht zien en de waarde, en hij kan steeds meer op al die plekken zijn wie hij wil zijn. En het geloof in Christus hoort daar wezenlijk bij.

‘Ben je vandaag over het water komen lopen, pik?’

Voetballiturgie

Na de kerk eten we samen en ’s middags neemt Michel me mee naar het stadion. We gaan eerst naar het supportershome. Hij stelt me voor aan vrienden. Ondertussen attendeert hij me op dingen, stel ik mijn vragen en hoor ik het eerste gezang van de tribunes. ‘We komen uit ’t stadsjie, uit ’t midden van het land. Geen vliegveld of een haven, maar gewoon de Ouwe Gracht. En zondag is ons daggie, we spelen goed of slecht. Maar dat kan ons niet boeien. Wij zijn trots op Utrech’.’ Mooi, die liefde voor de zondag: ‘Zondag is ons daggie.’

Wat ik hoor is liturgie, met dit clublied als introïtus. Een portret van David di Tomasso in het supportershome valt me op. De Franse Utrecht-speler stierf op 26-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Een soort Bas Dost-moment, maar dan thuis in bed. Hij overleefde het niet. Het supportershome is naar hem genoemd, nummer 4, zijn rugnummer, wordt door niemand meer gedragen, dat is van Di Tomasso. Zijn vrouw deelde nog jaren na zijn dood de prijs uit voor de beste Utrecht-speler van het seizoen. Ontroerend, die tradities, dat eren van mensen en de niet weggemoffelde dood. Ik kan me voorstellen dat je je hier thuis voelt. Dit is een atmosfeer waar je je aan hecht.

Ontroerend, die tradities, dat eren van mensen en de niet weggemoffelde dood

Sport als God

Is sport een van de ‘vervangingen van God’, zoals Terry Eagleton het beschreef? Want inderdaad, sport is zoals hij schrijft een wereld met ‘sacred icons, revered traditions, symbolic solidarities, a liturgical pantheon of heroes, opium of the people, filled with myths for the masses’ (vertaald: een wereld met heilige iconen, met eervolle en ontzagwekkende tradities, met solidariteit vol symboliek, met een liturgische galerij van helden, met opium voor mensen, met mythes voor de massa, dat is de mythische kracht van sport).

Dat is inderdaad wat ik zie: iconen, solidariteit, gemeenschap, liturgie, climax, helden, betovering, betekenis, massale verbondenheid. Eagleton noemt dit ‘moderne mythologie’. Na de ‘dood van God’ is de leegte en de zinloosheid, die Nietzsche onder ogen wilde zien, amper te verdragen. En dus zoeken westerse mensen rituele, mythische, bezielende vervangingen van God.

Intrigerend genoeg was de openingsscène van het grootste sportevenement ter wereld, de Olympische Spelen, in 2024 in Parijs, expliciet mythologisch geladen. De creatief directeur van de openingsscène, Thomas Jolly, voerde Dionysius ten tonele; de Griekse god van extremen, metamorfosen, grensoverschrijdingen en extase. Volgens Thomas Jolly kun je het genie van de Spelen en de persona van zijn westerse cultuur goed verbeelden via de mythische god Dionysius.

Sport is dus geladen met religieuze verbeelding en intuïtie, op allerlei niveaus. Is het die mythische laag die ook zorgt voor een bepaalde betovering, soms zelfs hypnotisering? Raakt sport een religieus-instinctieve laag? Is het daarom dat mensen zingen, deelnemen, regeneratio zoeken, helden vereren, vloeken en vechten? Is sport een enscenering, een visualisering en een herleving van religieuze intuïties?

Sport is geladen met religieuze verbeelding en intuïtie, op allerlei niveaus

De magie van het evangelie

Als ik afscheid neem van Michel, besef ik hoeveel ik van hem geleerd heb en hoe gesteld ik op hem ben geraakt. Ik heb iets geleerd over de krachten die een biografie voortstuwen, over zoeken en vinden. Over de kracht van vriendschap, het plezier van het spel en de liefde voor je club en je stad. De allure van tradities, legendarische verhalen en van iconische mensen die iets in je zagen. Over anders durven zijn en over eigenzinnigheid. Sport kan allerlei instincten in mensen raken en activeren, leerde ik. Maar ik zag ook hoe het evangelie een mens in een ander symbolisch bewustzijn trekt, met andere krachten en iconen. Dat leerde ik van Michel: de magie van het evangelie op z’n Utrechts.

Dit artikel is een bewerkte versie van het hoofdstuk ‘Zondag is ons daggie’ uit De magie van het geloof van Kees van Ekris.

Kees van Ekris (1972) is theoloog en podcastmaker. Hij is scriba van de Protestantse Kerk in Nederland en is nauw betrokken bij de veelbeluisterde podcasts Eerst Dit, Dit dus en Moderne Profeten, die de IZB samen met de EO ontwikkelde. Van Ekris was een jaar lang Theoloog des Vaderlands. In die rol schreef hij het boek De magie van het geloof.

Meer lezen over voetbal en geloof?

Cover van Gakpo

Lees ook deze artikelen


Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand. 

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken