Menu

Basis

De okapi onder ogen zien

Zending door de ogen van een Malawische theologe

Foto van een okapi die je vanuit het bos recht aankijkt
(Credits: ambquinn, Pixabay)

Theologe Thandi Soko-De Jong is geboren en opgegroeid in Malawi, waar ze als kind kennismaakte met de zending. Ze vond de zendelingen maar een ongebruikelijke groep mensen, maar begreep haar ongemak pas toen ze tijdens haar studie de roman De gifhouten bijbel las. Jaren later keert ze naar deze roman terug om in deze serie de relatie tussen zending en kolonialisme nader te onderzoeken en na te denken over de vraag hoe ‘het goede nieuws’ ook op een goede manier gedeeld kan worden.

“We streefden naar niet meer dan heerschappij te hebben over elk wezen dat zich op aarde bewoog. En zo kwam het dat we onze stappen neerzetten op een plek waarvan we dachten dat die ongevormd was, waar alleen duisternis over de wateren zweefde”
– Barbara Kingsolver

Ontmoeting met missionarissen

Ik ben geboren en grotendeels opgegroeid in Malawi. Maar mijn eerste echte kennismaking met het idee van ‘zending’ kwam in Manzini, Eswatini, waar ik als kind naar een zogenoemde internationale kerk ging. Gezinnen uit Nederland, Canada en de Verenigde Staten kwamen daar tijdelijk naartoe, omdat zij gecontracteerd waren om te werken bij een christelijk evangelisatieradiostation in de buurt van Manzini. Terwijl ze daar waren, sloten ze zich aan bij de kerk, ook al was dat, voor zover ik me vaag herinner, thuis niet hun gebruikelijke denominatie. Deze specifieke kerk voelde simpelweg het meest aan als interkerkelijk of niet-confessioneel, omdat zij geen eigen plaatselijke predikant had. In plaats daarvan wisselden missionarissen en kerkenraadsleden elkaar af in het leiden van de diensten op de zondagen waar een predikant van een kerkverband niet hoefde langs te komen om de sacramenten te bedienen.

Als kind vond ik de missionarissen die ik ontmoette een ongebruikelijke groep mensen. Ze hielden zich meestal afzijdig in hun vrije tijd. Ik weet niet of dat kwam doordat ik hen als kind ontmoette en de diepgang van hun gesprekken met mij daardoor beperkt was, maar ik herinner me dat hun gesprekken zelden verder gingen dan koetjes en kalfjes. Veel van hun gepraat draaiden om de regelmatige ‘potluck’-avonden in de kerk, met name de gerechten die ze misten en hoopten te introduceren bij Afrikaanse leden. Ook leken ze in gesprekken vaak bezig met de culturele verschillen die ze waarnamen en de opgenomen sportwedstrijden die ze keken op videobanden. Een van hen gaf zelfs toe dat hij bang was geweest om naar het continent Afrika te komen en dat hij dat alleen had gedaan uit zelfopoffering en gehoorzaamheid aan Gods roeping. Hij was bang geweest dat Afrikanen hem in een pot zouden koken zodra ze hem zagen. Komend van een volwassene was het een schokkende en verwarrende uitspraak om te horen.

Als kind vond ik de missionarissen die ik ontmoette een ongebruikelijke groep mensen

Op een keer ving ik een openhartig gesprek op dat ze onderling voerden. Het ging over de zekerheid van de zaligheid. Ik begreep er toen genoeg van om te weten dat een van hen worstelde met deze leer. Maar verder voelde hun ‘missie’ nooit alsof die veel met mij of iemand die ik kende te maken had. Ze leken op zoek naar een ongrijpbare groep mensen die ‘onbereikt’ waren en daarom altijd bezig met het bedenken van grotere en betere strategieën om hen te ‘bereiken’.

The Poisonwood Bible

Jaren later, toen ik theologie studeerde, stuitte ik in een Malawische christelijke boekwinkel – die vooral bekendstond om devotie- en theologieboeken – ironisch genoeg op Barbara Kingsolvers The Poisonwood Bible (De gifhouten bijbel, 1998). Kingsolvers boek vertelt het verhaal van een missionaris die in de jaren vijftig met zijn vrouw en vier dochters vanuit de VS vertrekt naar het door de Belgen gekoloniseerde Congo, waar hun levens uiteenvallen terwijl ze de realiteit van het kolonialisme onder ogen zien. Hoewel het een werk van fictie is, leerde het me meer over missie dan wat ik ooit had kunnen oppikken tijdens een van mijn gebruikelijke bezoeken daar.

De impact van deze roman op mijn begrip van missie zal duidelijker worden naarmate deze reeks reflecties verder gaat. Sinds het lezen van het boek, heb ik in en rond verschillende traditionele zendingslanden geleefd en gereisd, waaronder Nederland en heb ik academisch onderzoek gedaan naar bevrijdingstheologieën. Gesteund met die kennis en ervaringen wil ik ons in dit artikel uitnodigen om Kingsolvers boek opnieuw te bekijken en na te denken welke lessen het ons nog steeds kan bieden – 70 jaar nadat het is verschenen.

Maar eerst: wie is Barbara Kingsolver?

Barbara Kingsolver, geboren in 1955, is een Amerikaanse romanschrijfster, essayiste en dichteres. Het zaadje voor The Poisonwood Bible werd geplant tijdens haar jeugd in wat nu de Democratische Republiek Congo (DRC) is, waar haar ouders werkten in de gezondheidszorg. Hoewel die ervaring een onuitwisbare indruk op de roman heeft achtergelaten, is het boek geen memoires en ook geen nostalgische fictieve weergave; het is vooral een daad van observeren en bevragen. En dat is precies wat het zo’n rijke bron maakt voor mijn eigen reflecties op het zendingswerk.

Deze serie is mijn bijdrage aan het gesprek over missie en dekolonialiteit. Er is veel geschreven vanuit het theologische perspectief van westerse missionarissen die reflecteren op hun ervaringen in de Meerderheidswereld; veel minder vanuit het omgekeerde perspectief. In deze serie bied ik een ander perspectief aan: dat van een Malawiër die missionarissen heeft ontmoet binnen zowel Afrikaanse als westerse contexten.

De sombere picknick

The Poisonwood Bible begint, net als de Bijbel, met Genesis. “En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.” (Genesis 1:28, NBG51). Met de heerschappij als openingsmotief worden we allereerst voorgesteld aan Orleanna Price, de echtgenote van missionaris Nathan Price en moeder van hun vier dochters. De openingsscènes, een sombere picknick, worden in haar stem verteld.

Orleanna nodigt ons eerst uit om “het bos voor te stellen”. Een gewelddadig en meedogenloos bos, waar liaanplanten “hun eigen verwanten wurgen” en “een enkele rij van een leger mieren dat een mammoetboom bijt… en hem neertrekt naar het donker, voor hun vraatzuchtige koningin.” We worden gevraagd “zijn geweten te zijn, de ogen in de bomen.”

Daarna vestigt ze onze aandacht op een andere rij. Deze keer bestaat die uit een vrouw die vier dochters leidt; “allemaal in blousejurken”. Als we hen “van bovenaf zo” zien, zullen ze waarschijnlijk onze sympathie oproepen. Toch worden we gewaarschuwd tegen onze onkritische sympathie; we moeten even wachten voordat we beslissen “welke sympathie ze verdienen”.

De moeder “zet hun sombere picknick” neer bij de oever van de beek. Na zwijgend het smakeloze eten te hebben gegeten, gaan de meisjes zwemmen. De moeder blijft alleen achter; “onmenselijk alleen”, “onrustig in de stilte”. Maar plotseling is ze dat niet meer. Er staat, aan de overkant van het water, een prachtig dier. Ze kijken op uit hun eigen wereld, vrouw en dier, verbaasd om elkaar op dezelfde plek tegen te komen.

“Een eenhoorn die je in de ogen kan kijken”

Het prachtige dier waar Orleanna naar verwijst is de okapi, een schuwe zoogdiersoort die diep in de regenwouden van Congo leeft. Tot de jaren 1920 was de okapi in het Westen een niet-erkend soort, ondanks verhalen van Congolese gemeenschappen die het bestaan ervan bevestigden. De okapi in Orleanna’s vertelling, met name haar status als mythologisch wezen in het Westen, symboliseert de uitwissing tussen koloniale en patriarchale kennissystemen.

Orleanna ontmoet de okapi in het bos en ze blijven allebei staan om elkaar aan te kijken. Het moment is betekenisvol omdat, hoewel de okapi tegen die tijd al in het Westen was erkend, dit een scène is waarin Orleanna als westerse vrouw, symbolisch bovengenoemde kennissystemen bestrijdt. Deze systemen sluiten vrouwen en niet-westerse volkeren uit als betrouwbare bronnen van kennis.

Terwijl ze de okapi ontmoet en later in het boek haar ervaringen in Congo deelt, erkent Orleanna dat ze net als veel missionarissen medeplichtig was aan de kolonisatie van Afrikanen. Omdat de methodes waarop hun missionarissenwerk berustte, afhankelijk waren van het conformeren aan kolonialisme. Ze stelt zichzelf de vraag: “Hoe zou Afrika er nu uitzien?” En antwoordt: “Het enige wat ik kan bedenken is die andere okapi, degene waar ze vroeger in geloofden. Een eenhoorn die je recht in de ogen kon kijken.”

Ze neemt een deel van de verantwoordelijkheid op zich, maar benadrukt ook dat ze gezien wil worden als een vrouw die zelf onderworpen werd door patriarchale normen. Met een blik naar de tragedies die later in de roman zullen plaatsvinden, biecht ze op:

Ik zou geen haar beter zijn dan de rest, als ik niet mijn eigen kleine aandeel in bloed had betaald. Ik trapte over Afrika heen zonder erbij na te denken, van het goddelijk geïnspireerde begin van ons gezin tot ons vreselijke einde.

En toch weigert ze de schuld alleen te dragen. Ze vraagt zich af:

Wat is de vrouw van de veroveraar, als zij niet zelf ook een verovering is? En trouwens, wat is híj dan? Wanneer hij komt binnengereden om de “ongerepte” stammen te onderwerpen.[sic]

Ze voegt er simpel aan toe: “Ik wist het niet. Ik had geen eigen leven,” maar compliceert deze bekentenis meteen door te wijzen op haar sociale positie als vrouw, gevormd door Victoriaanse idealen van vrouwelijke vroomheid, idealen die haar ertoe gebracht hadden zichzelf weg te cijferen, de opofferende rol als echtgenote te accepteren. Opvallend genoeg stelden deze idealen mannen aan als de belangrijkste kostwinners van het gezin, maar lieten ze een belangrijke vraag onbeantwoord: waar kwam die kost dan precies vandaan?

Tijdens het koloniale tijdperk financierden missionarissen, net als alle andere koloniale acteurs – soldaten en handelaren – hun huishoudens met de buit van koloniale veroveringen. In dit licht is Orleanna’s gezinsdynamiek geen uitzondering op de regel, maar een perfect voorbeeld ervan. Orleanna voegt daaraan toe:

Ik ben getrouwd met een man die nooit van me zou kunnen houden, waarschijnlijk. Het zou zijn toewijding aan de hele mensheid hebben geschonden. Ik bleef zijn vrouw omdat het één ding was dat ik elke dag kon doen.

Maar ook zij voelt dat dit niet genoeg verdediging is. Ze richt zich direct tot de lezer, want ze verwacht oordeel:

En je zult zeggen dat ik het wist. Je zult zeggen dat ik met mijn polsen vrij door Afrika liep, en nu ben ik weer een ziel die vrij loopt in een witte huid. Terwijl ik draden van de gestolen goederen draag: katoen of diamanten, vrijheid op zijn minst, voorspoed.

Sommigen van ons weten hoe we aan ons fortuin zijn gekomen, en sommigen niet, maar we dragen het toch. Er is nu maar één vraag die het waard is om te stellen: hoe zijn we van plan ermee te leven?

Reflecties: De blik beantwoorden

Orleanna concludeert dat, net als de niet-erkende okapi, een onoverwonnen Afrika de blik van de veroveraar altijd al heeft beantwoord. De hierboven genoemde citaten tonen een duidelijke verschuiving in haar eerdere perspectief. Haar ervaringen brachten haar tot het inzicht dat haar naar buiten gerichte blik op het ‘missieveld’ ook altijd werd beantwoord door de mensen, de natuur en de bredere werkelijkheid om haar heen. En deze bewustwording, van de beantwoordde blik, leidde tot een meer kritische en zelf-reflecterende blik op haar eigen positie.

Orleanna stelt daarom voor om die naar buiten gerichte blik niet vol te houden, maar in plaats daarvan op zichzelf te richten. Ze gaat verder dan de vraag of ze het had kunnen weten. Op die manier wordt zelfonderzoek een echte plek om af te rekenen met de eigen missionaire theologie. Dit is onderdeel van het werk van dekolonisatie: in kaart brengen wat kolonisatie heeft aangericht, waar je zelf aan meegewerkt hebt en hoe je misschien kunt bijdragen aan herstel.

Voor Orleanna begint dat proces met het erkennen van de gevolgen van de theologische ideeën die zij en haar gezin met zich meedroegen. Ideeën die macht en overheersing centraal stelden, zonder hun aannames in twijfel te trekken.

Zo reflecteert ze:

Nu lach je, dag en nacht, terwijl je aan mijn botten knaagt. Maar wat hadden we anders kunnen denken? Alleen dat het begon en eindigde met ons. Wat weten we, zelfs nu? Vraag het aan de kinderen. Kijk wat er van ze is geworden. We kunnen alleen spreken over de dingen die we met ons meedroegen, en de dingen die we hebben meegenomen.

Als christelijke missionarissen de taak hebben om het goede nieuws te verkondigen, dan moeten we ons afvragen: Hoe is overheersing hun goede nieuws geworden? En hoe zou goed nieuws er echt uit kunnen zien als het bevrijd is van de logica van overheersing?

Gedurende de rest van deze serie zal ik mij richten op verschillende thema’s uit deze roman, die ons helpen om de blik te richten op de blijvende gevolgen van de theologieën van overheersing die aan de basis liggen van veel zendingsmissies. Deze gevolgen omvatten theologische kaders die structurele problemen zoals uitbuiting van het milieu, diepgewortelde economische en sociale ongelijkheid hebben gelegitimeerd. Daarnaast hebben ze blijvende aannames gevormd over macht, de aarde en een gedeelde menselijkheid.

Read the English version of this article here

Thandi Soko-de Jong

Thandi Soko-de Jong is co-moderator van de gender justice reference group van de Wereldraad van Kerken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken