Zout
Scheikundigen kennen een groot aantal verschillende ‘zouten’. Zij gebruiken het woord ‘zout’ als een verzamelnaam voor alle verbindingen van een metaal en een zuur. Buiten de chemische wetenschap wordt in het gewone taalgebruik met het woord ‘zout’ gedoeld op één speciale verbinding: natriumchloride of keukenzout. Om verschillende redenen wordt dit zout aan het voedsel toegevoegd: het verbetert de smaak en het gaat het bederf tegen.
Grondtekst
Het Hebreeuwse werkwoord mlch betekent in de gal-vorm ‘zouten’ (Lev. 2:13); in de pu’al ‘gezouten worden’ (Ex. 30:35; Sir. 49:1); en in de hofal’ met zoutwater ingewreven worden’ -van pasgeboren kinderen (Ez. 16:4). Het zelfstandig naamwoord mèlach (zout) komt in de geschriften van het Oude Testament slechts op een betrekkelijk gering aantal plaatsen voor (Gen. 19:26; Lev. 2:13; Num. 18:19; Deut. 29:22; Richt. 9:45; 2 Kon. 2:20-21; 2 Kron. 13:5; Ez. 43:24; 47:11; Job 6:6). De term melechah heeft de betekenis van: zoutachtige/ziltachtige grond, dat wil zeggen onvruchtbaar land (Jer. 17:6; Job 39:6; Ps. 107:34; Sir. 39:23). Het Griekse woord voor ‘zout’ (halas) staat op vier plaatsen in het Nieuwe Testament (Mat. 5:13; Mar. 9:50; Luc. 14:34; Kol. 4:6).
Letterlijk en concreet
a.Al in een grijs verleden moeten mensen tot ontdekking zijn gekomen dat zout buitengewoon veel waarde heeft. Het is in feite onmisbaar. Oude namen houden de herinnering levend aan plekken waar al sedert onheuglijke tijden zout werd gewonnen. Volgens het boek Genesis kwam een bondgenootschap van koningen naar ‘het dal Siddim, dat is de Zoutzee’ (Gen. 14:3). Over David wordt verteld dat hij duizenden Edomieten heeft verslagen in het Zoutdal (2 Sam. 8:13). Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat genoemde plaatsen in de directe omgeving van de Dode Zee gezocht dienen te worden. Na de ondergang van Sodom en Gomorra zou de vrouw van Lot in diezelfde streek in een zoutpilaar zijn veranderd (Gen. 19:26).
b.Eeuwen later beschrijft de profeet Ezechiël vanuit zijn ballingsoord in Babylonië de contouren van een nieuwe tempel. Hij besteedt daarbij opmerkelijk veel aandacht aan de tempelbeek: ‘Overal waar de beek stroomt is volop leven. Langs de kust, van Engedi (= dankzij een zoet waterbron een vruchtbare oase aan de Dode Zee) tot En-Eglaïm, staan vissers en hangen er netten te drogen. De vissoorten zijn er even talrijk als in de Grote Zee. Het water in de plassen en in de moerassen wordt echter niet gezond; het zal voor de zoutwinning dienen’ (Ez. 47:10).
c.Zout werd van zo grote waarde beschouwd dat in de periode dat het joodse land bezet was door achtereenvolgens de Ptolemeeën en de Seleucieden op de winning ervan belasting werd geheven (1 Makk. 10:29; 11:35).
d.De wijsheidsleraar Jezus Sirach rekent zout tot de eerste levensbehoeften van de mens. Hij geeft de volgende opsomming: ‘water, vuur, ijzer, zout en tarwebloem, melk en honing, het bloed van de druif, olijfolie en kleding’ (Sir. 39:26). Ook hij, evenals zijn collega die het bijbelboek Job schreef, kende de werking: ‘Eet men het smakeloze zoutloos?’ (Job 6:6). De evangelisten schrijven geruime tijd later een soortgelijke opmerking aan Jezus toe: ‘Zout is iets goeds. Maar als zout zouteloos wordt, waarmee zul je het dan weer zout maken? Heb zout in je zelf, en leef in vrede met elkaar’ (Mar. 9:50).
e.Van bijzondere betekenis was het zout voor de cultus in de tempel te Jeruzalem: ‘Bij alle meel-offers moet u zout voegen; bij geen ervan mag het zout van het verbond met uw God ontbreken. U moet dus zout voegen bij alle gaven die u aanbiedt’ (Lev. 2:13). Naar de precieze redenen kan men slechts gissen. Evenals vuur wordt zout als zuiverend en louterend gezien (Mar. 9:49). Daarnaast onthullen de woorden ‘het zout van het verbond met uw God’ nog een ander aspect. Zout speelde ook een rol bij verbondssluitingen. In het boek Numeri is dan ook sprake van ‘een altijddurend verbond, een verbond met zout’ (Num. 18:19; vgl. 2 Kron. 13:5). Vermoedelijk werd op deze wijze ook tot uitdrukking gebracht dat Israël van God afhankelijk was: wiens brood/zout men eet.
Beeldspraak en symboliek
a.In het bovenstaande is de grens tussen een letterlijke en een symbolische betekenis reeds enkele malen overschreden. De bekende woorden van Jezus uit de Bergrede in het evangelie van Matteüs prikkelen de verbeeldingskracht: ‘Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout krachteloos wordt, waar moet je het dan mee zouten? Het deugt alleen nog maar om weggegooid en door de mensen vertrapt te worden’ (Mat. 5:13). Vaak wordt hier de vraag gesteld of zout werkelijk zijn kracht kan verliezen. Vermoedelijk was het zout in de tijd van Jezus niet zuiver, maar bevatte het allerlei andere stoffen die het juist een bijzondere smaak verleenden. Als die stoffen, door welke oorzaak dan ook, aan kracht inboetten of geheel verdwenen, leek het alsof het zout waardeloos was geworden. Strikt genomen was dat dus niet het geval.
b.Zout geeft niet alleen smaak aan het eten. Het gaat ook het bederf van het voedsel tegen. Die symbolische betekenis speelt ook een rol in het bovenstaande citaat en eveneens in een woord uit een nieuwtestamentische brief: ‘Laat uw spreken steeds innemend zijn, met een vleugje zout erbij, zodat u iedereen het juiste antwoord weet te geven’ (Kol. 4:6). Anders gezegd: wees eerlijk en oprecht.
c.Aan het slot nog een negatief aspect van zout. De gebieden waar het gewonnen werd, lagen er troosteloos en verlaten bij: ‘Rivieren maakt Hij (God) tot wildernis, borrelend water tot land dat versmacht: en van vruchtbaar land maakt hij zilte grond vanwege de slechtheid van degenen die er wonen’ (Ps. 107:33-34; vgl. Deut. 29:23; Jer. 17:6). Tegen die achtergrond moet de volgende tekst worden geïnterpreteerd: ‘Na een hele dag van strijd nam Abimelek de stad in; hij vermoordde de hele bevolking, maakte de stad met de grond gelijk en strooide er zout over’ (Richt. 9:45). Hij deed dat niet om de stad tegen bederf te beschermen, maar op deze wijze liet hij op symbolische wijze zien dat de plek in een onvruchtbare woestenij was veranderd.
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 12; 24; 51; 107; Gezang 201; 350; 351; 378; 471; 481; Bijbel II: 10; Evangelie II: 17; Liederen: 37; Liturgie: 55; Zolang: 55 (= Liturgie: 531).
b.Poëzie:
Hans Bouma, Wat overbleef, Kampen 1973, blz. 24: ‘Wennen aan de aarde’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 276: ‘Staking’. Van der Graft,Mythologisch, Baarn 1997, blz. 58: ‘De vrouw van Lot’. Zbigniew Herbert, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1999, blz. 64: ‘Het zout der aarde’. H.J. van Tienhoven, Verzamelde gedichten, Baarn 1998, blz. 67: ‘Lot’.
c.Verwerking:
Zout heeft een rijke werking. Zout reinigt, zout maakt zuiver, zout verlengt de duurzaamheid, zout doortrekt alles, zout geeft smaak, zout valt op en is tegelijkertijd onzichtbaar, zout verandert hetgeen het binnentreedt, zout maakt levenloos. Met de ervaring en het inzicht van deze diverse werkingen en eigenschappen van zout lezen we de bijbelteksten en -verhalen en vragen daarbij, welke werking in dat verhaal of die tekst van toepassing is. De thema’s die zout oproept, zijn onder andere: duurzaamheid en onvergankelijkheid, sterke aanwezigheid, eerlijkheid en oprechtheid, zuiverheid en reinheid, leven naar Tora en Evangelie.
Verwijzing
Zout als voedingsbestanddeel toont verwantschap met ‘gal‘ (bitter) en ‘honing‘ (zoet). In de bekende uitspraken ‘Gij zijt het zout der aarde’ en ‘Gij zijt het licht der wereld’ in dezelfde perikoop (Mat. 5:13-16) heeft zout enige overeenkomst met ‘licht‘.