Menu

Premium

Preekschets Ezechiël 3:23

Ezechiël 3:23

Eerste zondag na Pinksteren

Ik deed wat me gezegd was.

Schriftlezing: Ezechiël 3:22-27

Het eigene van de zondag

Zondagen na Pinksteren zijn geschikt voor het nadenken over het werk van de Geest van God. In het boek Ezechiël speelt geest/de Geest een vooraanstaande rol van waaruit lijnen te trekken zijn naar het bestaan van alledag. In de vier geboden schetsen uit Ezechiël wordt het werk van een door God gezonden geest of de Geest aan de orde gesteld. Juist op zondag Trinitatis (zondag van de Drie-eenheid: Vader, Zoon én Geest) mag hier nadrukkelijk aandacht voor zijn.

Uitleg

Ezechiël wordt door velen ervaren als een lastig boek. Bij de eerste oogopslag lijkt Ezechiël een wereldvreemde figuur die allerlei wonderlijke en uitzonderlijke ervaringen verhaalt. De lijn van de belevingswereld die het boek verhaalt naar de werkelijkheid lijkt uitermate dun. Dit zal echter blijken mee te vallen voor wie de moeite neemt om zich in Ezechiël te verdiepen. Het boek dat vernoemd is naar de profeet, die behoorde tot de eerste groep die naar Babylonië in ballingschap geleid werd (dat was in 597 v. Chr., de tweede en grote groep volgde in 586 v. Chr. na de val van Jeruzalem), laat een eigenstandig theologische visie zien op de gang van de gebeurtenissen en de oorzaken die daartoe geleid hebben. Daarnaast ontbreekt een positief perspectief van herstel voor de toekomst niet.

Ezechiël 3:22-27 is literair-kritisch en redaktionsgeschichtlich meervoudig te duiden. Meestal vat men dit gedeelte op als de opening van Ezechiël 3:22-5:17. Deze grotere eenheid bestaat uit een verzameling symbolische handelingen (tekenhandelingen) waarin het oog gericht is op de aanstaande val van Jeruzalem.

De vragen die deze passage oproept bieden mogelijkheden voor de prediking. De meest in het oog springende is die naar de stomheid waarmee Ezechiël geslagen wordt (vgl. 24:27 en 33:22). Hiernaast valt bijvoorbeeld ook te denken aan deze vragen: wie of wat is ‘geest’ (vs. 24: mach) in dit gedeelte; waarom mag Ezechiël geen waarschuwer (vs. 26) zijn; welke betekenis heeft de stralende verschijning van de Heer hier?

De opening van het gedeelte legt een verbinding met de voorafgaande tekstgedeelten. De ervaring van het roepingsvisioen (1:1-3:15) sluit af met Ezechiël, die verdoofd te midden van de volksgenoten zit gedurende zeven dagen (3:15). Daarna volgt de aanstelling tot wachter (3:16-21). de roeping en aanstelling te effectueren volgt Ezechiëls initiatie tot profeet in dit gedeelte. Na zijn initiatie volgen de symbolische handelingen die tot het kenmerkende van Ezechiëls (en Jeremia’s) profetenambt behoren.

De initiatie begint met de opdracht om naar het dal te gaan (vs. 8:4 wordt terugverwezen naar dit dal in combinatie met de luister, vgl. 37:1; of hetzelfde dal bedoeld is valt niet met zekerheid te beslissen). Het dal is een geschikte plaats voor een privéonderhoud waarvan de inhoud onbekend is. De onbekendheid met wat komen gaat, is ook aanwezig in Handelingen 8:26. Hier en in Handelingen 8:26 is sprake van Gods vrijmachtige leiding van wie in zijn dienst staan. Ezechiël is door de hand van de Heer gegrepen (zie ook 1:3; 3:14; 8:1; 33:22; 37:1; 40:1) en in zijn ‘macht’. In het dal aangekomen wordt hij door God opgewacht (de stralende verschijning van de Heer, vgl. 1:28; 8:4; 43:1), hetgeen de profeet verrast (vs. 23: hinneh). De reactie van de profeet is dat hij neervalt. De NBV vertaalt consequent op deze en vergelijkbare plaatsen dat de profeet zich neerwerpt. Dit is te actief gedacht. De profeet verkiest niet om zich neer te werpen, hij valt eenvoudigweg neer als gevolg van het feit dat de hand van de Heer op hem is (zie boven). De relatie van deze officiële woordvoerder met God is nimmer informeel of familiaal. Het onderscheid tussen God in zijn heiligheid en een mens wordt niet uit het oog verloren. De aanspreekvorm ‘mensenkind’ (vs. 25) door het gehele boek heen duidt hierop en Gods aanwezigheid als ‘de stralende verschijning van de Heer’ onderstreept dit.

Een geest (ruach) komt in Ezechiël en zet hem op zijn voeten zoals een dienaar staat voor zijn heer; dat wil zeggen: een geest maakt hem gereed voor communicatie met God. Deze geest is bekend uit 2:2a. In beide gevallen ontbreekt het bepalend lidwoord zodat zijn identiteit onbepaald is. Zodra deze geest Ezechiël vervult, is hij in staat te staan in de aanwezigheid van de stralende verschijning van de Heer. Deze geest representeert goddelijke kracht (zie ook beneden de uitleg van Ez. 11:14-25).

Opmerkelijk is de omkering van beweging in dit gedeelte. De profeet moet naar het dal gaan, naar buiten, om daar te horen dat hij meteen weer naar binnen moet gaan. Deze omkering van beweging bereidt de beperking van bewegingsvrijheid voor en de stomheid waarmee Ezechiël van Godswege geslagen wordt. Dit betreft twee kanten van dezelfde zaak: de mensen willen hem niet horen en God laat zich niet horen (via de profeet) als ‘waarschuwer’ (’ish mokiAcK). Ezechiël heeft met een opstandig volk van doen (vs. 26, 27). De tijd van strafprediking gericht op verandering is voorbij. De profeet zal alleen nog het gericht aankondigen. Dit doet hij in symbolische handelingen en Godsspraken (!) hoewel in Ezechiël 24:27 staat dat zijn stomheid pas weggenomen wordt op de dag dat hij hoort van Jeruzalems val (zie Ez. 33:21,22). Dit is als volgt te verstaan: de profeet is tot het aangegeven moment niet bij machte om te spreken behalve wanneer God hem een opdracht geeft om te spreken (oordeelsaankondigingen). Dan zal hij zich laten horen aan zijn volksgenoten: als wachter (zie Ez. 3:17) maar niet als waarschuwer. Duidelijker Gods leiding niet zijn. Ezechiëls verbale en non-verbale communicatie is geheel en al bestuurd door God.

Aanwijzingen voor de prediking

In een kwartet diensten met teksten uit Ezechiël verdient de persoon van de profeet enige introductie. Velen ervaren hem als wereldvreemd en moeilijk te begrijpen. De introductie behoeft geen trekken van een rechtvaardiging te dragen. Nadruk vanuit de context gelegd worden op de aanstelling in een wachterambt die volgt op het openingsvisioen. Het wachterambt is persoonsgebonden zoals blijkt uit de directe aanspreekvorm in de tweede persoon enkelvoud. Dit zet zich voort in de opdracht om naar het dal te gaan: daar is ruimte voor een privéonderhoud tussen God en de profeet. De persoonlijke geloofsbeleving en spiritualiteit van Ezechiël worden niet uitgesloten of uitgeschakeld in het contact met God, maar bevorderen dit juist. Op dit punt kunnen de persoonlijke geloofsbeleving en spiritualiteit van hoorders onder de aandacht komen: persoonlijke omgang met God in het geloof. In aansluiting bij de tekst mag er op gewezen worden dat God het primaat heeft in de spiritualiteit en dat deze op Hem gericht en aan Hem gebonden is opdat spiritualiteit niet verward wordt met oeverloze vrijdenkerij.

Vervolgens vanuit de tekst aangeduid worden dat God al in het dal is voordat de profeet daar aankomt. God stuurt zijn profeet niet op een eenzaam avontuur ook al zijn de aankondiging die hij hoort en de opdrachten die hem gegeven worden in zekere mate bizar. Deze bizarheid geïllustreerd worden met de manier waarop beoefenaars van straattheater en/of pantomime hun visie willen overbrengen op hun publiek. Een verwijzing naar bepaalde cabaretiers is ook mogelijk. De levensweg van gelovige mensen, die meer dan eens overeenkomsten vertoont met door cabaretiers beschreven situaties, is niet buiten God. Hij is er voordat wij er komen.

Gods leiding vertaalt zich in het leven van de profeet op een nogal extreme manier: zijn stomheid en de symbolische handelingen. Omdat dit de eerste van de vier teksten uit Ezechiël is, lijkt het gepast om ruimte te nemen waarin het eigene van een/deze profeet van God belicht wordt. De hoorders zijn geen profeten in de betekenis van de tekst. Naast punten van overeenkomst en herkenning zijn er ook punten van verschil. God en zijn profeet blijven langs de weg van de tekst de ‘tegenover’ van de hoorders. In de lezing uit Handelingen 8:26-40 is dit ‘tegenover’ van de tekst eveneens aanwezig. Daar blijkt bovendien hoe nabij God is in dit ‘tegenover’.

Het punt van de stomheid van Ezechiël nader uitgewerkt worden om aan te geven dat God ook in stilte en verborgenheid werkt. De stomheid van Zacharias na de aankondiging van Johannes’ geboorte is als parallel te overwegen. Op deze eerste zondag na Pinksteren het werk van de Heilige Geest in stilte en verborgenheid ingebracht worden, na en naast het zichtbare van Pinksteren. Niet altijd geschiedt Gods werk langs de weg van het zichtbare; dikwijls is zijn werk niet zichtbaar; wel heeft Hij de leiding.

Liturgische aanwijzingen

Uit het Nieuwe Testament Handelingen 8:26-40 als lezing gekozen worden om leiding van Godswege te tonen. De bereidwilligheid om wel of niet te luisteren vormt een contrast tussen beide lezingen. Als lied bij dit gedeelte stel ik Gezang 484:1 en 2 voor waarin de gedachte en het gevoel van vervreemding aan de orde komen welke zo kenmerkend zijn voor de profeet.

Geraadpleegde literatuur

Walther Zimmerli, Ezechiel I Ezechiel 1-24 (BK XIII/1), Neukirchen-Vhiyn 1969; Moshe Greenberg, Ezekiel 1-20 (Anchor Bible 22), Garden City 1983; B. Maarsingh, Ezechiel I (POT), Nijkerk 1985; Leslie C. Allen, Ezekiel 1-19 (WBC), Dallas 1994; Daniël I. Block, The Book of Ezekiel, Chapters 1-24 (NICOT), Grand Rapids 1997.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken