Menu

Premium

Liefde

Geloofstaal & cultuurtaal

Het woord ‘liefde’ heeft een heel breed betekenisspectrum. Met name gebruiken we het voor de blijvende gevoelens van diepe genegenheid tussen man en vrouw. Daarnaast kunnen we er zowel verheven blijken van medemenselijkheid, als – om iets heel anders te noemen – betaalde seks mee aanduiden. Ook komen we het woord tegen in woordcombinaties als moederliefde, vaderlandsliefde, clubliefde en dierenliefde. Kortom, het ene woord ‘liefde’ kent net zoveel nuances als er soorten relaties zijn.

Wat precies onder liefde verstaan moet worden, is niet zo gemakkelijk te zeggen. Enige bekendheid geniet de cartoon ‘Liefde is ‘Liefde is … zijn stinksokken in de was doen.’ ‘Liefde is . haar laten autorijden.’ Blijkbaar is het makkelijker om van liefde een concreet plaatje te geven, dan een algemene omschrijving.

Binnen het christelijk geloof geeft geen ander woord zo kernachtig aan hoe God is en wat Hij van de mens vraagt. ‘God is liefde’ en wat Hij van de mens vraagt, wordt samengevat in het zogenaamde ‘dubbelgebod der liefde’.

Woorden

De Hebreeuwse woordstam voor ‘liefde’ en ‘liefhebben’ is ahav. Deze woordstam heeftnet zo’n breed betekenisspectrum als zijn Nederlandstalige evenknie (zie achtereenvolgens Gen. 25:28; Ps. 78:68; Pred. 5:9 en Hgl. 2:47).

In de Septuagint wordt ahav in verreweg de meeste gevallen vertaald met agapè (liefde) en agapan (‘liefhebben’). Dit verdient bijzondere aandacht, omdat vaak gesteld wordt dat de betekenis van agapè een heel andere is dan die van eroos (‘hartstochtelijke liefde’) en philia (‘vriendschap’). Agapè zou aanduiding zijn van de ‘typisch bijbelse’, de onbaatzuchtige liefde. Gegeven het woordgebruik in de Septuagint kan deze stelling onmogelijk volgehouden worden.

In het Nieuwe Testament wordt agapè voor ‘liefde’ en worden agapan en philein voor ‘liefhebben’ gebruikt. Deze laatste twee woorden hebben geen aantoonbaar verschil in betekenis. Evenmin is met agapè per definitie de ‘onbaatzuchtige liefde’ bedoeld. Mensen kunnen ook ‘de duisternis’ (Joh. 3:19) of ‘de tegenwoordige wereld’ (2 Tim. 4:10) liefhebben. De context waarbinnen agapè en agapan voorkomen, bepaalt hun betekenisnuance.

Betekenis in context

Oude Testament

De liefhebbende mens

Het Oude Testament is geen encyclopedie waarin het fenomeen ‘liefde’ behandeld wordt. Toch levert het een compleet plaatje van ‘de liefhebbende mens’.

Enerzijds kan de liefde het leven op zijn mooist kleuren. In bijvoorbeeld de bruiloftsliederen van het Hooglied wordt de liefde tussen man en vrouw in alle toonaarden bezongen. Tot in het spannendste en intiemste detail verwoorden bruid en bruidegom de aantrekkingskracht die zij op elkaar uitoefenen (zie Hgl. 4:1-5:1). Hieruit spreekt een uiterst positieve waardering van de – ook lichamelijk beleefde – liefde. Deze ligt in het verlengde van wat we in Genesis 1:27, 28 en 2:18-25 over de schepping van man en vrouw lezen. Het Hooglied kan daarom getypeerd worden als een uitbundige voortzetting van het allereerste liefdeslied dat de mens zong (Gen. 2:23).

