Vasten is loslaten
Bij Matteüs 6,1-6.16-21
In het begin van de lente zochten de dieren elkaar weer op. De zon was al aardig warm. Schildpad kwam net aanlopen toen slang bezig was met vreemde kronkelingen. Verbaasd bleef hij naast slang staan. ‘Waar ben jij mee bezig?’ vroeg schildpad. ‘Wacht even,’ siste slang, ‘ik ben zo klaar.’ Even later kroop slang tevoorschijn. Naast hem lag een lubberig stuk vel. ‘Zo,’ zei slang, ‘dat lucht op. Ik heb even mijn vel uitgetrokken. Het zat wat strak na de winter.’ ‘Zo, jij durft,’ zei kikker, die erbij was komen staan, ‘ik moet er niet aan denken!’ ‘Ach,’ zei slang, ‘je moet wat los kunnen laten en je krijgt er iets nieuws voor terug.’ Schildpad verzonk in diep gepeins. ‘Ik kan mijn schild niet loslaten,’ zei hij. ‘Dan ben ik nergens.’ ‘Ik kan mijn vel wel loslaten,’ zei rups bescheiden. ‘Binnenkort zal dat wel weer gaan gebeuren, maar dan word ik heel anders. Je kunt mij dan niet meer herkennen.’ ‘Waar hebben jullie het over?’ vroeg eekhoorn, die uit een boom naar beneden kwam. ‘Je bent mager geworden,’ zei rups. ‘Ach ja,’ zei eekhoorn, ‘in de winter is er niet zoveel te eten. Maar een beetje vasten kan geen kwaad. Dat is gezond. Kijk eens om je heen, de bomen krijgen weer bladeren.’ Er dwarrelde een verlaat blad naar beneden. ‘Nou, nou,’ zei eekhoorn, ‘die heeft lang gewacht met loslaten. Zeker een beuk, die wacht altijd tot de lente.’ ‘Nou begin jij ook al over loslaten,’ zei kikker. ‘Ik moet straks mijn eitjes loslaten in het water en dan maar kijken wat ervan komt.’ ‘Loslaten valt niet altijd mee,’ zei eekhoorn opgewekt, ‘maar het komt vast wel goed.’