< Terug

Spreken is zilver, stilte is goud

Het zwijgen van mijn demente moeder

De moeder van redactielid Barbara Zwaan kreeg een hersenbloeding en vasculaire dementie, en had steeds minder woorden tot haar beschikking. Ook of juist in haar zwijgend aanwezig zijn was ze present. Onlangs ging dat zwijgen over in de stilte van de dood.

Hoe vaak hebben we niet naar foto’s gekeken?
(beeld: congerdesign, Pixabay)

Ik heb nooit eerder over mijn moeder kunnen schrijven. Dat had een morele reden: wat ik zou schrijven kon ze door haar vasculaire dementie als gevolg van een hersenbloeding niet meer beoordelen. Ze kon er niets meer over zeggen, me geen kritisch commentaar meer geven zoals ze dat deed toen haar geheugen nog niet haperde. Maar misschien kon ik ook wel niet over haar schrijven omdat ze mijn moeder is, en ik zo met haar verweven ben dat er geen afstand is om naar haar te kijken.

Nu zij zeer onlangs overleed, is dat ineens anders geworden. Ik voel nu juist de behoefte om woorden aan haar te wijden, al weet ik niet of dat zo kort na haar overlijden wel zal lukken. Toch probeer ik het, als een soort eerbetoon. Het zal een persoonlijke bespiegeling zijn, over de weg die we als naasten met haar doorliepen, van spreken naar steeds meer stil zijn. Tot aan haar dood, die ik als genadevol ervoer, en daaraan voorbij.

Beelden wonnen het van woorden

Weldadige rust en stilte

Toen mijn moeder in het najaar van 2012 plotseling door een hersenbloeding getroffen werd, veranderde ze van een vitale vrouw van 79 in een kwetsbare, hulpbehoevende patiënt. Na haar verblijf in het ziekenhuis en revalidatiecentrum woonde ze nog enige tijd thuis. Toen dat onhoudbaar bleek, huurden we als kinderen voor haar een appartement waar ze thuiszorg kreeg.

Het was voor haar een periode van grote verwarring, desoriëntatie en angst. De schade van haar hersenbloeding werd steeds duidelijker. Omdat haar geheugen gaandeweg achteruitging en ze dat merkte, schreef ze op papiertjes en later in schriftjes wat ze had meegemaakt of niet wilde vergeten. Een hele stapel van die schriftjes getuigt nu van die tijd. Een tijd vol onzekerheid, waarin zij dapper vocht tegen wat haar overkwam en waar ze geen vat op had.

De laatste twee jaren zat mijn moeder. Als op een troon.
(beeld: 797329, Pixabay)

Toen ook het schrijven niet meer ging, namen we dat van haar over door zelf in haar boekjes op te tekenen wat voor haar van belang kon zijn. De ditjes en datjes van haar leven: een afspraak bij de kapper, de verjaardag van een kleinkind, data en bestemmingen van onze vakanties. Mijn oudste zoon, de globetrotter, maakte vóór zijn vertrek een tekening van zijn omzwervingen rond de wereld. Dat vond ze prachtig. Elke keer dat ik haar zag was ze trots dat zij aan mij kon laten zien waar hij was.

Beelden werden belangrijker dan voorheen. Hoe vaak hebben we niet naar foto’s-uit-de-oude-doos gekeken? Van haar en van ons. Als geen ander kon ze daarvan genieten. Zo aandachtig en present. Beelden leken het te winnen van woorden. Ze kwam tot een voor haar en haar omgeving weldadige rust, en stilte. Het was een andere stilte dan haar zwijgen van vroeger over alles wat pijnlijk was: haar turbulente jeugd en traumatische ervaringen. Dit was een nieuwe stilte, van vredig kijken en voelen.

Dat is toch vanzelfsprekend?

Niet zeggen

De laatste twee jaren zat mijn moeder voornamelijk in haar sta-op-stoel. Aanvankelijk kon zij daar inderdaad nog uit opstaan, maar toen tot haar grote verdriet haar benen het begaven – mijn moeder was altijd heel sportief en trots dat ze zo lang nog kon lopen – moest ze ook dat accepteren. Met een tillift werd ze vanuit haar bed haar stoel ingehesen; ze onderging dat uiteindelijk gelaten. Maar als ze eenmaal zat, was dat als vanouds: als een dame op een troon.

Het meest pijnlijke vond ik de momenten waarop je zag dat ze naar het toilet moest. Ze kon dat niet meer zeggen, maar maakte onrustige bewegingen die daarop wezen. Ze werd weer als een kind, voor wie lichamelijke verzorging van levensbelang is. De rollen draaiden om: wij zorgden voor haar. En toch: omdat zij de enige was van wie ik altijd wist waar ze was, zorgde zij ook voor mij. Meermalen zei ik haar hoe dankbaar ik was voor het geborgen gevoel dat dat me gaf. Dan keek ze me wat verbaasd aan, zo van: dat is toch vanzelfsprekend.

Woorden verstomden.
(beeld: Sabine van Erp, Pixabay)

Woorden

Met de tijd werd mijn moeders woordenschat kleiner en kleiner, maar met haar gevoel en intuïtie was niks mis. Die leken zelfs sterker te worden. Al wist ze soms mijn naam niet meer, ze voelde wel wanneer iemand bekend of vertrouwd was. Tegen haar verzorgsters zei ze ‘liefje’, zoals ze dat eerder tegen mij zei. Ik vond dat niet erg, het gaf aan dat zij ook bij hen op haar gemak was.

Op een zondag, mijn vaste bezoekdag, zat ik nog niet zo lang geleden bij haar een kopje thee te drinken. Zoals altijd nam ik de leuke dingen van de afgelopen week met haar door. Voor mij een waardevol, zich herhalend ritueel van terugkijken en (her)waarderen van het goede dat ik had meegemaakt. Een reflectiemoment dat mij blij en dankbaar kon stemmen.

Maar deze zondag schoot ik door in het delen van mijn verhalen. Woorden als wapen tegen innerlijke onrust wellicht. Of om haar stilte te bezweren, die te willen vullen. Zozeer dat ik op een gegeven ogenblik mijzelf hoorde praten. Ik ging op de grond naast haar stoel zitten en zei: ‘Mam, ik raas maar door. Het maakt me moe. Mag ik mijn hoofd in jouw schoot leggen?’ Waarop ze zonder iets te zeggen met haar hand over mijn hoofd aaide, heel mild en moederlijk. Die streling voel ik nu nog.

Het waren woorden als wapen en als bezwering

Stille nacht

In de stille, heilige nacht van 24 op 25 december jongstleden waakten mijn zus en ik samen met mijn moeders verzorgster bij haar bed. Kort daarvoor hadden we van de arts te horen gekregen dat zij de dubbele longontsteking die ze had opgelopen niet meer te boven zou komen. Haar ademhaling was aan het veranderen, we wisten dat het einde nabij was. Door de morfine die ze regelmatig toegediend kreeg, was mijn moeder in een ander bewustzijn beland. Haar ogen waren dicht, ze zei niets meer, maar we vermoedden dat ze wel iets van onze aanwezigheid ervoer.

Omdat de tijd verstreek en onze lichamen stram werden, begonnen mijn zus en ik yogaoefeningen te doen. Totdat we spontaan op de grond gingen liggen bij het bed van onze moeder, op onze rug, met de handen op onze onderbuik. Daar was ons bestaan begonnen, in haar. Fluisterend spraken we wat over haar leven, wie ze voor ons was. Af en toe maakten we ook grapjes over haar onhebbelijkheden. Verder doorbraken alleen het geluid van de zuurstoftank en haar afnemende ademhaling de stilte. De lampen hadden we uitgedaan. Afgezien van een paar kaarsjes en de lichtjes in de kerstboom was het donker in de kamer.

Naast haar bed deden we yogaoefeningen.
(beeld: Annemiek Smegen, Pixabay)

Gouden verstilling

Mijn moeder hing aan het leven, ze gaf zich niet gemakkelijk gewonnen. Zozeer, dat mijn zus en ik ons in die nacht afvroegen of ze niet gewoon zou doorademen. We voelden ons als de wachters uit Psalm 130, die uitzien naar de morgen. Ik vond het typisch iets voor mijn moeder om niet ’s nachts uit het leven te stappen. We moesten om die gedachte glimlachen en checkten op onze telefoons hoe laat het licht zou worden. Bij mij kwam het lied Morning has broken van Cat Stevens op:

Praise for the singing, praise for the morning,
Praise from them springing fresh from the Word

klonk het, als een mantra. En die morgen, Eerste Kerstdag, kwam. Als een geboorte. In het licht van de ochtendzon, die we door het raam achter haar bed zagen opgaan, blies ze haar laatste adem uit. Nog een paar kleine, zachte pufjes en weg was ze. De tijd stopte en alles klopte: donker en licht, dood en leven, oud en nieuw waren één. Een moment van gouden verstilling, waarop alle tegenstellingen wegvielen en waar ik mijn leven lang met tederheid aan zal terugdenken.

En weg was ze

Tijdens de dankdienst voor haar leven zaten we als familie met z’n allen op de voorste rij toen onverwachts het zonlicht door het glas-in-lood kerkraam naar binnen brak. De stralen verwarmden mijn gezicht, en dat op een druilerige dag. Ik moest denken aan een versje dat mijn moeder in mijn poesiealbum schreef, uit 1970:

Wees steeds een zonnestraaltje
voor ieder die je ontmoet.
Dan geef je anderen vreugde
en heb je het zelf ook goed.

Een mooi levensmotto om mee- en uit te dragen.

Barbara Zwaan is theoloog, werkzaam als geestelijk verzorger en docent. Ze is redactielid van Herademing.


< Terug