Tweede zondag van de Advent
Ot: Jesaja 40,1-11 Psalm: Psalm 80,1-8 Epistel: 2 Petrus 3,8-18 Overig: EV: Johannes 1,19-28 Alternatieven:
Ot: Jesaja 40,1-11 Psalm: Psalm 80,1-8 Epistel: 2 Petrus 3,8-18 Overig: EV: Johannes 1,19-28 Alternatieven:
Jezus zal, als het vleesgeworden Woord van God, een begin maken met de nieuwe schepping. Hij zal de mens vanuit de duisternis opnieuw tot leven wekken. De adventsperiode leent zich ervoor om het verlangen naar het nieuwe leven aan te wakkeren.
Van oudsher leest de kerk in Adventstijd niet alleen de verhalen van de verwachting van Jezus’ geboorte, maar ook het verhaal dat meer dan dertig jaar later speelt: van Johannes in de gevangenis. Advent is immers de tijd van verwachting en daarover gaat de vraag van de Doper: teleurgestelde verwachtingen.
Jezus groeit van kleine telg tot een zichtbare vaandel voor iedereen. Met hem als baken kunnen wij leren groeien in vrede en gerechtigheid. Zo kunnen we gestalte geven aan het visioen van een geheelde wereld dat Jesaja schetst.
OT: Jesaja 11,1 -10 Psalm: Psalm 72 EV: Matteüs 3,1 -12 Epistel: Romeinen 15,4 -13 Overig: Jesaja 11,1 -10 Alternatieven:
Paulus begint zijn brief aan de Filippenzen met een hartelijke, ja, verheugde begroeting. Hij heeft goed nieuws over hen ontvangen. Wel ziet hij dat hun vruchten nog verder moeten groeien. En hoe is het met Paulus zelf? De gemeente in Filippi had Epafroditus afgevaardigd met goede gaven om hem te ondersteunen in zijn levensonderhoud in de gevangenis, net als eerder in Tessalonica. Paulus was verstoken van werk en eigen inkomsten en beperkt in zijn activiteiten. Maar door de gevangenschap ziet hij zijn missie juist bevorderd.
Reeds in het eerste hoofdstuk van Johannes, bij het optreden van zijn naamgenoot, zien we een tegenstelling tussen mensen van de tempel en de wegbereider van de Ene. Daarbij lezen we dat ‘de Joden’ uit Jeruzalem kwamen om poolshoogte te nemen. Het zijn mensen uit de tempel, priesters en levieten. Mensen van wie je mag verwachten dat ze hun zaakjes op hun duimpje kennen.
‘Van wie is dat er een?’ was vroeger een veel voorkomende vraag in een gezelschap waar een onbekende binnenkwam, of wanneer iemand zich anders gedroeg dan men gewend was. Soms werd die persoon buitengesloten, want: ‘Met zo iemand ga je niet om.’ Nu er zoveel mensen ‘van andere herkomst’ in onze omgeving zijn, gebeurt dat veel vaker met mensen met een andere huidskleur, religie of cultuur. Beide lezingen van vandaag wijzen ons met goede argumenten op het corrigeren van dat gedrag.
‘In die dagen’ (3,1 – NBG51). Welke dagen zouden dat zijn? Lucas vertelt daarover veel, Marcus in het geheel niet en Matteüs houdt het bij deze enkele aanduiding. Er is inmiddels wel wat gebeurd, en wát er gebeurd is vertelt Matteüs als de vervulling der profetie (Jes. 7,14; Mi. 5,1; Hos. 11,1; Jer. 31,15): Jezus is de zoon van David, de zoon van Abraham. Wat in deze twee namen meekomt krijgt in Jezus gestalte. Hij is Immanuel, God met ons, de leidsman die Israël zal weiden, de uit Egypte geroepen zoon.