Waar en niet waar
Bij Johannes 18,1-19,42 Pilatus was al vroeg op en zat in zijn werkkamer. Hij had nog veel te doen. Er waren brieven gekomen uit Rome. Ontevreden brieven van de keizer: […]
Over De Eerste Dag lees je meer op de landingspagina van De Eerste Dag.
Bij Johannes 18,1-19,42 Pilatus was al vroeg op en zat in zijn werkkamer. Hij had nog veel te doen. Er waren brieven gekomen uit Rome. Ontevreden brieven van de keizer: […]
Bij Lucas 14,1-11 In de lagere klassen van de basisschool staan de namen van de kinderen vaak op hun stoel in de klas. De juf zet de stoelen regelmatig op […]
Bij Jesaja 40,1-11 In deze bijdragen ‘Met de kinderen’ voor Advent wordt aangeknoopt bij de lezingen uit Jesaja. In dit geval bij Jesaja 40,1-11. Wie het gemeenschappelijk leesrooster volgt, kan […]
‘Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn,’ zegt de uitdrukking (vergelijk Matteüs 6:21). Dat geldt ook in het boek Ezra: waar de tempelschat is, daar zal ook het hart van het volk Israël zijn. Cyrus geeft namelijk het volk de opdracht terug te keren, de tempel te herbouwen en de tempelschat die al die tijd in hun ballingsoord is geweest, mee terug te nemen. Waar die schat is, daar zal het hart van Israël zijn. Niet meer in Babylonië, maar weer in Jeruzalem in Juda.
Te midden van de zomer, van vakantie, ontspanning, voor velen van genieten van de aangename aspecten van ons leven, doen de teksten van deze zondag onze blik richten op Gods toekomst met de wereld, weg van ons individuele leventje. In dezelfde tijd waarin de schrijver van Genesis 1 de schepping in den beginne niet anders weet te prijzen dan met een loflied, viert de schrijver van Jesaja 56-66 de doorgaande schepping met een groot tafereel van haar doel. Of dit vooruitzicht leven en handelen bepaalt, hangt af van de plaats waar je hart is.
Lucas 12:34 (bij lezing Lucas 12:32-40) ‘Wat is het mooiste wat jij ooit hebt gekregen?’ vraagt Sofie aan oma. Ze kijkt eens rond in het chique huis van oma. Hier […]
Bij Lucas 24,49-53 Verhaal ‘Hé, dat is vreemd.’ Lucas kijkt uit het venster van het huis van zijn ouders, het huis bij de poort van Jeruzalem. ‘Kom eens kijken!’ Hij […]
In het opstandingsverhaal zoals Johannes het vertelt, treffen we Maria Magdalena alleen aan. Zij is op weg naar het graf.
Voor Petrus is het duidelijk: er is voor Jezus geen alternatief. ‘Tot wie zou ik anders gaan?’ Maar deze wereld biedt wel alternatieven aan. In de eerste lezing is het de Baäl. In de tweede is het de gnostiek. In de derde lezing het jodendom. In al deze gevallen verlies je ‘iets’, namelijk de incarnatie. En daarmee ook onze deelname aan Gods eigen leven, het eeuwige leven. God en mens blijven dan welwillende vreemden voor elkaar.