Menu

Premium

Wie is toch deze?

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij Psalm 100 en Johannes 10,22-30

Het opschrift boven het Johannesevangelie zou kunnen zijn: Wie is toch deze? In feite is dit ook de vraag die de synoptici beheerst, maar bij Johannes ligt het er wel heel dik bovenop. De vraag komt voort uit, of is verbonden met de dooppraktijk van de jonge gemeente. In het dooponderricht gaat het precies over deze vraag: wie is deze Jezus, met wiens naam je in de doop bekleed wordt?

Over het (Johannes)evangelie als doopcatechese heeft Doddy van Leeuwen-Assink een mooi proefschrift geschreven waarop zij in november 2015 aan de Vrije Universiteit Amsterdam is gepromoveerd bij Joep Dubbink, bijzonder hoogleraar vanwege de Dirk Monshouwerstichting voor Bijbelvertaling en Liturgie.

1. C.J. van Leeuwen-Assink, ‘Wij zouden Jezus willen zien.’ Het evangelie naar Johannes herlezen met een catechetische blik, Amsterdamse Cahiers voor de Bijbel en zijn Tradities, Bergambacht 2015.

De vraag ‘Wie is toch deze?’ beheerst het hele evangelie, wordt in de proloog al gesteld en meteen beantwoord. Wat volgt is niet veel meer dan de catechetische uitwerking daarvan.

In de proloog is alles in nuce, in één hoofdstuk, reeds gezegd: Jezus is het waarachtige licht (Johannes 1,8), de eniggeboren Zoon en de exegese van God (1,18), de Zoon van God (1,34), de Messias (1,42), de Zoon des mensen (1,53). Bijzondere nadruk krijgt de eenheid van de Vader en de Zoon. Wat in de tekst van deze zondag zeer toegespitst wordt geformuleerd (10,30), wordt in de voorafgaande hoofdstukken voorbereid en in de erna volgende uitgewerkt. Daarbij blijkt dat juist deze vereenzelviging van de Zoon met de Vader het meeste verzet oproept. ‘Hierom trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en zich dus met God gelijkstelde’ (5,18 – NBG ’51).

De opstanding leven

Het is een zinvolle gewoonte om in de Paastijd gedeelten uit dit catechetische evangelie te lezen. De pasgedoopten moeten immers leren wat het betekent de opstanding te leven: dat zij gedoopt zijn tot een opstandig geloof en dat het bekleed zijn met Christus het begin is van een weg die weerstand oproept, analoog aan de levensweg van Jezus. Niet de transcendentie van God, maar zijn condescendentie is aanstootgevend, want daardoor loopt Hij je in de weg, moet je wat met Hem. Dat heeft Jezus geweten en zijn volgelingen niet minder.

De joodse feesten vervuld

Bij Johannes spelen de joodse feesten een belangrijke rol, waarbij Jezus voor hem steeds de vervulling van de feesten is. Die zijn dan ook voortaan overbodig. In Johannes 10,22-30 gaat het over het Vernieuwingsfeest, Chanoeka. Op dit feest wordt de vernieuwing van de tempeldienst na de herinwijding van de tempel in 165 v.Chr. door Judas de Makkabeeër gevierd. Maar de echte vernieuwer is volgens Johannes Hij die reeds bij de tempelreiniging de toen nog onbegrepen woorden sprak over de herbouw van de tempel in drie dagen: de tempel van zijn lichaam (2,19-21). In de winter wandelde Hij in de zuilengang van Salomo, onderdeel van het tempelcomplex, een plek die dus volgens Johannes zijn betekenis verloren had: Jezus was de tempel. Ook de daar voltrokken offerdienst was zonder betekenis geworden: Jezus was het Lam (1,29). Het is ook de plek waar het volk rond Petrus en Johannes te hoop liep, waar de eerste christenen eendrachtig bij elkaar waren en waar zieken en gekwelden werden genezen (Handelingen 3,11; 5,12-16). Daar, op die plek, werd Jezus opnieuw en nu met grote klem gevraagd: Ben jij de gezalfde, de Messias? Zeg het ons ronduit!

Messiaans

In zijn antwoord verwijst Jezus naar zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw. Zij zegt tegen Jezus: ‘Ik weet dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen. Jezus zei tot haar: Ik, die met u spreek, ben het’ (Johannes 4,25-26). Maar de vraagstellers geloven het niet (10,25). Dan wijst Jezus op de messiaanse werken die Hij doet en die van Hem getuigen: genezing van blinden en verlamden. Messiaans is wat heelt en geneest, waarin Gods condescendentie gestalte krijgt.

Mijn schapen horen naar mijn stem

In 10,26 komt het beeld van (de herder en) de schapen uit het begin van Johannes 10 terug. De schapen zijn, net al in Psalm 100, het volk van God. Jezus is, per implicatie, de gestalte van de herder (God) uit deze psalm. Het gebruik van de schapenmetafoor in 10,26 wijst reeds vooruit naar de conclusie van 10,30. Wanneer je niet tot de schapen behoort, dan hoor je niet en zie je niet. Je interpretatiekader is dan anders. Zo is het altijd. Je bent, naar de opvatting van deze schapen, horende doof en ziende blind. In de voorafgaande genezingsverhalen werd dit onder meer met de genezing van de blindgeborene (Joh. 9) reeds geïllustreerd. Horen en zien zijn vooringenomen en partijdige activiteiten. Verstaan is subjectief en is een keuze. Het is een subjectieve ervaring om gekend te worden en een eigen persoonlijk keuze om volgeling te worden (10,27).

Eensgeestes

Eeuwig leven is leven dat met de Eeuwige verbonden is (Joh. 17,3). De opmerking ‘niemand rooft hen uit mijn hand’ (10,28) brengt Deuteronomium 32,39 in herinnering, waar hetzelfde gezegd wordt, maar dan van God; maar vergelijk ook Johannes 6,37-39. De conclusie is dan ook onontkoombaar: Ik en de Vader zijn één (10,30). Aan deze woorden moeten geen ontologische gedachtenspinsels worden opgehangen. Het is een uitspraak zoals ‘man en vrouw zijn één’. Ze zijn één van geest, staan voor elkaar in. Ik en de Vader zijn één betekent: wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Op de zondagschool leerde ik al: als je wilt weten wie God is, moet je kijken naar Jezus.

Bij Psalm 100 en Johannes 10:22-30

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken