Menu

Premium

Woestijn

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

steppe, wildernis

De laatste decennia staat de metafoor woestijn in kerk en theologie – en niet alleen daar – sterk in de belangstelling. De metafoor vinden we terug in verschillende begrippen die allemaal iets weergeven van de crisis in kerk, geloof en cultuur. We spreken van woestijnervaringen als mensen teruggeworpen worden op de kernvragen van het menselijke bestaan en zij geteisterd worden door twijfel, angst en onzekerheid. We hebben het over het woestijnmodel als gelovigen bewust ruimte scheppen voor de zoektocht naar hun identiteit en voor de bezinning op de relatie met de Eeuwige. We hanteren het begrip woestijnspiritualiteit om een wijze van geloven te duiden waarbij inkeer, ontlediging, stilte, soberheid en eenvoud centraal staan. Deze spiritualiteit heeft tot doel afstand te nemen van het dagelijkse bestaan en tot overgave aan God te komen.

In de bijbel vinden we rondom de woorden woestijn, woestheid en wildernis iets terug van de zojuist genoemde hedendaagse begrippen. De woestijn speelt in de geloofservaringen van Israël en de eerste christelijke gemeente een belangrijke rol. Dat wil echter niet zeggen dat de beleving van de woestijn toen gelijk is aan de woestijnbeleving vandaag.

Grondtekst

Het Hebreeuws heeft verschillende worden voor woestijnachtig gebied. Het bekendste is midbar (ca. 270x), ‘woestijn, steppe, weideland’. Bij woestijn moeten we niet denken aan een woestijn als bijvoorbeeld de Sahara, nee, eerder duidt midbar het ongecultiveerde, dorre gebied aan, waar de nomaden hun vee laten grazen. Mogelijk ligt er een verband met de stam dbr, ‘voorwaarts voeren’ (de relatie met dbr, ‘spreken’, is niet aannemelijk). Een ander woord is ‘aravah (ca. 60x), ‘steppe, woestijn’, soms parallel met midbar (Jes. 41:19; Jer. 17:6). Het verwijst naar dorre gebieden, door de vertaling-NBG 1951 vaak met ‘vlakte’ weergegeven, Deut. 1:7; Joz. 8:14). Min of meer een synoniem voor midbar is jesjiemon (10x), ‘woestijn, woest gebied’ (Deut. 32:10; Ps. 107:4). Ook kunnen we tohoe noemen; het kan ‘woestijn, woestenij’ (Deut. 32:10) betekenen, maar eveneens ‘chaos’ (Gen. 1:2); soms duidt het iets wat ‘verwoest’ is (Jes. 34:11) of iets wat ‘niets’ voorstelt (Jes. 40:17). Zie verder onder meer tsijjah, ‘droog, droog gebied’ (o.a. Ps. 63:2; 78:17); tsimma’on, ‘dorstig, waterloos gebied’ (Deut. 8:15; Jes. 35:7; Ps. 107:33); sjemamah, ‘onherbergzaam gebied’ (o.a. Ex. 23:29; Jes. 1:7). Het nieuwtestamentische erèmia en erèmos, ‘woestenij, eenzaam gebied’; het eerste verschijnt 4x (Mat. 15:33; Mar. 8:4; 2 Kor. 11:26; Hebr. 11:38), het tweede 44x (14:13; Op. 12:7, 14). De betekenis komt sterk overeen met het oudtestamentische midbar (vgl. het citaat uit Jes. 40:3 in Mar. 1:3).

Letterlijk en concreet

a.Het land Israël is in de bijbelse tijd behalve aan de kustzijde omgeven door woenstijngebied. Ook in het land zelf bevinden zich steppeachtige stroken. Bij woestijn moeten we niet denken aan zandvlakten, maar aan dun bevolkt en steenachtig gebied. Omdat er doorgaans een dunne laag aarde op het gesteente ligt, is er slechts beperkte planten- en struikengroei mogelijk. Kleinvee vindt hier wel voedsel. Aan sommige dieren biedt de woestijn een goed onderkomen, met name voor roofdieren; ook sprinkhanen gedijen er prima (Jes. 13:21; 34:13; Mat. 3:4; Mar. 1:13).

b.Een van de levensbedreigingen in de woestijn is gebrek aan water en soms aan voedsel. Bronnen zijn van onschatbare waarde in dorre landstreken. Waar zich een bron bevindt, vormt zich vanzelf een oaseplaats (Gen. 16:17 en Ex. 15:22-27). Abraham geeft Hagar een zak met water mee, als hij haar wegstuurt; zij komt met haar kind in de woestijn terecht waar de jongen door gebrek aan water lijkt uit te drogen. Terwijl de jongen stervende is, opent de Heer haar de ogen voor een waterput (Gen. 21:14-21).

c.De woestijn met zijn vaak grillig gebergte leent zich uitmuntend als schuilplaats voor mensen die gezag- en machthebbers willen ontvluchten. Hagar voor Sarai, David voor Saul en later voor Absalom, Elia voor Izebel en Achab -zij en velen na hen vinden in de woestijn veiligheid.

Beeldspraak en symboliek

a.Een groot deel van het hart van de Schriften, de Tora, speelt zich af in de woestijn. Het boek Genesis verhaalt van verschillende gebeurtenissen die plaatsvinden in een woestijnachtige omgeving; de aartsvaders en -moeders leven immers een nomadenbestaan. De overige vier boeken van de Tora zijn gewijd aan en gesitueerd in de woestijn, waar het volk Israël na de bevrijding uit Egypte doortrekt op weg naar het beloofde land. Deze tocht heeft twee speerpunten. Aan de ene kant is er de ervaring van Gods aandacht voor zijn volk; Hij zorgt in liefde en trouw voor zijn oogappel te midden van ontberingen en bedreiging (Deut. 2:7). Aan de andere kant wordt Israël van binnenuit geplaagd door twijfel aan Gods macht en bedoelingen en aan de zin van de uittocht (Ex. 16:2-3). Twee speerpunten, twee uitersten die elkaar niet verdragen en toch werkelijkheid zijn (Ps. 78; 106). Het zijn deze woestijnervaringen die Israëls geloof en leven de eeuwen door hebben bepaald. Zowel door de overheersende negatieve kanten als door de ondergeschikte positieve kanten van de tocht. In concrete situaties grijpen dichters, profeten en apostelen metaforisch terug naar Israëls tocht door de wildernis. Zij doen dat vooral om de hoorders te onderrichten. Aldus wordt de woestijntocht een soort leermodel. Deze tocht ziet het nageslacht van de woestijnreizigers als een beeld dat wil helpen de juiste geloofs- en levensweg te vinden. In het vervolg zullen we dat nader uitwerken.

b.De woestijn is een plaats waar God de mens tegemoet treedt. Terwijl Mozes de schapen weidt in de steppe, verschijnt God hem in een brandende doornstruik bij de berg Horeb. God roept hem zijn volk weg te voeren uit de verdrukking (Ex. 3:1-12). Mozes gaat. En het volk trekt na hevige strijd tussen Mozes en de farao weg uit Egypte, richting woestijn, van pleisterplaats tot pleisterplaats (Ex. 15:22; 16:1; 17:1). Totdat ze aankomen in de woestijn Sinai, vlakbij een berg. Op die berg, midden in de woestijn, openbaart God zich aan Mozes en via de Tien Woorden en vele andere voorschriften aan het volk. Dat God zich in het midden van de woestijn laat zien, heeft de rabbijnen gefascineerd. Waarom juist daar?, vroegen zij zich af. Misschien hierom: in de stilte en leegte van de woestijn is het volk ontvankelijker voor de stem van de hemel. De stad met zijn drukte en lawaai is geen geschikte plaats om de Tora te ontvangen. Bovendien krijgt het volk al gaande door de woestijn gelegenheid de Tora in zijn leven te integreren en is het straks rijp voor het binnentreden in het beloofde land. De Tien Woorden loodsen bij wijze van spreken het volk door de steppe. Op de berg sluit God een verbond met zijn volk. Hij verbindt zich voor eeuwig met zijn mensenkinderen en zij verbinden zich met Hem. Israël wordt in de woestijn opgedragen naar de geboden te leven. Jeremia spreekt over deze tijd als een bruidstijd, met liefde van de bruid voor zijn bruidegom (2:2).

De woestijn als ruimte waarin God aan de mens verschijnt en waar de mens een opdracht krijgt, wordt tot een levens- en geloofsmodel. Soms onvermoed en ongewild ervaart de mens daar de aanraking van de Eeuwige, soms trekt de mens bewust naar de woestijn in de hoop door de hemel gehoord en gezien te worden. De bijbelschrijvers verbinden hun boodschap graag aan die oeroude ervaring. Elia, opgejaagd en bedreigd door de goddeloze koningin Izebel, vlucht naar de woestijn. Moegestreden legt hij zich neer onder een struik wachtend op de dood (1 Kon. 19:1-8; vgl. Deut. 32:10). Een engel brengt een keer in zijn lot, wekt hem op en geeft hem de opdracht naar de berg Horeb te gaan, de berg waar God zich aan Mozes openbaarde (19:9:18). Op deze berg in de woestijn geeft God Elia de opdracht zijn werk tegen de goddeloosheid voort te zetten. De ziener op Patmos wordt in de geest door een engel weggevoerd naar de woestijn (Op. 17:3), alwaar hem hemelse gezichten ten deel vallen over de toekomst. Zo hebben gelovigen van alle eeuwen in de woestijn de aanraking ervaren of hebben zij de ervaring van aanraking beschreven in het beeld van de woestijn.

c.De woestijn is een plaats waar God de mens met zijn genade en zorg omringt. Met een minimum aan menselijke zekerheid en een maximum aan vertrouwen op God ondergaat het volk Israël de reis door de wildernis. Zij houden het vol door Gods genade en liefdevolle zorg. Bij dorst geeft God water (Ex. 15:25-26; 17:6; Num. 11:31), bij honger komt Hij met voedsel (Ex. 16:4), bij vijandelijke dreiging geeft Hij overwinnende kracht (Ex. 17:8-16). Hij gaat tijdens de tocht voor het volk uit en beschermt het van achteren. Als een herder leidt Hij het volk, zijn kudde, door de woestijn (Ps. 78:52). Zonder Gods zorgzame leiding redt Israël het niet, de woestijn is immers – theologisch gezien – vreselijk en verschrikkelijk (Deut. 1:19; Jer. 2:6). In zekere zin overwint de nabijheid van de Heer de dodelijke trekken van de woestijn. Of anders gezegd: de oases in de woestijn vermenigvuldigen zich tot een grote oase. Die ervaring vormt de basis voor het latere visioen van de profeten dat de woestijn zal worden herschapen tot een vruchtbaar land (Jes. 32:15-16; 35:1-10). Een bloeiende steppe symboliseert een bestaan dat niet langer geteisterd wordt. Het besef dat in de donkerte van het leven God niet ontbreekt, doet mensen vluchten naar de woestijn (Ps. 57; Op. 12). Op het eerste gezicht is het vreemd om te vluchten voor gevaar naar een plek die vol gevaar zit. Dit kan alleen omdat het vertrouwen dat de God van Israël bij de mens in de woestijn is, diep geworteld is. Het verhaal van Israëls tocht wekt dit vertrouwen. d. De woestijn is voor de mens een plaats waar hij zich voorbereidt op een nieuwe taak. Veertig jaar verblijft Israël in de woestijn. Na de uittocht duurt het veertig jaar voordat het volk het beloofde land binnentrekt. Veertig jaar, de tijd van de totale voorbereiding (zie ook de zogenaamde veertigdagentijd, de weken voor Pasen). Tot deze voorbereiding hoort de strijd tegen tegenslag en verleiding. Israël is eruit gekomen, gelouterd, door de ellende heen. Geboeid door het verhaal van de woestijntocht zijn mensen nadien bewust de woestijn ingegaan, om zich voor te bereiden op een nieuwe levenstaak. Israëls tocht dient als een leermodel. Johannes de Doper vertoeft in de woestijn en in dat gebied ontwaakt zijn roeping (Luc. 1:80). Jezus wordt meteen na de doop door de Geest in de woestijn geleid. Aldaar staat Hij bloot aan eenzaamheid en verleidingen van boze machten (Mat. 4:1-11). Veertig dagen en veertig nachten woont Jezus in de woestijn. Hij gaat de weg van Israël. Hier leert Hij de juiste keuzes te maken en kracht op te doen voor het scheppen van een nieuw beloofd land. Ondanks de teisteringen die de woestijn in haar schoot draagt, kan het verblijf in haar louterend werken. Later trekken volgelingen van Hem zich ook terug in de woestijn, zoals de woestijnvaders. Door zich af te zonderen en in contemplatie te leven hopen zij bij te dragen aan de transformatie van de woestijn in een tuin. Vandaag gebeurt het nog dat mensen zich terugtrekken in een stil oord of in een klooster om zich voor te bereiden op hun taak straks. Die plek is voor even hun ‘woestijn’. Op nog een andere manier komt de woestijn als voorbereiding op een nieuwe fase aan de orde. De evangeliën vertellen dat Johannes in de woestijn optreedt. Zijn stem kondigt analoog aan de profeet Jesaja de komst van een nieuwe tijd aan (Jes. 40:3; Mat. 3:3; Mar. 1:3). In het geval van Johannes is die nieuwe tijd verbonden met Jezus. Hij bereidt de weg van Jezus voor. In de Qumrangeschriften wordt het aanleggen van de weg naar de nieuwe tijd verstaan als het uitleggen van de Tora (Regel van de Gemeenschap 8:14-16; 9:19-20).

e.De woestijn is voor de mens een ruimte waarbinnen zich het gericht van God voltrekt. Tijdens de woestijntocht blijkt Israël keer op keer de ontrouwe partner van de Heer. Het volk heeft onvoldoende vertrouwen in de goede afloop en zoekt allerlei eigen schijnzekerheden. Meer dan eens komt het volk in opstand en slaat het een andere weg in dan de weg die de Heer heeft gewezen. Israël mort, rebelleert, protesteert, wordt ongeduldig, schept zelf goden (Ex. 15:24; 16:2-3; 17:2; 32). God is weliswaar geduldig en genadig, maar niet onbegrensd. Israël is verantwoordelijk voor zijn daden. Als een boemerang valt Israëls ontrouw op het eigen hoofd. Aldus komt het oordeel van God over het volk. Dit verhaal heeft zich ontwikkeld tot een beeld bij de schrijvers van de bijbel. Wanneer Gods mensenkinderen zonder Hem en tegen Hem hun weg gaan, roepen zij als het ware zelf de woestijn in hun bestaan op. Het gaat niet om het gaan naar de woestijn, maar in overdrachtelijke zin komt de woestijn in hun land, stad en leven. Samenhang en vrede veranderen in chaos, uitgedrukt met de angstaanjagende uitdrukking tohoe wavohoe, ‘woest en leegte’ (Gen. 1:2; Jer. 4:23). Deze uitdrukking geeft niet zozeer een geografische of geologische duiding, maar is een beeld om het tegenovergestelde van sjalom weer te geven. Het afvallige Jeruzalem verwordt tot een tohoe-stad (Jes. 24:10), het hoogmoedige Edom heeft de woestheid over zich gekregen (34:11). Wie kiest voor goddeloze onmenselijkheid, kiest indirect voor een tot woestijn omgevormd bestaan. Hij of zij keert bij wijze van spreken terug naar een bestaanswijze die in de verbeelding vóór de schepping heerste. Daar heerst geen goddelijke goedheid, maar daar hebben de kwade machten vrij spel (Jes. 13:21; Ps. 107:40; Job 12:14). Dat Johannes de Doper in de woestijn preekt, is niet zonder betekenis. Hij predikt immers het gericht van God en roept op tot bekering (Mat. 3:1-12). Alle spreken over toekomstige woestijnen en woestenijen heeft slechts één doel: de hoorder en lezer tot bezinning en van daaruit tot ommekeer te brengen. f. Tot slot noemen we de aankondiging van de profeet Ezechiël tot de ballingen in Babel, dat God hen zal brengen naar ‘de woestijn der volken’ (20:35-36). Als een wijze van gericht. Deze verzen herinneren aan de woestijntocht van Israël na de uittocht en onderweg naar het beloofde land. Die tocht symboliseert de ballingschap onder de volken. Dat de ballingschap als een woestijntocht wordt gezien, is hoopgevend: dit spreken veronderstelt dat er een uittocht aan voorafgaat (20:33-34) en er een intocht na komt (20:40-44). Ook in de Qumrangeschriften komen we deze metafoor tegen, zoals in de Rol van de Oorlog, waar we lezen dat de ballingen van de kinderen van het licht uit de woestijn der volken terugkeren om zich te legeren in de woestijn van Jeruzalem (1:3). De metafoor ‘woestijn van Jeruzalem’ zal hier vermoedelijk naar de in geestelijk opzicht verarmde en geschonden heilige stad verwijzen.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 44; 55; 65; 78; 81; 84; 102; 106; 126; 136; Gezang 5; 11; 14; 39; 46; 58; 161; 224; 341; 441; 442; 476; 490; Alles II; 14; III: 7; IV: 2; 3; Bijbel I: 15; II:19; Evangelie I: 1; II: 36; Gezegend: 12; 13; 23; 141; 306; Hoop: 85; Laat ons: 5; ZAD II: 11; 12; 19; 20; 31; Zingend I-II: 2; 7; 11; 15; 21; 26; III: 20; 65; IV: 13; 66 (= Gezangen: 519 = Liturgie: 591 = Zolang: 100); V: 44; VI: 49; 58; 68.

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 678: ‘Woestijn’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 122: ‘Woestijn’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 147: ‘Wachten’; 179: ‘De verzoekingen’. H. Marsman, Verzamelde gedichten, Amsterdam 198818, blz. 103: ‘Voorschrift’. Huub Oosterhuis, Levende die mij ziet, Kampen/Tielt 1999, blz. 44: ‘Hier aanwezig’ (fragment 9); 128: ‘Aan Israël’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 95: ‘Ik droom steeds vaker in mijn dromen…’.

c.Verwerking:

Er zijn diverse mogelijkheden om het begrip woestijn te verbinden met het heden. We noemden aan het begin al de woestijn als beeld voor de huidige geloofsbeleving en -crisis. Ook kunnen we starten met het gebruik in sommige kerken om in de veertigdagentijd en in het bijzonder op Goede Vrijdag in het liturgisch centrum een ‘woestijn’ aan te leggen. Zand, stenen, dode takken, een verdorde boomstam. Deze woestijn verwijst naar de dood, de angst, het kwaad, de dreiging. Aan het kruis zien we daarvan een samenballing. In stilte en met leegte in het hart ervaren de gelovigen dit geheim. Tegelijkertijd is er het verlangen naar een bloeiende steppe die op Pasen in zicht komt. Als thema’s bij het gedachtegoed rondom de woestijn kunnen we noemen: ontmoeting met en vertrouwen in God, genade, leegte, bezinning, leren in afhankelijkheid te leven, verlangen, oordeel, dreiging, gevaar, angst en dood.

Verwijzing

Als tegenbeeld van woestijn verschijnen ‘tuin‘ en ‘paradijs‘. Verwant aan woestijn zijn de begrippen ‘hongersnood‘ (honger), ‘droogte‘ en ‘hitte‘. Verder verwijzen we naar het begrip ‘ballingschap‘, aangezien het voor een deel samenvalt met woestijn.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken