Hij draagt het water onder Zijn voeten
6e zondag van de zomer (Jesaja 63:7-14, Psalm 114 en Marcus 6:45-52)
De teksten van deze zondag ademen turbulentie, verwarring en het zoeken naar oriëntatie. Water in zijn levensbedreigende betekenis symboliseert in de teksten het gevaar van de chaos dat op de loer ligt. In Jesaja en Marcus zijn het respectievelijk ‘de Geest van de Heer’ en Jezus, aanvankelijk aangezien voor een ‘geestverschijning’, die rust brengen. Het herhaalde en wanhopig klinkende ‘Waar is Hij?’ uit Jesaja 63:11 resoneert in de paniekkreet van de leerlingen bij de veronderstelde ‘geestverschijning’ uit Marcus 6:49.
Het tekstgedeelte uit Jesaja begint met lof (63:7) en loopt er ook op uit (63:14). Binnen die inclusie worden we heen en weer geworpen. De achtergrond van de tekst wordt gevormd door de periode van de Babylonische ballingschap. Aan de ene kant wordt die periode ervaren als een tijd waarin een oordeel aan Israël wordt voltrokken. Aan de andere kant wordt een uitweg gezocht met inkeer.
Inkeer
Bijzonder is dat die inkeer ook in de Heer zelf wordt benoemd. God zelf lijkt bij zinnen te komen wanneer Hij denkt ‘aan de dagen van weleer’ (63:11a). Aansluitend daarop (11b) klinkt indringend de herhaalde roep ‘Waar is Hij?’. Die roep kan gelezen worden als een roep die de profeet lokaliseert bij het volk, maar ook als een roep van God zelf. In de tekst wordt zo niet alleen het volk heen en weer geworpen, maar ook God zelf. Het hele tekstgedeelte geeft daarmee uitdrukking aan de aanhef van vers 9: ‘In al hun nood was ook Hijzelf in nood.’ De ballingschap heeft dan misschien wel te maken met de vijandschap die het volk in de Heer heeft opgeroepen, maar deze vijandschap lijkt God ook in een worsteling met zichzelf te brengen. In vers 14b is het de profeet weer die God toespreekt.
‘Geestverschijning’
Tot drie keer toe is in het tekstgedeelte uit Jesaja sprake van een gestalte die associaties oproept met de ‘geestverschijning’ in de tekst uit Marcus 6. In Jesaja 63:9a wordt gesproken van ‘de engel van zijn tegenwoordigheid’ en in de verzen 10 en 11 van respectievelijk ‘zijn heilige Geest’ en ‘de Geest van de Heer’. De leerlingen zien een geest verschijnen, maar nemen deze niet waar als een Geest van de Heer. Wij echter, die de tekst uit Jesaja ernaast lezen en met name vers 14a: ‘het was de Geest van de Heer die hun rust gaf’ in onze oren hebben, ontkomen niet aan de associatie.
De rust die de Geest van de Heer het volk geeft in de tekst uit Jesaja, staat in schril contrast met het effect van de veronderstelde geestverschijning op de leerlingen. Ze blijken dan al lange tijd met hevige tegenwind te worstelen. Bij het vallen van de avond zijn ze midden op het meer (6:47), en tegen het einde van de nacht (6:48b) lijken ze nog niet veel verder te zijn gekomen. Ondertussen blijken ze – als we kijken naar de plek waar ze in vers 53 aan land komen, bij Gennesaret in plaats van Betsaïda – flink uit koers te zijn geraakt. Op het moment dat ze de geestverschijning waarnemen, weten ze wellicht al niet meer waar ze zijn. Desoriëntatie ten top. En precies op dat moment zien ze iemand of iets over het water heen naar hen toe lopen. Hun ondergang lijkt aanstaande.
Desoriëntatie
Overigens lopen de vertalingen hier uiteen. In plaats van ‘naar Betsaïda’ in 6:45 geeft de Statenvertaling: ‘tegenóver Betsaïda’. Het Griekse woordje pros betekent meestal gewoon ‘naar’ en niet ‘tegenover’. Tenzij direct in de context ook de andere zijde wordt genoemd. In dit geval is dat zo, want er staat (Gr.): eis to peran pros Bèthsaidan. Woordelijk vertaald is dit ‘naar de andere kant richting Betsaïda’, maar het kan dus ook gelezen worden als ‘naar de andere kant ten opzichte van Betsaïda’. Dat uiteenlopen van vertalingen speelt ook in het laatste gedeelte van 6:48b. De NBV vertaalt: ‘en Hij wilde hen voorbijlopen’, terwijl de Naardense Bijbel hier geeft: ‘Hij heeft bij hen willen komen.’ Beide vertalingen lijken mogelijk.
De mogelijkheid om in dit tekstgedeelte verschillende vertalingen te kunnen gebruiken, lijkt de desoriëntatie die het gedeelte kenmerkt alleen maar te versterken. Het brengt ons dichter bij de desoriëntatie van de leerlingen, die zich afvragen: Waar zijn we, waar gaan we heen en wat gebeurt er met ons nu een geest over het water heen naar ons toe loopt? In die vermeende geestverschijning balt zich voor de leerlingen alle dreiging van het moment samen.
Omkering
Wanneer we niet weten wat we zien, is er het risico dat we het vanuit onze angsten invullen. De reden dat de leerlingen Jezus niet gewaarworden, maar een geestverschijning zien, wordt gegeven in 6:52. Ze hadden niet gezien dat en hoe Jezus zich als de ‘engel van de tegenwoordigheid van de Heer’ (Jesaja 63:9a) openbaarde tijdens de wonderbare spijziging. En daardoor zien ze niet, kunnen ze niet zien dat Jezus ‘het water onder zijn voeten draagt’. De bewoording ‘Hij draagt het water onder zijn voeten’ is van Guillaume van der Graft in het gedicht ‘Vragenderwijs’, uit de bundel Mythologisch (Amsterdam 1997).
Deze bewoording brengt een treffende omkering teweeg. Het wonder is dan niet dat het water Jezus draagt, maar dat Jezus het water onder zijn voeten draagt. De bewoording legt de nadruk op Jezus als subject. Niet het water, maar Jezus is de handelende persoon, zoals de Heer in het gedeelte uit Jesaja zijn volk door de zee voerde en het water voor hen kliefde (63:11-12), waarover ook in Psalm 114:3.5 de lofprijzing klinkt. Vanuit deze omkering breekt het zicht door op de verschijning van de Geest in Jezus (Efeziërs 3:16).
Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.