Menu

Premium

David en zijn zonen

Bij 2 Samuel 14,1-24 en 1 Petrus 3,8-15a

David heeft grote problemen met zijn zonen. Eerst verkracht de oudste, Amnon, zijn halfzuster Tamar. Twee jaar later laat haar broer Absalom de verkrachter vermoorden en vlucht naar zijn grootvader. Noch op de ene misdaad, noch op de andere reageert David adequaat. Hij rouwt hartstochtelijk om de dode zoon en ‘heeft pijn’ om de gevluchte zoon (2 Sam. 13,37.39); over zijn reactie op het ongeluk van zijn dochter wordt niet gerept.

Joab, Davids neef en veldheer, maakt zich zorgen. Begrijpelijk, maar waarom handelt hij zo omslachtig? Hij ziet hoe David lijdt en kent Absalom. Misschien wil hij Absalom van dichtbij volgen – de mooiste man met het dikste haar in heel Israël (14,25), als een teken van kracht (zie Simson). Een andere reden zou kunnen zijn dat Joab zich identificeert met Absalom, omdat hij een soortgelijk verhaal heeft.[1] Hij vermoordde namelijk Abner, de veldheer van Saul, omdat deze zijn broer Asahel doodde (3,27). Toen vond Joab het geen probleem om bij David met de deur in huis te vallen (vgl. 3,24). Nu wekt hij de indruk, dat hij niet zelf met David durft praten, misschien om zijn positie niet in gevaar te brengen als het misloopt. Joab zoekt een bemiddelaarster en legt haar zijn verhaal in de mond. Militair die hij is, ‘neemt’ hij een wijze vrouw uit Tekoa (14,2).

Een wijze vrouw

Wijze vrouwen in de Bijbel zijn prominent, gezaghebbend, leidsters van hun gemeenschap (zie 2 Sam. 20,16-22; Re. 4-5), deskundig (Ex. 35,25), intelligent en strategisch (1 Sam. 25).[2] In Tekoa schijnen er meer wijze vrouwen te zijn geweest: Joab neemt niet ‘de’, maar ‘een’ wijze vrouw. Wijze vrouwen zijn ook welbespraakt. Deze vrouw vertelt David het verhaal van een rouwende weduwe. Met iemand die rouwt kan hij zich identificeren. Dat biedt een opening voor wat zij wil zeggen. Tegelijkertijd bewaart zij afstand door zichzelf ‘jouw dienstmaagd’ te noemen.

Zij vertelt dat zij moeder is van twee zonen, waarvan de een de ander sloeg waardoor deze overleed. David is vader van twee zonen, waarvan de een de ander liet vermoorden. In het verhaal van de wijze vrouw staat de hele familie tegen de weduwe op om de moordenaar ter dood te brengen. Bij David staat niemand op om Absaloms terechtstelling te eisen, maar David laat hem niet terugkeren (14,21vv.). Hoewel Absalom de moord niet zelf heeft begaan, neemt hij de volle verantwoordelijkheid ervoor op zich (13,28) en brengt daarmee zichzelf en de koning in een lastig parket. Dat doet denken aan Saul, die Jonatan wilde doden omdat hij onbewust een van zijn bevelen had overtreden (1 Sam. 14,44). Een koningszoon mag geen bijzondere behandeling krijgen, integendeel. Door Absalom buiten Israëls jurisdictie te houden, ontwijkt David het probleem.

De vrouw gebruikt zes verschillende woorden voor dood, vernietiging en uitroeiing van de enige overgebleven erfgenaam om David te confronteren (14,7). Hij, de wijze man, reageert halfslachtig (14,8). De weduwe heeft maar twee zonen, David zeventien (3,2-5; 5,14-16), maar hij weet niet welke hem zal opvolgen (vgl. 2 Sam. 7,12). Pas als de wijze vrouw David aan God herinnert en in contrast met de Losser, Bevrijder uit Exodus (6,5-6) spreekt over de ‘losser, bevrijder van het bloed’, bloedwreker, die niet nog meer mag vernietigen, zweert David bij de ‘levende’ God dat dit niet mag gebeuren (14,11).

De wijze vrouw wil David duidelijk maken, dat hij te veel op de dood is gericht. Hij rouwde om een pasgeboren zoon, om Abner, Amnon, en nu alweer om de afwezige Absalom. David geloofde haar verhaal, terwijl volgens haar het volk nooit zou reageren zoals de familie van de weduwe. David zou zich schuldig maken als Absalom afgesneden blijft van het leven, want Amnon en de anderen komen er niet door terug. God wil niet de dood van een overtreder, maar zoekt naar mogelijkheden om hem weer bij het leven te betrekken (14,14, vgl. Ez. 18,23). David laat Absalom terugkeren, maar weigert hem te zien (weer een halfslachtige reactie). Absalom keert terug, krijgt drie zonen, maar staat tegen zijn vader op (14,15-27). David is succesvol als koning, maar niet als vader.

De rechtvaardige als voorbeeld

De Petrusbrief citeert uit Psalm 34. Marcus van Loopik schrijft over deze psalm: ‘Het lied blijkt bij nadere analyse een universele les in geluk en spiritualiteit. (…) Voor de goede verstaander onthult deze psalm de verborgen krachtbron die de rechtvaardigen hun wonderbaarlijke veerkracht verleent.’[3] In Spreuken (10,25) staat dat rechtvaardigen het fundament van de wereld vormen. Martin Buber: ‘(…) omdat hij met zijn werken onophoudelijk de uitstorting van overvloed over de wereld bewerkstelligt.’4[4] Waarom zijn rechtvaardigen zo belangrijk? Marcus van Loopik: ‘Zijn grootsheid is niet zozeer gelegen in wat hij is, maar vooral in wat hij doet.’ De psalm wijst ons de weg: zij behoeden hun tong voor kwaad, zoeken de vrede en jagen die na (34,14-15). Een rechtvaardige oefent zich in positivisme. Daarmee zouden ontevredenheid, wrok, angst, ruzie en uiteindelijk zelfs oorlogen vermeden kunnen worden. Dat betekent niet dat de rechtvaardige geen kwaad te verduren heeft.

David hebben we hier leren kennen als wanhopig, rouwend, tekortschietend; en toch kan hij ‘God te allen tijde zegenen’, omdat hij zijn ‘tong bewaart voor kwaad’ en ‘vrede najaagt’. Hij doet er moeite voor. Vrede komt niet vanzelf naar hem toe. Maar een rechtvaardige geeft pijn en tegenslagen een plek in zijn leven en leert ervan. In tegenstelling tot anderen voelt hij zich geen slachtoffer van alles wat er met hem gebeurt. De Petrusbrief stelt via deze psalm de rechtvaardige als voorbeeld voor een levenshouding waarin pijn en leed de mens niet breken en waarvan de wereld uiteindelijk beter wordt.

Wellicht ook interessant

Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
None

Interview: “Ik wil een eerlijk gesprek over de doodswens”

Mensen die niet meer willen leven, krijgen niet zomaar euthanasie. Er zijn strenge eisen waaraan moet worden voldaan, voordat het eigen leven bewust gestopt kan worden. Maar als een euthanasieverzoek wordt afgewezen, is de wens om te sterven vaak niet verdwenen. Soms kiezen mensen dan voor ‘de autonome dood’, een zelfgeorganiseerd levenseinde. Hoe is dit voor nabestaanden? Krina Huisman deed er onderzoek naar en schreef het boek Nabestaan. Leven na de autonome dood. Redacteur Maartje Amelink ging met haar in gesprek.

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Nieuwe boeken