Anderzijds kan de wijze waarop mensen liefhebben diepe schaduwen over het leven werpen. De liefde van Isaäk gaat door de maag en daarom gaat zijn voorkeur naar Esau uit (Gen. 25:28). Michal krijgt David lief (1 Sam. 18:20) en handelt daarnaar (1 Sam. 19:11-13), maar later veracht zij hem (2 Sam. 6:16). Amnon krijgt zijn halfzus Tamar lief, maar na haar verkracht te hebben, krijgt hij een zeer hevige afkeer van haar (2 Sam. 13:1 en 11-15). Salomo ten slotte heeft zijn vele vrouwen dusdanig lief, dat hij zich door hen tot afgoderij laat verleiden (1 Kon. 11:1-2).

Al met al biedt het Oude Testament een onthullend en onthutsend beeld van de liefhebbende mens. Hij is bepaald geen lieverdje. Zijn ‘liefde’ heeft een slecht geheugen en nauwelijks enig uithoudingsvermogen. Groeps-en eigenbelang bepalen zijn (of haar) voorkeuren. Duistere driften kunnen zijn hartstochten regeren. Zelfs kan de liefde een macht worden die iemand in bezit neemt en in het verderf stort.

ïk ben God en geen mens’

Herhaaldelijk spreekt het Oude Testament over de liefde van God voor zijn volk (zie o.a. Deut. 4:37; 7:8vv; Jer. 31:3). Met name Hosea geeft een helder zicht op het eigene van Gods liefde. Hij gebruikt daarvoor enkele sprekende beelden, die dankzij hun herkenbaarheid Gods liefde heel dichtbij brengen. De beeldspraak van Hosea 1-3 wordt beheerst door die van de relatie tussen man en vrouw. Alleen al deze beeldspraak is veelzeggend. God heeftgeen zakelijke relatie maar een liefdesrelatie met zijn volk. Hij is uit op een gelukkig huwelijk, waarin de liefde van beide kanten komt. (Terecht zijn daarom vanouds de brui-lofstliederen van het Hooglied allereerst toegepast op de relatie tussen God en zijn volk.) In Hosea 2 richt de Here zich tot de kinderen van zijn volk. Hij klaagt hun moeder aan. Zij is een hoer, want ze heeft Hem, haar rechtmatige echtgenoot, ingeruild voor andere minnaars, de Baäls (zie 2:1-4, 12 en 15). Daarom zal de Here haar behandelen zoals een man zijn overspelige vrouw behandelt (zie 2:2a en 9 en Hos. 3). Uit Hosea 1-3 blijkt dat Gods liefde Hem kwetsbaar maakt. Juist omdat Hij van zijn volk houdt, reageert Hij zo pijnlijk getroffen en heftig als Hij het op overspel (afgoderij) betrapt. Daaruit blijkt overigens, dat Gods liefde verre van lievig is. Ze is doortrokken van rechtsbesef en kan zich uiten in brandende toorn.

Het buitengewone van Gods liefde is, dat die ondanks Israëls schaamteloze ontrouw niet van wijken weet. Gods toorn komt niet in mindering op zijn liefde, maar vindt plaats op basis van zijn liefde. Uitgerekend de gerichtswoorden van Hosea 2 getuigen van Gods diepe hunkering naar een vernieuwd, intiem samenzijn met zijn volk. Zijn straffende hand wil het volk weer terugbrengen naar ‘haar eerste man’ (2:6). Gods hart gaat nog zó uit naar zijn ontrouwe gemalin, dat Hij haar weer in de woestijn wil ‘lokken’ (= verleiden, zie Ex. 22:16), tot haar hart wil spreken en met haar wil omgaan als in de dagen van haar jeugd (2:13, 14). Ja, God wil het allerbeste van zichzelf – gerechtigheid en recht, goedertierenheid, ontferming en trouw – inzetten om haar tot bruid te werven voor eeuwig (2:18, 19). Dan zullen weer die woorden weerklinken die typerend zijn voor de taal der liefde: ‘Gij zijt mijn volk.’ (.) ‘Mijn God!’ (2:22). Het beeld van de Here als de liefhebbende echtgenoot die er nog steeds op uit is het hart van zijn overspelige vrouw te veroveren, helpt het ‘gans andere’ van Gods liefde op het spoor te komen. Gods liefde is geheel doortrokken van trouw en genade. Zij weet niet van wijken en is bereid te lijden. Zij blijft zelfs uitgaan naar degene die het niet waard is nog bemind te worden.

In Hosea 11:1 en verder wordt een ander, maar opnieuw sprekend beeld gebruikt voor de relatie tussen de Here en zijn volk: ‘Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen’. De volgende verzen tekenen het tere van Gods gevoelens. ‘En Ik leerde Efraïm lopen; Ik nam hen op in mijn armen (…) Met mensenbanden trok Ik hen, met koorden der liefde’. Gods keuze voor Israël, zo blijkt, gaat terug op gevoelens van diepe genegenheid. Dit sluit nauw aan bij hetgeen we in Deuteronomium lezen over Gods verkiezing (vgl. Deut. 4:37; 7:7, 8). Ook uit Hosea 11 blijkt dat Gods liefde het Hem onmogelijk maakt zijn volk op te geven. Terwijl het volk niets voor God voelt, zegt Hij: ‘Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen…’ (11:8, 9). Waarom komt de Here niet los van zijn volk en waarom komt de Schepper niet los van zijn schepsel? Niet vanwege de bijzondere kwaliteiten van dit volk, maar omdat dit zorgenkind toch steeds weer zijn ouderlijke gevoelens oproept.

Liefde gebóden

Elk beeld voor de relatie tussen God en mens heeft zijn bijzondere mogelijkheden, maar kent ook zijn beperkingen. Zeker in onze cultuur kan het beeld van de liefdesrelatie tussen man en vrouw de indruk wekken dat er sprake is van een volstrekt gelijkzijdige relatie tussen God en zijn volk. Vooronderstelling van het huwelijk in onze cultuur isimmers dat beide partijen daarmee van harte en geheel vrijwillig instemmen. God echter wil wel zo gelijkwaardig mogelijk met mensen omgaan, maar zijns gelijke worden ze nooit. Hij biedt zijn liefde dan ook niet vrijblijvend op proef aan (en als die niet bevalt, kan ze retour afzender); Hij gebiedt zijn volk Hem lief te hebben. In Deuteronomium 6:5 lezen we: ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht’ (zie ook Deut. 7:711; 10:12-22; 11:1, 13, 22). Het rechte zicht op deze gebiedende wijs krijgen we, wanneer we die verbinden aan de belijdenis die daaraan voorafgaat: ‘Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één!’ De Here is God. Hij alleen heeft zijn volk tot aanzijn geroepen, het verlost en leven gegeven. En daarom heeft de Here het alleenrecht op de liefde van zijn volk en hebben mensen hun goden niet vrij voor het uitkiezen.

Nieuwe Testament

God is liefde

Terecht wordt Johannes ‘de apostel der liefde’ genoemd. Tientallen keren spreekt hij van ‘liefde’ en ‘liefhebben’. Zelfs brengt hij – in 1 Johannes 4:8 en 16 – heel Gods wezen op de noemer van de liefde: God is liefde. Alleen wanneer we deze uiterst veelzeggende woorden binnen hun context laten staan, kunnen we de betekenis daarvan op hun juiste waarde schatten. ‘Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden’ (1 Joh. 4:9-10). Het brandpunt van Gods liefde is de openbaring daarvan in Jezus Christus. Dat God liefde is en wat liefde is, wordt pas echt onthuld aan het kruis.

Van Gods liefde valt dan het volgende te zeggen: zij is een bruggenbouwende liefde. De liefhebbende mens slaat kloven, God slaat bruggen, zelfs naar wie niemand ooit een brug zal slaan (Mat. 5:43-45; 9:10-13; Luc. 15:11-32). Hiermee hangt samen, dat zij vergevende liefde is (1 Joh. 2:1-2). Hoewel God niet blij is met de ongerechtigheid – Hij is blij met de waarheid – bedekt zijn liefde toch alle dingen en rekent zij het kwade niet toe. Ook heeft zij een enorm uithoudingsvermogen. Onze liefde is al gauw door haar reserves heen, maar die van de Here nooit. Gods liefde kenmerkt zich ook door nederigheid. Dat wil niet zeggen dat God slaafs is, maar dat Hij wil neerdalen tot de mens die Hem kwetst en krenkt (zie Joh. 13:1-17; Filp. 2:5-8). Zij is rijk aan barmhartigheid (Ef. 2:4) en kent ten slotte de voor ons niet te bevatten dimensie, dat zij wil lijden voor wie zondig en slecht is. Zij is een zichzelf opofferende liefde.

Een nieuw gebod

De geboden om God lief te hebben boven alles (Deut. 6:5) en de naaste als jezelf (Lev. 19:18) worden zowel door Jezus (Mat. 20:37-40 en Mar. 12:29-31) als door de schriftgeleerden (Luc. 10:25-29) beschouwd als de noemer waarop de gehele oudtestamentische wetgeving gebracht kan worden. Desondanks bestaan er tussen Jezus en de schriftgeleerden enkele grote verschillen.

  • De schriftgeleerden maken de toepassing van dit gebod krachteloos door een vraag als: ‘Wie is mijn naaste?’ (Luc. 10:29) Jezus maakt echter duidelijk dat onze liefde moet uitgaan naar een ieder die op onze weg komt (Luc.10:30-37).

  • De Here stelt zich niet tevreden met een uiterlijke naleving van de geboden. Alleen wat voortkomt uit een rein en liefdevol hart heeft waarde voor Hem (Mat. 15:1-20).

  • Ten slotte tilt de Here Jezus onze naleving van het ‘dubbelgebod der liefde’ op het allerhoogste plan, te weten op dat van Gods openbaring in Jezus Christus. Daarom spreekt Hij van een nieuw gebod (Joh. 14:34-35). Zijn liefde wordt de bron (1 Joh. 4:9) en de norm (1 Joh. 4:11) voor de menselijke liefde. Concreet betekent dit dat ook die een bruggenbouwende liefde moet worden, een liefde die gekenmerkt wordt door trouw, vergeving, geduld, nederigheid, barmhartigheid en de bereidheid offers te brengen.

De liefde vergaat nimmermeer!

Zeer geconcentreerd komt alles wat de Bijbel over liefde te zeggen heeft samen in 1 Korin-tiërs 13. Met dit loflied op de liefde doorbreekt Paulus welbewust zijn onderricht over de gaven van de Geest en de gang van zaken in de eredienst (1 Kor. 12 en 1 Kor. 14). Achter de tweedracht in de gemeente te Korinte gaan namelijk een overmaat aan eigendunk en een groot gebrek aan liefde schuil.

1 Korintiërs 13 kent een driedeling. In de verzen 1-3 benadrukt Paulus dat uitsluitend liefdedaden waarde hebben. In de verzen 4-8 omschrijft Paulus woord voor woord wat liefde wel en niet is. En in de verzen 8-13 tenslotte verklaart hij waarom liefde zo belangrijk is. Het geloof en de hoop helpen ons op weg naar de eeuwigheid. Maar de liefde blijft tot in eeuwigheid!

Hoewel Paulus in deze verzen nergens expliciet over de liefde van God in Christus spreekt, is elk woord geheel van deze liefde doortrokken. Wij leven uit de liefde van de drie-enige God en eens zullen wij voor eeuwig die liefde ten volle beleven (zie Joh. 17:20-26). Daarom dient die liefde nu al de essentie van ons bestaan te zijn.

Kern

Wat is liefde? Geen mens die het weet. Maar in de Bijbel ontmoeten wij de liefde in eigen persoon in de drie-enige God. In het kruis heeft Hij de volle rijkdom van zijn liefde aan de mens geopenbaard. En wie van deze eeuwige liefde leeft, gaat zelf uit liefde leven.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: barmhartigheid, geduld, nederigheid, seksualiteit, vergeving, verkiezing.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken