Menu

Basis

Metal in de stad van God

Het christelijke oordeel over de metalwereld

Een zwart-wit foto van een concert, met een drumstel op de achtergrond en op de voorgrond het teken van metalmusic: pink en wijsvinger in de lucht.
(Beeld: txking, via iStock)

De frikandellen in de jeugdruimte van de kerk werden net uit de frituurpan gevist, toen ik ergens aan het begin van deze eeuw een gebrand cd’tje toegeschoven kreeg van een Amerikaanse metalband: P.O.D. Omdat ik 14 was – en daarmee zoekende naar elke mogelijke identiteit – zette ik thuis de plaat aan, en was voorgoed verkocht. Niet alleen aan P.O.D. maar aan het hele metal-genre. Wat ik nog niet wist, is hoe gevoelig dat lag in de christelijke wereld…

In de jaren ’80 en ’90 waren er, met name in de VS, grote verhalen over achterwaartse boodschappen – zeker ook in metalmuziek – die satanistisch of demonisch zouden zijn. Wat metal ook verdacht maakte was de ruimte in de teksten voor woede, agressie en wanhoop, het gebruik van drugs en alcohol, de moshpits en een rauwe kledingstijl. Daar hoort een christen zich verre van te houden, hoorde ik.

Dat was een dilemma. Ik was vooral onder de indruk van de band KoRn. Die band straalde op het oog een weinig christelijke levensstijl uit. Maar wat me bij hen diep raakte was de rauwheid, de echtheid, het niet vermijden van de lastige thema’s in het leven. Dat vond ik belangrijk. Het gevoel dat ik er toch niet naar mocht luisteren, voelde daarom als censuur, alsof ik in een bubbel zat, een kooi afgeschermd van het echte leven.

Ik ben toch in die metal blijven hangen, ondanks de worsteling. Ik ben inmiddels zelfs al 8 jaar drummer van de Nederlandse metalband Mountain Eye. Ik heb door de jaren heen tientallen concerten zelf gespeeld, ben naar nog meer concerten wezen kijken, en heb heel veel mensen ontmoet. Openlijk satanisme ben ik niet veel tegengekomen. Wel zag ik dat in die moshpits (de kolkende menigte voor de podia) vriendschappen ontstaan. Ik zag dat metal een inclusief genre is, waar ruimte is voor allerlei mensen van allerlei achtergronden, juist degenen die zich in de mainstream niet thuis voelen. En ik zag dat veel bands een bijna profetisch geluid vertegenwoordigen, met kritiek op aards onrecht, de vernietiging van de aarde door consumptie en zinloze oorlogen. Maar dat alsnog met elkaar gezocht wordt naar hoop.

En tja, dat vond ik toch ook weer heel christelijk. Volgens mij wordt van een volger van Jezus juist gevraagd ‘dode plaatsen’ op te zoeken. Mensen opzoeken die zich nergens anders thuis voelen. Niet weg te kijken bij onrecht en ellende, maar dat aan te durven gaan. En je bij dat alles niet teveel te bekommeren om wat de mainstream van je vindt.

Waar de christelijke mainstream zéker iets van vindt, zijn christelijke muzikanten in de seculiere, alternatieve muziekscene. Zo maakte de gitarist van eerdergenoemde band KoRn een veelbesproken bekering door tot het christendom, vertrok uit de band en keerde later weer terug in de band. Dat viel niet bij iedereen in de christelijke wereld goed.

Het viel me ook op toen ik laatst de reacties zag op het interview met de Nederlandse hardstyle-DJ Sefa. Ook hij bekeerde zich tot het christendom als muzikant in een alternatieve muziekscene. Hij werd ervan beschuldigd in twee werelden te blijven staan, en van twee walletjes te eten: de christelijke wereld én de muziekwereld.

In het ND neemt redacteur Dick Schinkelshoek het voor hem op. Hij betoogt dat dit verwijt vaak erg eenzijdig richting muzikanten en beroepssporters wordt gemaakt: “Alsof de accountant niet gegrepen kan zijn door geld, de ondernemer door succes en de dominee door status. Allemaal ingegeven door de wereld waarin ze dag in, dag uit actief zijn.” Schinkelshoek haalt Augustinus aan, die in Over de stad van God schrijft dat christenen allemaal in twee werelden leven, de stad van God en de aardse stad. Maar de grens tussen die twee gaat dwars door ieder mensenhart. Zo kunnen plekken die ‘stad van God’ lijken te zijn vol zitten met verbitterde of oordelende mensen. En kun je in de ‘aardse stad’ plots iets vinden van Gods liefde.

Dat herkende ik op mijn eigen muzikale weg. Natuurlijk, er zijn metalbands met provocerende teksten of acties die niet te rijmen zijn met de weg van Jezus. Maar dat geldt net zo goed voor bedrijven die burgers, overheden of de planeet benadelen met het oog op winstmaximalisatie en zelfverrijking. Tegelijk kan in een metaltekst waarin ruimte is voor wanhoop en uitzichtloosheid, meer van de Psalmen terugkomen dan in muziek die specifiek voor de kerk geschreven is. Zo’n metaltekst kan mensen aan elkaar verbinden, het gevoel geven niet alleen te zijn, en echte gesprekken starten.

Dat is volgens mij ook hoe de Augustijnse stad van God functioneert.

Dus, als ik nu terugkijk naar die situatie op mijn 14e en denk wat ik anders had moeten doen, denk ik vooral: kunnen frikandellen nu eigenlijk nog wel?

Matthijs den Otter

Matthijs den Otter is bestuurskundige, theoloog en metaldrummer. Hij werkt als adviseur inclusie, mensenrechten en het tegengaan van radicalisering en polarisatie bij de gemeente Utrecht, en promoveert aan de Vrije Universiteit Amsterdam op de rol die het hiernamaals speelt in het geloof van fundamentalistische christenen en moslims. Daarnaast speelt hij in de Nederlandse metalband Mountain Eye.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken