Recensie van Henk Noordhuis op het boek Holy Plot
De bijbel bestaat voor ongeveer de helft uit verhalen. Een aanzienlijk deel van deze verhalen vinden we terug in de kinderbijbel en het is (ook voor theologen) heel makkelijk om […]
De bijbel bestaat voor ongeveer de helft uit verhalen. Een aanzienlijk deel van deze verhalen vinden we terug in de kinderbijbel en het is (ook voor theologen) heel makkelijk om […]
Discussies over het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn in Nederland vaak emotioneel en verhit, zowel in de kerken als in het publieke debat. Toch staat ook dit jaar de Israëlzondag weer op de kerkelijke kalender. In deze tijd is het dus goed om te onthouden dat deze eerste zondag in oktober nooit bedoeld is geweest als een ‘zondag van/voor de staat Israël’, maar als een zondag waarop de verhouding tussen de kerk en het Joodse volk centraal gesteld wordt. Israëlzondag roept het besef wakker, dat we niet slechts christenen zijn, maar christenen-uit-de-gojiem.
Wat zegt de Bijbel over de Staat Israël? Volgens emeritus-hoogleraar Johannes van Oort niets. Dat klopt, stelt Rabbijn Lody van de Kamp — sterker nog: zelfs het Oude Testament voorziet niet in een moderne Joodse staat. Tijd om het theologisch wensdenken los te laten en met beide benen op de grond te zoeken naar recht en vrede in het heden.
In 2010 schreef rabbijn Lody van de Kamp in een artikel: ‘Waarom nemen kerken zo klakkeloos aan dat de seculiere staat Israël de vervulling is van Bijbelse profetieën?’ Deze woorden riepen bij Christian Stier tal van vragen op. Had hij gelijk? En zo ja, paste ook ik niet te makkelijk profetieën toe? Van de Kamp maakte in zijn artikel duidelijk dat er binnen het jodendom verschillende visies zijn op de oprichting van de staat Israël. In algemene zin kun je stellen: hoe religieuzer de jood, hoe minder overtuigd hij is dat de huidige staat Israël inderdaad een godsgeschenk is. Dat was volkomen nieuw voor Stier. Hoe interpreteren (religieuze) joden Gods beloften over de terugkeer en het herstel van Israël dan? Hebben zij een punt? Deze vragen zetten Stier ertoe aan Gods Woord opnieuw hierop te onderzoeken in het boek Israëls terugkeer & herstel. Hieronder lees je een gratis fragment uit het boek.
Dies irae, dies illa – dag des toorns, o deze dag. Deze bekende woorden uit het requiem zijn inhoudelijk geïnspireerd door Sefanja 1,15. De dag des toorns – een synoniem voor de dag des Heren – en zijn betekenis voor Israël en de volkeren is het centrale onderwerp van dit boek. In Marcus’ weergave van Jezus’ gesprek met zijn volgelingen over de tijd van de grote beproeving, klinken de woorden van Sefanja en andere profeten over de dag des Heren op de achtergrond mee.
‘Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden ter wille van mijn naam.’ Dit waren de woorden die een zekere Ananias ooit in een visioen had vernomen, toen hem werd opgedragen naar Saulus te gaan. Deze was, verblind door hemels licht, vlak voor Damascus op de grond gevallen en verbleef nu in de stad. Saulus, aldus de stem, zou Jezus’ naam brengen ‘voor volken, hun koningen en de Israëlieten’ (Hand. 9,12-16).
De actualiteit in Israël en Palestina legt een oude spanning opnieuw bloot: die tussen de Joodse wortels van de kerk en haar verbondenheid met medechristenen in de regio. Rabbijn Lody van de Kamp vraagt zich af: hoe ver reikt die verbondenheid eigenlijk? En waar hoort de kerk te staan?
De passage uit Handelingen van vandaag beschrijft de kroon op het werk van Petrus bij Cornelius. De kracht van God die in de profeten en in Jezus werkte om wonderen en tekenen te doen onder het volk Israël, werd in Jeruzalem zichtbaar in het genezend werk van Petrus. Nu wordt Petrus gestuurd als instrument om het heil Gods ook beschikbaar te stellen aan alle (heiden)volken. Dit alles wordt als werk van Gods Geest beschreven. Het is een verhaal dat haaks staat op onze gedachten over de maakbaarheid van het leven – en de kerk!
In Exodus 19,1-11 klinken woorden die te maken hebben enerzijds met Gods heilsdaden, anderzijds met het antwoord van mensen op die heilsdaden. ‘Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte’ (19,4). Eerst wordt gesproken over Gods handelen in de geschiedenis, hoe Hij zijn oog heeft laten vallen op dat ene volk. Maar tegelijk wordt ook van dat volk iets gevraagd. Niet ‘teruggevraagd’. Dat zou inhouden dat we werken met het principe: voor wat hoort wat. Neen, van de mens, van het volk wordt gevraagd dat men het verbond zal onderhouden.