Menu

Premium

Woord, spreken, stem, taal

Geloofstaal & cultuurtaal

In onze hedendaagse cultuur ondergaat het woord sterke devaluatie en slijtage ten gevolge van ‘beeldcultuur’ en snelle communicatie via msn, sms en mms. In de Bijbel is het net andersom. Het woord krijgt een ereplaats als communicatiemiddel bij uitstek, niet slechts tussen mensen onderling, maar vooral ook tussen God en de mensen. De God van de Bijbel is zelfs op zo’n schaal en in zo’n mate een ‘God van het woord’, dat Hij hierin te midden van de goden van andere religies, vantoen en nu, volstrekt uniek is. Omdat zijn woord in de Bijbel tot ons komt, wordt ook de Bijbel zelf ‘Woord van God’ genoemd. Het geheim van de Bijbel is dat God Zelf in dit boek tot ons spreekt.

Woorden

De belangrijkste Hebreeuwse term voor ‘woord’ is davar. Dit woord kan ook ‘zaak’ betekenen, in de zin van iets dat ter sprake kan komen, een ‘aangelegenheid’. Het woord voor ‘spreken’ is dibbeer, terwijl amar (het meest voorkomende werkwoord in het Oude Testament) meestal met ‘zeggen’ wordt vertaald. De term ne-oem, ‘spreuk’ wordt in de verbinding ‘ne-oem van Jhwh’ door de NBG-51 weergegeven met ‘luidt het woord des Heren’. Het Nieuwe Testament kent twee woorden voor ‘spreken’, lalein en legein, zonder dat er veel verschil tussen beide is. Hetzelfde geldt voor de beide termen voor ‘woord’, rhema en logos, zij het dat logos een veel prominentere plaats inneemt.

Het Hebreeuwse qol betekent in de eerste plaats ‘geluid’ (in vele varianten) en daarna ‘stem’. De nadruk ligt op de hoorbaarheid van het gesprokene. Ook het Griekse phoonè moeten we, afhankelijk van de context, vertalen met ‘geluid’ of ‘stem’.

De Hebreeuwse woorden safa, ‘lip’ en lasjon, ‘tong’ kunnen tevens ‘taal’ betekenen. Dat geldt ook voor het Griekse gloossa. In het Nieuwe Testament vinden we eveneens het woord dialektos voor ‘taal’.

Betekenis in context

Spreken, zeggen

Oude Testament

Talloze malen lezen we de woorden ‘en de Here (of: God, of: de Here God) zeide…’. Deze ‘formule’ omvat het hele bereik van het goddelijke spreken. Zo brengt Hij de schepping tot stand (Gen. 1:3, 6, 9, 11, 14, 20, 24; vgl. Ps. 33:9), overlegt Hij met Zichzelf (Gen. 1:26; 2:18; 3:22; 11:6-7) en wendt Hij Zich tot mensen (voor het eerst in Gen. 1:28).

Overigens spreekt de Here slechts bij hoge uitzondering rechtstreeks tot mensen (Num. 12:1-9). Meestal maakt hij gebruik van een ‘medium’. Als zodanig fungeert ‘de Engel des Heren’ (of ‘de Engel Gods’). De relatie van deze engel tot de Here is vaak zo nauw, dat Hij via hem in de eerste persoon spreekt (reeds in Gen. 16:10). De meest voorkomende ‘media’ zijn de profeten die een woord van de Here doorgeven, vaak met de stereotiepe inleiding of bekrachtiging: ‘Zo spreekt de Here’ of ‘zo luidt het woord des Heren’.

Nieuwe Testament

Jezus kan met zijn woord alléén dingen doen, waartoe geen ander in staat is (zie o.a. Mat. 8:8; Luc. 7:7). Ook kent Hij Zelf aan zijn spreken een heel bijzonder gezag toe. Dit blijkt onder meer uit het zeer frequente gebruik van de woorden: ‘Ik zeg u…’, terwijl dit maar zelden bij anderen voorkomt (Mat. 3:9; Hand. 5:38; Gal. 5:2). Vaak voegt Hij daar nog ‘voorwaar’ (amen) aan toe en dat is zelfs uniek. De totale indruk van zijn spreken moet overweldigend zijn geweest: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken’ (Joh. 7:46; de NBG-51 gaat uit van een iets langere Griekse tekst).

Het Evangelie van Johannes gaat uitdrukkelijk in op de vraag hoe zich het spreken van Jezus verhoudt tot dat van God. Jezus Zelf zegt: ‘… wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik in de wereld’ (Joh. 8:26; vgl. 3:34; 12:49-50). Dat lijkt op het spreken van de oudtestamentische profeet, maar Jezus gebruikt nooit de formule ‘zo spreekt de Here…’. Bovendien ontvangt Hij niet, zoals dat bij deprofeten het geval was, incidentele boodschappen, maar spreekt Hij vanuit een oer-relatie tot God, die Hij zijn ‘Vader’ noemt (Joh. 8:38; 14:10; vgl. 3:32).

Vooral in het boek Handelingen verschijnt ook de Heilige Geest als sprekend persoon (Hand. 8:29; 10:19; n:12;13:2; 20:23). Ter inleiding op een profetische boodschap heet het zelfs: ‘Dit zegt de Heilige Geest… ‘ (Hand. 21:11). Volgens het Evangelie van Johannes verhoudt zich het spreken van de Heilige Geest tot het spreken van Jezus als diens spreken tot dat van de Vader (Joh. 16:12-15). Vaak treedt in het Nieuwe Testament de heilige Schrift zelf als ‘sprekend’ subject op (Joh. 7:38, 42; 19:37; Rom. 4:3; 10:11; 11:2; Gal. 4:30; 1 Tim. 5:18; Jak. 2:23; 4:5). Het gezag van de Schrift wordt ontleend aan het feit, dat de Heilige Geest de betrokken auteurs deed spreken (2 Petr. 1:21; vgl. Mat. 22:43-44; Mar. 12:36; Hand. 28:25). Kort door de bocht haalt de brief aan de Hebreeën zelfs een psalm aan met de woorden: gelijk de Heilige Geest zegt’ (Hebr. 3:7). Dezelfde brief schrijft een paar andere psalmen toe aan Christus vóór zijn menswording (Hebr. 2:12; 10:5, 8, 9). Elders wordt een woord uit de Schrift zonder meer God in de mond gelegd (Mat. 19:5; Rom. 15:10; 1 Kor. 6:16; 1Kor. 9:10). Alle lijnen van gezaghebbend spreken komen in de heilige Schrift bijeen.

Stem

Oude Testament

De stem van de Here wordt vaak vergeleken en zelfs vereenzelvigd met de donder (o.a. Ps. 18:14 = 2 Sam. 22:14; Ps. 29:3-9; Ps. 68:34; 77:19; 104:7). Bij de afkondiging van de Tien Geboden op de berg Sinai (Ex. 19:16-19) klinkt zijn stem te midden van donderslagen en bliksemschichten (de SV heeft in vs. 19 niet ‘in de donder’, maar ‘met een stem’). De ontmoedigde profeet Elia krijgt daarentegen op Horeb, het ‘gebergte Gods’ (ergens bij de Sinai of de Sinai zelf?), de stem van de Here juist niet te horen vanuit ontredderende natuurverschijnselen (orkaan, aardbeving, vuur), maar vanuit een ‘zachte koelte’ (1 Kon. 19:1213).

God Zelf blijft, op een enkele uitzondering na, onzichtbaar, maar communiceert door middel van ‘een stem’ (Deut. 4:12). Als de Here tot Mozes spreekt in de tabernakel hoort deze ‘een stem’ die van boven het verzoendeksel op de ark tot hem komt (Num. 7:89). Bij de aankondiging van het gericht aan koning Nebukadnessar horen we zelfs alleen maar van een stem die uit hemel ‘viel’ (Dan. 4:31, SV; NBG-51: ‘nederklonk’). Of de stem van God Zelf kwam dan wel van bijvoorbeeld een engel, moeten we raden. Jesaja en Ezechiël horen weliswaar de stem van de Here in een visioen, waarin ze Hem ook zien (Jes. 6:8; Ez. 1:28), maar de gestalte die Ezechiël ziet, mist duidelijke contouren en dat de stem die hij hoort van de Here afkomstig is, blijkt pas achteraf (Ez. 2:1).

‘Horen naar zijn stem’ (aldus de Hebreeuwse tekst; er is nogal wat variatie in de vertaling) is een staande uitdrukking voor het luisteren naar de verkondiging van Gods geboden en het in praktijk brengen ervan (o.a. Deut. 13:4, 18). Dit blijkt echter hét probleem te zijn van Israël. In de profetieën van Jeremia wordt Israël zelfs getypeerd met: ‘Dit is het volk dat niet hoort naar de stem van de Here, zijn God’ (Jer. 7:28, maar vgl. Deut. 4:30; 30:8,

10).

Nieuwe Testament

God Zelf wendt Zich enkele malen door middel van een stem tot de mensen. Zowel bij de doop van Jezus als bij zijn verheerlijking opde berg klinkt een stem die Jezus als de Zoon van God aanwijst (Mat. 3:17; 17:5; Mar. 1:11; 9:7; Luc. 3:22; 9:35; vgl. 2 Petr. 1:17). De stem is van God Zelf afkomstig, want er is sprake van ‘mijn Zoon’. Hetzelfde geldt voor de ‘stem uit de hemel’ in Johannes 12:28, gezien de ‘Ik’ die erin spreekt. Anders is het bij de stem die Petrus te horen krijgt (Hand. 10:13-16; 11:79). Deze stem spreekt over God in de derde persoon, desondanks antwoordt Petrus alsof hij God Zelf hoort.

In het boek Openbaring klinkt de ene stem na de andere. Soms wordt de spreker genoemd – meestal een engel – vaak alleen maar de plaats van herkomst zoals ‘de vier horens van het gouden altaar’ (Op. 9:13), ‘de hemel’ (Op. 10:4, 8; 11:12; 12:10; 14:2, 13; 18:4), ‘de tempel’ (Op. 16:1), ‘(uit) de tempel, (van) de troon’ (Op. 16:17), of ‘de troon’ alleen (Op. 19:5; 21:3). Of onder deze stemmen ook die van God Zelf is, blijft in het midden; enkele malen is dit zeker niet het geval (Op. 12:10; 14:2-3). In plaats van God Zelf verheft zijn hele hemelse entourage haar stem in een imponerende polyfonie.

Enkele mensen hebben de stem van de verhoogde Jezus Christus gehoord, in de eerste plaats Paulus met zijn reisgenoten (Hand. 9:39; 22:6-11; 26:12-18). De laatsten hoorden de stem, maar verstonden hem niet (Hand. 9:7; 22:9). Paulus echter heeft niet alleen de stem gehoord en verstaan, maar ook Jezus Christus Zelf gezien (Hand. 22:14; 26:16; vgl. 1 Kor. 9:1; 15:8). Tijdelijke blindheid was het gevolg. Johannes, de schrijver van het boek Openbaring, hoort een luide stem achter zich en keert zich om ten einde – met een opmerkelijke synesthesie! – ‘de stem te zien’ die met hem sprak. Dan ziet hij de majesteitelijke gestalte van Jezus en valt ‘als dood’ voor diens voeten(Op. 1:12-17).

In het Evangelie van Johannes verwijt Jezus de joden dat zij nooit de stem van Vader werkelijk gehoord hebben, omdat zij Hem als de Zoon afwijzen (Joh. 5:37). Zijn volgelingen echter vergelijkt Hij met ‘schapen’ die Hem als hun herder ‘kennen’ en ‘naar zijn stem horen’ (Joh. 10:3-4, 16, 27; vgl. 18:37). Voorts zullen zelfs de doden naar zijn stem horen en opstaan (Joh. 5:25, 28; vgl. 11:43!).

Woord

Oude Testament

Abram ontvangt een visioen, waarin ‘het woord des Heren’ tot hem kwam (Gen. 15:1, 4). Daarmee is voor het eerst de term gevallen die het meest kenmerkend zal zijn voor Gods openbaring in het Oude Testament: ‘woord des Heren’. De uitdrukking wordt vooral gebruikt voor de profetie maar, en dan vaak in het meervoud, ook voor de wet. Men denke slechts aan de ‘Tien Woorden’ (Ex. 34:28; Deut. 4:13; ook wanneer we met ‘woorden’ vertalen, blijven het geboden).

Bij de roeping van Jeremia raakt de hand van de Here zijn mond aan en zegt de Here: ‘Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond’ (Jer. 1:9; vgl. Ex. 4:15-16; Num. 22:38; 23:5, 16; Deut. 18:18). We mogen aannemen, hoewel het niet vermeld wordt, dat we hier met een visionaire ervaring te maken hebben. In elk geval lezen we van de profeet Jesaja dat hij het woord ‘aanschouwd’ heeft (Jes. 2:1). Hierbij gaat het om de titel van een bundel profetieën (Jes. 25), die hiermee tegelijkertijd als geheel wordt getypeerd als ‘woord’ en wel woord van de Here. Iets dergelijks vinden we in de titels van de profetische boeken Hosea (Hos. 1:1), Micha (Mi. 1:1), Sefanja (Sef. 1:1) en Maleachi (Mal. 1:1). Het woord van de Here is via de mond van de profeet in deze boeken tot Schrift geworden.

Aan het woord van de Here worden opvallende kwaliteiten toegeschreven in een vaakopmerkelijke beeldspraak (Ps. 107:20; 147:15; Jes. 40:8; Jer. 23:29). Geheel verpersoonlijkt als een nimmer falende ‘uitvoerder’ van zijn wil treedt het woord van de Here op in Jesaja55:10-11.

Nieuwe Testament

Het woord of de woorden van Jezus bezitten een heel bijzondere kwaliteit (Joh. 6:63, 68), macht (Joh. 8:51) en duurzaamheid (Mat. 24:35; Mar. 13:31; Luc. 21:33). Hij identificeert Zich ook met zijn woorden: Wie zich voor zijn woorden schaamt, schaamt zich voor Hem (Mar. 8:38; vgl. Joh. 12:48; 14:24; Op. 3:8). Eén-maal wordt de prediking van Jezus zonder meer ‘het woord Gods’ genoemd, waarmee zijn woorden op hetzelfde niveau zijn gesteld als dat van ‘het woord des Heren’ uit het Oude Testament (Luc. 5:1; vgl. Mar. 2:2; 4:33). Dezelfde uitdrukking kent Openbaring 19:13 als titel aan Hem toe: ‘zijn naam is genoemd: het Woord Gods’ (Op. 19:13). Hij is een en al Woord Gods.

Wordt de prediking van Jezus Zelf maar een enkele maal ‘het woord Gods’ genoemd, met betrekking tot de verkondiging van de apostelen geschiedt dit meer dan eens, afgewisseld met ‘het woord des Heren’ of kortweg ‘het woord’. De inhoud is steeds dezelfde, namelijk: Jezus Christus. De prediking heet ‘bediening van het woord’ (Hand. 6:4) en de predikers ‘dienaren van het woord’ (Luc. 1:2). Daarom moet ‘het gepredikte woord’ niet als ‘een woord van mensen’ maar als ‘een woord van God’ beschouwd worden (1 Tess. 2:13). De predikers beschikken er echter niet over: Paulus vraagt de gemeente te bidden, dat hem ‘het woord geschonken worde’ (Ef. 6:19).

Het woord heeft iets onweerstaanbaars. Ook al drijft men er de spot mee, het blijkt ‘een kracht Gods’ (1 Kor. 1:18). Ook al slaat men de prediker in boeien, ‘het woord van God is niet geboeid’ (2 Tim. 2:9). Het doet mensen opnieuw geboren worden (1 Petr. 1:23-25), brengt hen voort als in zekere zin ‘eerstelingen van Gods schepselen’ (Jak. 1:18) en behoudt hun zielen (Jak. 1:21). De gemeente is zozeer schepping van het woord, dat groei van de gemeente omschreven kan worden met ‘het woord Gods wies’ dan wel ‘het woord des Heren wies’ (Hand. 6:7; 12:24; 19:20).

Krijgt Jezus in het boek Openbaring de titel ‘Woord Gods’, de proloog van het Evangelie van Johannes identificeert ‘het Woord’ met Jezus. Niet Jezus wordt ‘het Woord’ genoemd, maar het Woord krijgt, in vers 17, de naam Jezus Christus. In duidelijke aansluiting aan Genesis 1 staat dit Woord aan het begin van de schepping (vs. 3-4; vgl. Op. 3:14), maar zijn oorsprong ligt eerder: ‘het Woord was bij God en het Woord was God’ (vs. 1).

Het wonder van het Woord is, dat het vlees is geworden en onder ons heeft gewoond, waardoor het mogelijk werd in Hem Gods heerlijkheid te aanschouwen (vs. 14) en zelfs te tasten (1 Joh. 1:1). Des te verrassender is het, te lezen dat Johannes de Doper Jezus introduceert met de woorden: ‘Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt’ (Joh. 1:29; vgl. vs. 36). Het Woord is vlees geworden om het Lam te worden.

Taal

Oude Testament

In de geschiedenis van de torenbouw van Babel constateert de Here dat de hele mensheid ‘één volk’ is met ‘één taal’ (Gen. 11:6; vgl. vs. 1). De spraakverwarring maakt een einde aan deze ene taal, met als gevolg dat de mensen elkaar niet meer verstaan (Gen. 11:7, 9). Het loopt erop uit dat de mensheid opgesplitst raakt in vele volken die elk hun eigen taal spreken (reeds Gen. 10:5, 20, 31). Taal enidentiteit van een volk horen nauw bij elkaar. De grote wereldrijken echter smeden een alles overkoepelende nieuwe eenheid, die vele volken met hun talen omvat. Het boek Daniël omschrijft de omvang van het Babylonische en die van het Perzische rijk met een stereotiepe, ‘imperialistische’ formule: ‘alle volken, natiën en talen’ (Dan. 5:19; 6:26; 7:14). Iets dergelijks gebeurt in het boek Ester (Est. 1:22; 3:12; 8:9).

Israël ervaart de ellende van onderdrukking door een volk met een onverstaanbare taal (Ps. 81:6; 114:1) – het zal later, vanwege zijn ongehoorzaamheid, door zo’n volk onder de voet worden gelopen (Deut. 28:49; Jes. 28:11; Jer. 5:15; vgl. Jes. 33:19). Maar er zijn wat dit betreft ook heilsbeloften: mensen van een andere taal zullen zich tot Israël wenden (Zach. 8:23) en zelfs de ‘taal van Kanaän’ gaan leren (Jes. 19:18). Uiteindelijk zal de Here Zelf ‘alle volken en talen’ vergaderen om aan hen zijn heerlijkheid te tonen (Jes. 66:18).

Nieuwe Testament

Een begin van de vervulling van de betrokken belofte horen we in Handelingen 2 (vs. 56, 8, 11). De definitieve vervulling komt in Openbaring 7: een grote schare ‘uit alle volk en stammen en natiën en talen’ staat voor de troon van God en voor het Lam (Op. 7:9; vgl. 5:9; 10:11; 11:9; 13:7; 14:6; 17:15).

Kern

Het bijzondere van het bijbels gebruik van de termen ‘spreken’, ‘stem’ en ‘woord’ is niet dat de Bijbel aan deze woorden als zodanig een bijzondere betekenis zou geven. Wel, dat in de Bijbel God, Jezus en de Heilige Geest ‘aan het woord’ komen. Dan krijgt het woord mogelijkheden die het ‘van nature’ niet heeft. Het meest opmerkelijk is de vereenzelviging van het Woord (van God) met Jezus Christus. Rechtstreeks spreken van God en van Jezus, na zijn hemelvaart, tot mensen komt maar bij hoge uitzondering voor. Daarvoor is de afstand te groot. In de plaats ervan komen de heilige Schrift, ingegeven door de Heilige Geest, en de prediking onder leiding van de Heilige Geest.

Schrift en prediking betrekken ons in Gods spreken van destijds en willen ons plaatsen in de stoet van hen ‘uit alle talen’, die op weg zijn naar het imperium van God en van het Lam.

Verwijzing

Voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: apostel, engel, gemeente, profeet, roepen, schepping.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken