Knecht
slaaf, slavin, heer
In onze taal zijn woorden als ‘slaaf en ‘knecht’ in hun concrete betekenis langzamerhand in onbruik geraakt. In de vorige eeuw werd de slavernij officieel afgeschaft. Overigens betekent dat niet dat dergelijke mensonterende toestanden volledig uit de wereld zouden zijn gebannen. Soms bevatten kranten en tijdschriften berichten over onmenselijke omstandigheden in vooral ontwikkelingslanden die aan slavernij doen denken. In vroeger tijden was het woord ‘knecht’ niet ongebruikelijk. Een boer had zijn knechts. Hij was hun ‘heer’ of baas en zij voerden zijn bevelen uit. In andere beroepen kwamen soortgelijke rangen en standen voor. Wie op een kantoor werkte, begon zijn loopbaan als ‘jongste bediende’. In sommige ambachten was het een eer en een blijk van waardering wanneer men promoveerde tot ‘meesterknecht’. Heden ten dage zijn rangen en standen niet geheel uit de samenleving verdwenen, maar ‘knechten’ lopen niet meer rond op boerderijen en in fabrieken. We hebben andere woorden gevonden om aan te duiden welke plaats iemand inneemt in de hiërarchie van een bedrijf. Knechten zijn medewerkers geworden. Maatschappelijke ontwikkelingen veranderen de taal. De woorden ‘knecht’ en ‘slaaf zijn (nog?) niet uit onze woordenschat verdwenen. Hun zinnebeeldige betekenis is op de voorgrond getreden: een volk wordt geknecht (onderdrukt); mensen kunnen verslaafd raken aan lezen, musiceren, sporten of minder onschuldige zaken als alcohol en verdovende middelen.
Grondtekst
Het Hebreeuwse woord ‘èvèd komt bijna 800x in het Oude Testament voor en kan zowel ‘knecht’: bediende, ondergeschikte, ook vertrouweling (Gen. 14:15; 40:20; 41; 12; 1 Sam. 29:3; etc.) betekenen als ‘slaaf: lijfeigene (Gen. 12:16; Ex. 20:17; Deut. 23:16; Jes. 24:2; etc.). Voor ‘slavin’ heeft het Hebreeuws het woord ‘amah (Gen. 21:12; Ex. 20:10-32; Lev. 25:6,44; Deut. 5:14; 12:12,18; 15:17; 16:11,14; etc.).
In vrijwel alle nieuwtestamentische geschriften is het Griekse woord voor slaaf of knecht (doulos) te vinden. Het heeft zowel een concrete (Mat. 8:9; 21:34-36; 22:3-10; etc.) als zinnebeeldige betekenis (Rom. 1:1; Gal. 1:10; Fil. 1:1; etc.). Slechts driemaal komt doulè (slavin, dienstmaagd) voor in het Nieuwe Testament (Luc. 1:38,48; Hand. 2:18).
Letterlijk en concreet
a.Voor de hedendaagse lezer(es) van de bijbel is het wellicht een vreemde ontdekking, maar in de gehele oud-oosterse wereld was slavernij een volstrekt normaal verschijnsel. Dat geldt ook voor de tijd waarin de bijbelse geschriften ontstonden. In het Oude noch in het Nieuwe Testament staan pleidooien voor afschaffing van de slavernij. Wel zijn er allerlei bepalingen die er voor moeten zorgen dat ook het leven van slaaf, slavin of knecht beschermd wordt en een menswaardig karakter kan krijgen. Zo hebben de geboden met betrekking tot de rust op de sabbat ook aandacht voor hun positie: ‘Dan zult u geen enkele arbeid verrichten: uzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, evenmin als de vreemdeling die bij u woont’ (Ex. 20:10). In het boek Deuteronomium staat nog een extra zinnetje: ‘Dan kunnen uw slaaf en uw slavin uitrusten, evenals uzelf (Deut. 5:14).
b.Slaven en slavinnen waren er ook in de tijd van het Nieuwe Testament. Waarschijnlijk bestond zelfs meer dan de helft van de bevolking in het Romeinse Imperium uit mannen en vrouwen die afhankelijk waren van hun ‘heer’. Overigens dient hierbij wel een kanttekening te worden geplaatst. Ook onder slaven bestonden in die tijd rangen en standen. Het leven van de meesten beantwoordde vermoedelijk aan het beeld dat wij over het algemeen van het slaven-bestaan hebben: hard werken als lijfeigene voor een Heer of baas die alles over hem/haar, zijn bezit, te zeggen heeft. Niet alle slaven sleten echter zo hun leven. Sommigen droegen grote verantwoordelijkheden. Ook zij waren lijfeigenen, maar dat verhinderde niet dat zij in opdracht van hun Heer op reis gingen om in andere steden belangrijke handelscontracten af te sluiten.
c.Tegen die achtergrond moet Paulus’ brief aan Filemon gelezen worden. Tijdens zijn gevangenschap in Efeze ontmoette hij Onesimus, een slaaf van eerder genoemde Filemon (vs. 10). Vaak wordt verondersteld dat deze is gevlucht en dan lijkt het buitengewoon hardvochtig dat Paulus hem weer terugstuurt naar zijn Heer. Een passage uit de brief werpt een ander licht op de zaak: ‘En mocht hij u schade hebben berokkend of iets schuldig zijn, zet het dan maar op mijn rekening… ‘ (vs. 18). Vermoedelijk heeft Onesimus, een belangrijke slaaf, bij een transactie zijn Heer, Filemon, benadeeld. Om die reden is hij, in afwachting van zijn veroordeling, in de gevangenis opgesloten. Daar leerde hij Paulus kennen en werd overtuigd door diens prediking. Dat feit bood Paulus de mogelijkheid een goed woord te doen voor Onesimus bij zijn Heer, Filemon, die al tot de gemeente van Jezus Christus behoorde: ‘Maar ik wil niets doen zonder uw instemming, opdat uw goedheid niet afgedwongen maar spontaan is. Misschien was dat wel de reden waarom hij een tijdlang bij u weg is geweest: dat u hem voorgoed terug zou krijgen, niet meer als slaaf, maar als veel meer dan een slaaf: als een geliefde broeder, speciaal voor mij, en des te meer voor u, als mens en als christen’ (vs. 14-16).
Beeldspraak en symboliek
a.De woorden ‘knecht’ en/of ‘slaaf’ hebben op tal van plaatsen een bredere betekenis gekregen: onderdaan, ondergeschikte, gevolmachtigde en vazal (Gen. 44:18; 1 Sam. 17:32; 22:15; 2 Sam. 10:9; 1 Kon. 18:9; 2 Kon. 8:13; 18:24).
b.Bovenstaande profane betekenissen beïnvloedden godsdienstige voorstellingen. Mensen beschouwden zichzelf als ‘knecht van de Heer’ en wendden zich tot God met hun noden, zorgen en vreugden. Ze wisten zich als ‘een knecht’ afhankelijk van hun Heer (Ps. 34:23; 69:18; 123:3). In de geschiedenis van het volk Israël hebben verschillende personen de eretitel ‘knecht van de Heer’ gekregen: zoals de aartsvaders (Gen. 26:24); Mozes (o.a. Deut. 34:5); Jozua (Joz. 24:29); Job (Job 1:8); de koningen (2 Sam. 13:18); de profeten (1 Kon. 18:26). Ieder op een eigen wijze – en met het oog gericht op tijd en omstandigheden – traden zij op in dienst van God. Het is dan ook minder vreemd dan het op het eerste gezicht wellicht lijkt dat zelfs de Babylonische koning Nebukadnessar die titel – eenmaal! – kan krijgen (Jer. 27:6).
c.In het boek van de anonieme profeet die aan het einde van de Babylonische ballingschap leefde – Deuterojesaja of de Tweede Jesaja -krijgt de titel ‘knecht van de Heer’ een bijzondere betekenis. In heilsaankondigingen wordt hij op het volk Israël betrokken (Jes. 41:8-9; 44:12,21; 45:4; 48:20); terwijl in een viertal perikopen op een specifieke manier over ‘de knecht van de Heer’ wordt gesproken (Jes. 42:1-4; 49:16; 50:4-9; 52:13-53:12) – in de wetenschappelijke literatuur staan deze teksten bekend als ‘de liederen van de knecht van de Heer’. Wie concreet met deze aanduiding wordt bedoeld, is omstreden. Voor de hand ligt om ook in dit geval in de eerste plaats aan het volk Israël te denken. Met name de inhoud van de laatste perikoop compliceert de zaak. In Jesaja 53 is de knecht van de Heer vooral de lijdende Knecht: ‘Hij heeft onze ziekten op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd. Hij werd doorstoken vanwege onze opstandigheid, vanwege onze zonden werd hij gebroken. Hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dankzij zijn striemen is er genezing voor ons… ‘ (Jes. 53:4-5).
In de christelijke traditie zijn deze woorden met het plaatsvervangend lijden en sterven van Jezus in verband gebracht: hij was de lijdende Knecht van de Heer (o.a. Hand. 8:32-33; Rom. 4:25; Kol. 2:15; 1 Petr. 2:21-25). Joodse schriftgeleerden kozen voor een collectieve betekenis: de figuur van de lijdende knecht symboliseert de lijdensgeschiedenis van het joodse volk door de eeuwen heen.
d.Verschillende schrijvers van brieven in het Nieuwe Testament noemen zichzelf nadrukkelijk ‘slaaf van Christus’ (Rom. 1:1; Gal. 1:10; Fil. 1:1; Jak. 1:1; 2 Petr. 1:1; Judas 1:1).
e.Van bijzondere betekenis is de volgende passage uit een van Paulus’ brieven: ‘Want u bent allemaal kinderen van God door het geloof, in Christus Jezus. Want allemaal bent u in Christus gedoopt, met Christus bekleed. Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: u bent allemaal één in Christus Jezus’ (Gal. 3:26-28). In deze tekst doet de apostel een verrassend revolutionaire uitspraak: in de doop worden alle grenzen die mensen gescheiden houden principieel opgeheven.
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 7; 19; 31; 34; 66; 81; 86; 89; 113; 118; 119; Gezang 26; 39; 42; 45; 68; 70; 97; 147; 150; 485; Bijbel II: 14; III: 9; Eerste: 4; 9; Eva I: 7; 42; II: 1; Evangelie II: 45; III: 43; 44; Geroepen: 202; Gezegend: 113; Honderd: 31; 34; Liederen: 58; 62; Zingend I-II: 32; 51; 270; IV: 17; V: 17; Zleven: 34.
b.Poëzie:
Hans Bouma, Mijn God, Kampen 1997, blz. 7: ‘De Heer die knecht is’. Huub Oosterhuis, Levende die mij ziet, Kampen/Tielt 1999, blz. 94: ‘Jezus Dienstknecht’. A. Roland Holst, Voorlopig, Amsterdam 19762, blz. 49-50: ‘Christus en Jezus’. Gabriël Smit, Gedichten, Bilthoven 1975, blz. 67-70: ‘De maagd’.
c.Verwerking:
Wij noemen een aantal begrippen (waarin allerlei thema’s liggen verborgen): kinderarbeid, dictatuur, vluchteling, armoede, ondergeschiktheid, onrecht, afhankelijkheid, verslaving, onderdanigheid, geweld, racisme. Elk woord roept concrete situaties op in onze wereld. We vragen naar een eventuele relatie tussen het bijbelse begrip knecht (slaaf, slavin, heer) en de hier opgesomde begrippen, die allemaal een negatieve lading hebben. Vervolgens gaan we op zoek naar mogelijke positieve kanten van het begrip knechtschap, dat juist haaks staat op die negatieve zaken. Kunnen wij vandaag nog uit de voeten met de positief gevulde woorden knecht en dienstmaagd? Welke meer eigentijdse woorden staan ons ter beschikking om hetzelfde tot uitdrukking te brengen?
Verwijzing
Het bijbelse woord knecht toont verwantschap met ‘koning‘ en ‘offer‘.