Opbreken en de tent weer opslaan
Het volledige Premium-artikel lezen?
Log in om verder te lezen.
Nog geen lid? Ontdek Theologie.nl Premium.
De 1e maand is gratis met actiecode PW202604.
Daarna € 11,99 per maand. Maandelijks opzegbaar.
Probeer nu.
Log in om verder te lezen.
Nog geen lid? Ontdek Theologie.nl Premium.
De 1e maand is gratis met actiecode PW202604.
Daarna € 11,99 per maand. Maandelijks opzegbaar.
Probeer nu.
In het boek Deuteronomium is de hoogste joodse geloofsbelijdenis te vinden: “Hoor, Israël, de Heer onze God, de Heer is één!’, in het Hebreeuws uitgesproken als ‘Sjema Jisraël, Adonai Elohénoe, Adonai echád’ (Deuteronomium 6:4). Zonder dit vers, dat naar het eerste woord bekendstaat als het sjema, is het hele joodse monotheïsme ondenkbaar. Dit vers ‘leeft’ als geen ander. De gelovige staat ermee op en gaat ermee naar bed. Met dit vers op de lippen blaast hij ook de laatste adem uit. Het is dan ook niet voor niets dat juist deze tekst als een soort vademecum te vinden is in de mezoeza en de tefilien.
De weerstand tegen gemeenschap met heidengelovigen binnen de gemeente in Jeruzalem is Petrus aanvankelijk niet vreemd. Maar hij leert – met de gemeente toen en nu – dat Christus’ getuigen over grenzen heen naar mensen mag omzien die Christus niet kunnen missen.
Deze maanden zullen in veel kerken belijdenissen van geloof worden afgelegd. Grote groepen christenen die zich bewust in een lange traditie plaatsen door uit te spreken wat ze geloven. Historicus Wouter Hofland buigt zich over een van de hoogtepunten van deze traditie: de geloofsbelijdenis van Nicea, en vraagt zich af wat deze tekst de kerk van vandaag te zeggen heeft.