< Terug

Preekschets Ester 4:14b

Zondag Exaudi of ‘weeskind’

Ester 4:14b

‘Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.’

Schriftlezing: Ester 2:5-18

Het eigene van de zondag

Tussen Hemelvaart en Pinksteren blijft de gemeente ‘verweesd’ achter. Jezus is ten hemel gevaren, zijn Geest is nog niet uitgestort. We worden nog meer in de nuchtere werkelijkheid gestort. Een thematiek waar het verhaal van Ester goed bij past: een weesmeisje in ballingschap. Gods Naam komt in het naar haar genoemde bijbelboek niet voor. Verborgen is Hij aanwezig – maar waar en hoe? Waar wordt Hij gehoord?

De lezing uit Ester laat zich goed verbinden met Johannes 15:26-16:4, waarin Jezus zijn leerlingen opdraagt zijn getuigen te zijn in een tijd van vervolging.

Uitleg

‘Het was in de tijd van Ahasveros’, zo begint het boek Ester. Er is een heerser die de zaken naar zijn hand wil zetten, maar een opkomende ‘ster’ (Ester kan vertaald worden met ‘ster’) keert de zaken om. Dat is een belangrijk motief in dit verhaal: de omkeer. De dagen van Ahasveros lopen uit op de dertiende dag van de maand Adar, waarop alles anders wordt en het lot wordt gekeerd. Dit worden dagen waarop de Joden rust krijgen van hun vijanden (9:22). Daartussen speelt de opkomst van Ester zich af.

In 2:5 worden Mordechai en Ester geïntroduceerd. De afstamming van Mordechai van Simi en Kis en zijn afkomst uit de stam Benjamin suggereren een verband met Saul. Ook Saul was een Benjaminiet, een zoon van Kis. Simi was een voorvechter van zijn koningschap, die David vervloekte (2 Samuël 16:5-8; 1 Koningen 2:8-9). Eenzelfde verband wordt gesuggereerd doordat de tegenstander van Mordechai, Haman, een ‘Agagiet’ wordt genoemd. De Amalekiet Agag werd door Saul gespaard (1 Samuël 15), tegen het bevel van God in. Hier herhaalt de geschiedenis zich, maar met een andere afloop.

Mordechai is de pleegvader van Ester, ook Hadassa (‘Mirte’) genoemd. Ester betekent, zoals gezegd, vermoedelijk ‘ster’. In de Joodse traditie wordt er echter op gewezen dat ‘Ester’ ook in verband kan worden gebracht met nistar, een woord dat ‘verborgenheid’ betekent: verborgenheid als de plaats waar God zich openbaart. Openbaren (glh) heeft dan weer dezelfde stam als ‘ballingschap’ (galut): in de ballingschap wordt het verborgene openbaar.

De rol van Ester in het verhaal is vooralsnog geheel passief. De mannen in het verhaal bepalen haar rol – Mordechai, vervolgens Hegai, de bewaarder van de vrouwen en ten slotte Ahasveros. Voorlopig heeft ze niets over haar lot te zeggen: ze wordt genomen in het huis van de koning (8). Maar anders dan de andere meisjes krijgt zij van meet af aan een voorkeursbehandeling. Er is nog iets waardoor zij zich onderscheidt van de andere meisjes: zij is een Joodse. Maar op bevel van Mordechai heeft zij dat verborgen gehouden. In twee verschillende opzichten bezit zij de x-factor: door haar verschijning weet ze anderen voor zich te winnen, terwijl haar afkomst haar verbindt met de verborgen kracht van God.

De missverkiezing die Ahasveros georganiseerd heeft om een vervangster voor de verstoten koningin Wasti te vinden, wordt met enige ironie getekend. Hoe mooi de meisjes ook zijn, ze moeten eerst een jaar lang aan een schoonheidsbehandeling worden onderworpen. Pas dan zijn ze goed genoeg voor de koning. In een jaar of vier komen duizend en één meisjes naar de koning – om na één nacht afgedankt te worden. Zo gaat deze koning met mensen om: ze zijn niet meer dan wegwerpartikelen voor hem. Als ze bij hem zijn gekomen – hetgeen Wasti weigerde (1:12) – kunnen ze wel weer gaan. Maar dat geldt niet voor Ester: zij mag blijven. De koning viert het hebben gevonden van een nieuwe koningin met een groot feest, als afsluiting van iets wat ook al met een groot feest begon (1:3). De koning lijkt vooral een fuifnummer. Zijn naam, Ahasveros, lijkt daar ook naar te verwijzen. Het kan vertaald worden met ‘hij die naar zijn hoofd grijpt’ – alsof alle drank hem hoofdpijn bezorgt.

Het boek eindigt ook weer met een feest, het Poerimfeest, maar dan is alles anders geworden. Voor het zover is, moet Ester nog uit de verborgenheid treden en zich openbaren als een Joodse vrouw. Dit sprookjesachtige begin – weesmeisje wordt koningin – is niet meer dan de opmaat voor wat komen gaat.

Aanwijzingen voor de prediking

‘Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze’, zegt Mordechai een paar hoofdstukken verder tegen Ester om haar over te halen uit haar verborgenheid te treden. Mordechai noemt Gods Naam niet, maar suggereert wel dat haar verkiezing onderdeel is van Gods plan, zoals ook het verhaal van meet af aan suggereert dat er een verborgen plot achter de gebeurtenissen zit. Ester lijkt van meet af aan voorbestemd om koningin te worden. Het is alsof God achter de schermen meewerkt om alles ten goede te laten keren.

Maar dat is interpretatie. Anders dan in veel andere bijbelboeken wordt aan God geen actieve rol toegeschreven.

Dat roept spannende vragen op voor de verkondiging: waar en hoe benoemen wij Gods aanwezigheid in ons bestaan? Het vinden van het geluk zou al als een godsgeschenk benoemd kunnen worden: weesmeisje trouwt met de koning en zij leefden nog lang en gelukkig. Maar daar eindigt het verhaal niet. De plaats waar Ester terecht is gekomen, houdt vooral ook een opdracht in – ook al wil zij daar in eerste instantie niet aan (4:10-1). Het is die plaats waar zij moet getuigen (vgl. Johannes 15:27) van haar identiteit door in de bres te springen voor haar volksgenoten.

Je kunt je ook afvragen of Ester werkelijk het geluk vindt door met Ahasveros te trouwen. Hij zal toch niet de man van haar dromen zijn. En hoewel Ester de liefde van de koning wint, is zij voor hem toch vooral een speeltje, een prachtige vrouw om mee te pronken. Kennen doet hij haar niet – ook al omdat zij zich niet laat kennen, maar haar afkomst verborgen houdt.

Dat biedt nog een spannende vraag voor de verkondiging: kennelijk zijn er ook momenten waarop je jezelf als gelovige moet verbergen. Het kan ook niet de juiste tijd zijn om te getuigen. Wanneer sta je voor je identiteit als gelovige? Waar en wanneer kies je actief positie, beken je kleur? En wanneer onderwerp je je aan jouw lot, laat je je min of meer passief meenemen door de gebeurtenissen?

In een tijd waarin geluk nogal eens wordt gezien als een keuze, als iets wat je af kunt dwingen, vraagt dit verhaal ‘wat is geluk nu echt’? Is geluk alleen individueel, of hangen jouw lot en levensgeluk samen met dat van anderen? En in hoeverre valt er echt te kiezen voor het geluk? Ester kan uiteindelijk inderdaad een keuze maken, maar deze keuze is niet ondubbelzinnig. Haar keuze kan ook haar dood betekenen. Haar medeballingen kunnen deze keuze echter niet maken. Zij zijn afhankelijk van de keuze die Ester maakt.

Het moment van omkeer, van ‘bekering’ van Ester is het moment waarop zij voor het eerst ‘ik’ zegt en dit woordje verbindt met iets dat zij zal gaan doen, in plaats van iets dat aan haar gedaan wordt (4:16). Het is ook het moment waarop zij zich verbindt aan haar volk: ze vraagt alle Joden te vasten, drie dagen lang. Ze wordt een ‘ik’ door in relatie te treden met anderen en zich vervolgens door de koning te laten kennen.

Misschien is dat ook het moment waarop God zich openbaart: het moment waarop mensen uit hun verborgenheid treden. Maar wat is het juiste moment daarvoor?

Ideeën voor kinderen

Esther van K.A.D. Smelik en Jet Naftaniel-Joëls vertelt het verhaal van Ester op een prachtige, grappige manier na (alleen nog tweedehands verkrijgbaar). Het sprookje van Assepoester zou als spiegelverhaal gebruikt kunnen worden: heeft Assepoester nou het echte geluk gevonden als ze met de koning getrouwd is? Wat is dat eigenlijk, geluk?

Liturgische aanwijzingen

Uit het Nieuwe Testament kan Johannes 15:26-16:4 gelezen worden. Een lied dat zowel hierbij als bij Ester aansluit, is ‘Al heeft Hij ons verlaten’ (NLB 663). Bij het thema ‘verborgenheid’ past ‘Uit uw verborgenheid’ (NLB 500) goed. ‘Esther wordt koningin’ van Hanna Lam (Alles wordt nieuw IV, 9) en ‘Solida So’ van Mar van der Velden (Woord en Wijs, YMCA/CJV) zijn kinderliederen bij Esther.

Geraadpleegde literatuur

J. Siebert-Hommes, Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel. Ester, Baarn 1997.

< Terug