Menu

Premium

Erfenis, erfdeel, erfgenaam

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

Het woord ‘erfenis’ roept veelal iets op van een materiële nalatenschap. Toch wordt het woord ook gebruikt om een geestelijke nalatenschap uit te drukken: ‘de erfenis van Pim Fortuyn’. Dan wordt er vooral onder verstaan een bepaald gedachtegoed dat verplicht tot het uitwerken en doorgeven ervan. In onze cultuur is een materiële erfenis altijd verbonden met het overlijden van de erflater. Dat was in bijbelse tijden niet altijd het geval. Een zoon kon zijn erfdeel nog bij het leven van zijn vader opeisen (Luc. 15:nvv).

Dat in de Bijbel het heil gezien wordt als een erfenis die wij verwachten mogen, wordt in onze samenleving door velen met scepsis beoordeeld en gezien als een zoethoudertje voor goedgelovigen. Dat kan terecht zijn voorzover christenen niet duidelijk maken dat deze toekomstige erfenis invloed heeft op ons leven hier en nu. In de Bijbel heeft de toekomst altijd een terugwerkende kracht.

Woorden

Het werkwoord dat voor de bovengenoemde woorden in het Oude Testament gebruiktwordt, is jarasj, het belangrijkste zelfstandig naamwoord is nachala. Daarnaast komt goral voor, dat ‘lot’ kan betekenen (Num. 26:55), maar ook ‘datgene dat iemand door het lot toegewezen krijgt’, ‘erfdeel’ (Ri. 1:3). In het Nieuwe Testament vinden we het werkwoord klèronomein voor ‘beërven’ en de zelfstandige naamwoorden klèros en klèronomia voor ‘erfenis’, ‘erfdeel’. Klèros is meer concreet: ‘erfdeel’. Het kan ook ‘lot’ (Mar. 15:24) betekenen of het ambt dat je door het lot verwerft (Hand. 1:17). Klèronomia, ‘erfenis’, functioneert meer als een theologisch begrip waarmee de aspecten van het toekomstige heil kunnen worden uitgedrukt (zie onder).

Betekenis in context

Oude Testament

Zonen en dochters erven

In het Israëlitische erfrecht krijgt de oudste zoon een dubbel deel; hij heeft het eerstgeboorterecht (Deut. 21:15-17). Dochters krijgen niet een volledig erfdeel, maar ontvangen als bruidsschat toch een behoorlijk deel van het ouderlijk bezit (Gen. 31:14-15). Een volledige erfenis krijgen de dochters alleen wanneer ze geen broers hebben (Num. 27:111). Voorwaarde daarvoor is wel dat ze huwen binnen de stam, omdat een stam anders kan verarmen (Num. 36).

Het land (en het volk) als erfdeel van de Here

In het Oude Testament vinden we de uitdrukking dat het land Kanaän het erfdeel van Israël is, maar ook de gedachte dat het land of het volk Israël het erfdeel van Jhwh is (zie SV: Deut. 4:20; 9:26, 29; 32:9; Ps. 28:9; 33:12 enz.). Daar zit iets merkwaardigs in: hoe kan Jhwh, de God van Israël, iets erven en van wie dan? Op de achtergrond staat, zoals vaker in het Oude Testament, de Kanaänitische mythologie en de bijbehorende uitdrukkingswijze. We kennen uit de literatuur van Ugarit de polytheistische voorstelling dat de oppergod aan de goden (zijn zonen) een land of een stad als erfdeel uitreikt. Zo kon een land het erfdeel van een god heten en Israël het erfdeel van Jhwh genoemd worden, ook toen al lang de oude Kanaänitische godsvoorstelling doorbroken was. In het Oude Testament vinden we immers als heersende voorstelling niet dat Jhwh Israël als volk en als land krijgt, maar juist uitkiest (Deut. 7:6; Ps. 78:67-68 enz.). Psalm 82 kent ook nog de voorstelling van de godenvergadering (in het Oude Testament wordt niet zozeer het bestaan van meerdere goden ontkend, als wel het unieke van Israëls God beklemtoond; zie: afgod), maar loopt uit op de belijdenis: ‘Sta op, o God, richt de aarde, want Gij bezit alle volken’. Terzijde: wie een studie zou maken van de geloofstaal van pas gekerstende stammen en volken ontdekt waarschijnlijk iets dergelijks: aan de ene kant laat het oude heidendom nog steeds in die taal van zich spreken, aan de andere kant wordt in diezelfde taal juist kritisch over datzelfde heidendom gesproken.

Het land als erfdeel van Israël (zie: aarde, land)

De stammen van Israël (behalve Levi, zie onder) hebben het land Kanaän als erfdeel gekregen en wel door het lot (Num. 26:55v; Joz. 14:1vv). We moeten dit zien zien als een wat vereenvoudigde voorstelling van een ingewikkeld, langdurig, historisch proces van de verovering van het land. In elk geval wordt ermee uitgedrukt dat het beloofde land een geschenk is. In Ezechiël 45-48 vinden we opnieuw richtlijnen voor de verdeling van het land na de ballingschap. De aandacht die het thema van het land als erfdeel in het Oude Testament krijgt, maakt duidelijk dat het hier gaat om een centraal thema van Israëlsgeloof, dat verbonden is met de belofte van God aan Abraham (Gen. 12:7).

‘Gij zijt mijn erfdeel’

Bij de verdeling van het land krijgt de stam van Levi geen erfdeel. Immers, de Here is hun erfdeel (Num. 18:20; Deut. 10:9 enz.). Zij zullen zich mogen / moeten wijden aan de dienst van God. Van deze priesterdienst zullen ze dan ook leven (Deut. 18:1 enz.). De andere stammen moeten Levi onderhouden. De stam van Levi mag op een bijzondere manier zichtbaar maken dat het volk van God leeft van zijn goede gaven.

In Psalm 16:5 wordt God ook het erfdeel van de dichter genoemd. Het is natuurlijk mogelijk dat dit lied door een priester, een afstammeling van Levi, gezongen is; het kan ook zijn dat een niet-Leviet dit beeld gebruikt om uit te drukken wat hij allemaal van God ontvangen heeft en hoe hij de relatie met Hem ervaart.

Nieuwe Testament

De erflater en de erfenis

We moeten bij het woord ‘erfenis’ in het Nieuwe Testament niet altijd denken aan een erflater die sterven moet om de erfenis te kunnen nalaten. Soms speelt dat motief een duidelijke rol, bijvoorbeeld in Hebreeën 9:16vv. Daar wordt de erfenis van Gods heil nadrukkelijk verbonden met de dood van Christus. Bij Paulus wordt dit verband echter veel minder expliciet gelegd. Natuurlijk heeft de erfenis van het eeuwige leven voor hem alles te maken met het kruis en de opstanding van Jezus, maar als hij in Romeinen 8:12-17 en Galaten 4:1-11 over de erfenis van het heil spreekt, verbindt hij dit vooral met de Geest van Christus, die ons doet uitroepen ‘Abba, Vader’. De conclusie is duidelijk: dat kan alleen een kind van God roepen, en wie kind is, is ook erfgenaam.

De erfenis van het eeuwige leven

In het Nieuwe Testament wordt op een aantal plaatsen gesproken over de erfenis die weggelegd is voor de gelovigen. Steeds wordt uit de aard der zaak daarmee het toekomstige karakter van het heil aangeduid. Daarmee wordt niet ontkend dat we reeds in deze bedeling deel kunnen hebben aan het heil. Efeziërs 1:14 gebruikt daarvoor het prachtige beeld van het onderpand van de erfenis. Het gaat hier om een voorschot, een eerste uitbetaling, en daarmee wordt de gave van de Geest bedoeld. Het is opvallend dat we de woorden voor ‘beërven’, ‘erfenis’ en ‘erfdeel’ met name vinden in de synoptische evangeliën, de brieven van Paulus en in Hebreeën, maar in het geheel niet in het Evangelie van Johannes. Dat klopt met de nadruk die dit Evangelie legt op het heil dat nu al reëel aanwezig is in Jezus Christus, ook al is er het besef dat wij van God nog wat te verwachten hebben (zie Joh. 4:23; 5:25).

Welk heil wordt met het woord ‘erfenis’ aangeduid? In de synoptische evangeliën wordt het wel ‘het eeuwige leven’ (Mar. 10:17; Luc. 10:25) of ‘het Koninkrijk’ genoemd (Mat. 25:34). Paulus kent de laatste uitdrukking ook (1 Kor. 6:9, 10; 15:50; Gal. 5:21). Verder vinden we onder meer als inhoud van de erfenis: de aarde (Mat. 5:5), een naam (Hebr. 1:4), de beloften ofwel het beloofde (Hebr. 6:12) en de zegen (Hebr. 12:17; 1 Petr. 3:9). Kortom, bij het woord ‘erfenis’ gaat het om alle aspecten van het toekomstige heil dat God ons toezegt en voor ons bewaart. Het betreft de nieuwe werkelijkheid van God waarin de mens zal zijn zoals hij/zij bedoeld is en waarin hij/zij in vrede met God en de naaste kan leven.

Wie zijn de erfgenamen?

In het Nieuwe Testament wordt van de oudtestamentische figuren Abraham als de erfgenaam bij uitstek gezien. Aan hem is immers de belofte gegeven. Zo wordt hij inRomeinen 4:13 een erfgenaam van de wereld genoemd. Paulus benadrukt hier dat Abraham (en met hem alle gelovigen) deze erfenis niet via de wet, maar door de geloofsgerech-tigheid heeft ontvangen. In die lijn mogen de gelovigen ook kinderen van God zijn en dus ook erfgenamen van het eeuwige leven (Rom. 8:17; Gal. 4:7). Hebreeën 11 tekent ons de grote gelovigen uit het Oude Testament als erfgenamen: Noach (11:7), Abraham, Isaäk en Jakob(11:8-9).

In het Nieuwe Testament wordt in de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters de zoon van de heer van de wijngaard gezien als de erfgenaam (Mar. 12:7). Het is duidelijk dat Jezus daarmee zichzelf aanduidt. Ook in Hebreeën 1:2 wordt Christus ‘erfgenaam van alle dingen’ genoemd. Dat beelden altijd weer gerelativeerd en naast andere beelden gezet moeten worden, blijkt uit Hebreeën 9:16 waar Christus als de erflater gezien wordt. Impliciet wordt Jezus ook in Romeinen 8:17 als de erfgenaam bij uitstek gezien: de gelovigen worden hier ‘mede-erfgenamen van Christus’ genoemd. In Efeziërs 3:6 wordt het woord ‘mede-erfgenamen’ toegepast op de heidenen. Zij mogen met Israël in alle heilsgoederen van God delen.

De landbelofte in het Nieuwe Testament?

Een vérstrekkende vraag is of we de concrete invulling van het begrip ‘erfenis’ uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament terugvinden. Het gaat hier om grote vragen die de theologie sterk kunnen beïnvloeden: kunnen we zeggen dat de landbelofte van het Oude Testament in het Nieuwe Testament vergeestelijkt wordt? Gaat het in het Nieuwe Testament om iets ‘hogers’, iets dat minder concreet is dan het beloofde land van het Oude Testament? Was Kanaän hooguit een voorlopig symbool van het uiteindelijke heil, dat hemels en geestelijk is? Dat zou een forse breuk tussen het Oude en het Nieuwe Testament betekenen. Het chiliasme (leer van het duizendjarig vrederijk) meent dat de concrete beloften voor het land Israël en de stad Jeruzalem van het Oude Testament onverminderd blijven gelden, ook na de komst van Jezus Christus, en ziet in de teksten van Openbaring over het duizendjarig rijk (20:16) en de stad die uit de hemel neerdaalt (21:1vv) daarvoor een bewijs. Zonder alle speculaties van het chiliasme over te nemen, vinden we hier een bijbelse grondlijn in terug: God laat niet varen wat zijn hand begon. De beloften aan Israël, en zo ook aan deze aarde gegeven, blijven gelden.

Kern

Het bijbelse woord ‘erfenis’ zet het leven van de gelovige onder spanning: ons is iets groots beloofd waarvan nog maar een klein deel is gerealiseerd. Het geloof blijft dus, ook na de komst van Jezus Christus, toekomstgericht. Toch hebben gelovigen in de Bijbel de realiteit van deze belofte concreet ervaren. In het Nieuwe Testament wordt gesproken over de gave van de Geest, het onderpand, de eerste aanbetaling van de grote erfenis. Het accent kan wel eens verschillend vallen. In het Evangelie van Johannes valt grote nadruk op het heil dat reeds ervaren en ontvangen is. In Openbaring daarentegen wordt geroepen om de vervulling van het uiteindelijke heil.

Tegenover mensen voor wie er alleen dit leven is, is het van belang om met woorden en met een levenshouding duidelijk te maken dat de beloofde erfenis ons leven in een groots perspectief zet.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: Koninkrijk van God, aarde, afgod.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken