Ontmoetingen met Jung – waarom zijn stem nog altijd klinkt
Met Ontmoetingen met Jung brengt Tjeu van den Berk de beroemde Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung (1875–1961) opnieuw tot leven. Niet met een droge analyse, maar via de ontmoetingen die Jung zelf gevormd hebben. Uit dit boek komt niet het beeld naar voren van een abstracte denker in een ivoren toren, maar van een man die zich liet raken – door mensen, door dromen, door het onbevattelijke mysterie van het leven.
Leven uit meer dan ratio
‘Mijn ziel, mijn ziel, waar ben je? Hoor je mij – ik spreek, ik roep je – ben je daar?’ Met die woorden richtte Jung zich in de nacht van 12 november 1913 tot zijn innerlijk. Hij noteerde ze in zijn Zwarte Boeken, een reeks teksten die hem in slechts vijf maanden (van 12 november 1913 tot 19 april 1914) als het ware ‘overvielen’.
De weg: alleen kunnen zijn met jezelf
Op 19 april 1914, tweeënhalve maand voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, beleeft Jung een dramatische innerlijke ervaring. Hij voelt niet alleen dat God zich van hem terugtrekt, maar ook dat zijn ziel mee verdwijnt naar verre hemelse oorden. Wat resteert is een leeg en schamel ‘ik’. Een angstwekkend moment – en tegelijk de opmaat naar een diepere vorm van verlossing.
In Liber Primus haalt Jung een passage aan uit de periode van de Zwarte Boeken:[1]
“Ik kwam bij mijzelf uit, een ongeloofwaardige, beklagenswaardige figuur. Ik zit er gewoon mee opgescheept. Liever nog een boze vrouw of een kwade hond, maar het eigen ik, daar gruw ik van (…) Mijn ik, je bent een barbaar. Ik moet met je leven, daarom zal ik je helemaal door een middeleeuwse hel slepen, tot je zover bent dat leven met jou ondraaglijk wordt. Jij zult het vat en de baarmoeder van het leven worden, daarom zal ik je reinigen. De toetssteen is: alleen kunnen zijn met zichzelf. Dit is de weg.”
De breuk met Sigmund Freud
De citaten markeren een intense periode in het leven van Jung, die later zou uitgroeien tot een van de invloedrijkste stemmen in de psychologie en spiritualiteit van de 20e eeuw. Hij werd in 1875 geboren in het Zwitserse Kesswil als zoon van een protestantse predikant. Jung studeerde geneeskunde aan de universiteit van Basel en koos al vroeg voor de psychiatrie. In 1900 begon hij als arts-assistent in de psychiatrische kliniek Burghölzli in Zürich, onder leiding van Eugen Bleuler, waar hij werkte met psychotische patiënten. Zeven jaar later ontmoette hij Sigmund Freud. Hun samenwerking was intens en hecht; Jung gold zelfs enige tijd als Freuds ‘kroonprins’.
Zes jaar hield hun bondgenootschap stand, totdat de wegen uiteenliepen. De voormalige bondgenoten raakten in conflict over de betekenis van religie. Voor Freud was religie een illusie, een wensvervulling.[2] Jung daarentegen beschouwde religieuze ervaring als wezenlijk voor de psyche.[3]
Later zou hij daarover schrijven aan een collega: ‘Als u mij vraagt of ik me tot de gelovigen reken, dan moet ik met nee antwoorden. (…) Ik verafschuw geloof, dat wil zeggen dat of iemand anders in het bezit zou zijn van een absolute waarheid of dat ik een bijzonder begenadigd iemand zou zijn, die een orgaan meer heeft dan andere mensen.’[4]

Religie als psychologische realiteit
Voor Jung was religie in de eerste plaats een psychologische realiteit. Het ging hem niet om de vraag of religieuze voorstellingen waar of onwaar zijn, maar om hun betekenis als uitdrukkingen van het onbewuste. Daarbij sloot hij aan bij Rudolf Otto’s begrip numinosum: de ervaring van een mysterieuze, overweldigende kracht die tegelijk huiver en fascinatie oproept. Zulke ervaringen, en de symbolen die daaruit voortkomen, zijn volgens Jung onmisbaar voor de gezondheid van de psyche. Ze bieden houvast in het omgaan met existentiële vragen en met het irrationele dat ieder mens draagt. In zijn klinische praktijk zag hij hoe het verlies van religieuze ervaring vaak leidde tot ontregeling en leegte, terwijl het herontdekken van symbolische taal en rituelen juist helend kan werken. Religieuze symboliek verbindt het individu met diepere lagen van de ziel en opent een weg naar innerlijke heelheid.
Voor Jung was religie in de eerste plaats een psychologische realiteit; een uitdrukking van het onbewuste
Freud was het daar niet mee eens. In zijn latere boek Die Zukunft einer Illusion (1927) typeerde hij religie juist als een collectieve illusie: een product van menselijke verlangens naar bescherming, veiligheid en een vaderfiguur. Voor Freud was religie psychologisch verklaarbaar, maar niet houdbaar als bron van waarheid. Waar Jung religieuze ervaring zag als onmisbare realiteit voor de psyche, zag Freud haar vooral als wensdroom die vroeg of laat door de rede ontmaskerd moest worden.
Hoe een innerlijke crisis uitmondde in Het Rode Boek
De breuk stortte Jung in een periode van innerlijke crisis, waarin hij overspoeld werd door visioenen en droombeelden. Hij tekende en beschreef ze in wat later bekend zou worden als Het Rode Boek. In dit werk ligt de kiem voor veel van zijn latere theorieën.
Van den Berk bestudeerde Jung jarenlang, zonder aanvankelijk de bedoeling te hebben zijn losse studies te bundelen. “Na verloop van tijd merkte ik echter dat er steeds twee thema’s terugkeerden, die bovendien nauw met elkaar verbonden bleken,” schrijft hij.[5] Daarbij gaat het om het individuatieproces van de moderne mens en de relatie tussen psyche en materie.
Het individuatieproces van de moderne mens
De ondertitel van het boek – De moderne mens op zoek naar zijn ziel – zegt het eigenlijk al. De mens die ‘verlicht’ is opgevoed en de Middeleeuwen achter zich heeft gelaten, beseft volgens Van den Berk steeds sterker ‘dat hij zijn ziel aan het verliezen is.’ Juist dat spoor volgen is de kern van Jungs psychologie. En dat maakt de Zwitserse psychiater verrassend relevant voor vandaag.
De verlichte mens die de Middeleeuwen achter zich heeft gelaten, beseft steeds sterker dat hij zijn ziel aan het verliezen is
De mens leeft niet alleen van verstand en efficiëntie. Dat blijkt niet alleen uit Jungs theorieën, maar ook uit de persoonlijke ervaringen die hij naliet. Wij hebben ook een onbewuste, vol symbolen en beelden, die ons leven kleur en diepte geven. Wie dat negeert, verliest de verbinding met zichzelf. Daarom spreekt Jung over individuatie: heel worden door ook onze schaduw en onze dromen onder ogen te zien. In een tijd van burn-out, identiteitscrisis en maatschappelijke polarisatie is dat een inzicht van blijvende actualiteit.
De relatie tussen psyche en materie
Het tweede thema dat Van den Berk uitvoerig bespreekt, is de relatie tussen psyche en materie bij Jung. Voor de moderne mens lijken die twee werelden ver uit elkaar te liggen, alsof ze tegengesteld zijn. Jung dacht echter niet dualistisch, maar holistisch: hij verbond psyche en materie. In zijn visie lopen beide in elkaar over, en een gezond individuatieproces vraagt dat we ze goed op elkaar afstemmen.
Voor Jung draaide alles om de ervaring van het numineuze – dat huiveringwekkende en tegelijk fascinerende geheim dat zich aandient in dromen, mythen, mandala’s en visioenen
Jung wordt vaak gezien als een spirituele psychiater, en dat is terecht. Toch had hij een uitgesproken afkeer van georganiseerde religie en dogma’s. Niet omdat hij anti-kerkelijk was, maar omdat hij vond dat kerken het levende mysterie te vaak vastzetten in vormen en regels. Voor hem draaide alles om de ervaring van het numineuze – dat huiveringwekkende en tegelijk fascinerende geheim dat zich aandient in dromen, mythen, mandala’s en visioenen.
Het conflict tussen Jung en Martin Buber
Jung was een vernieuwer in zijn tijd, en vernieuwers trappen onvermijdelijk tegen heilige huisjes. De breuk met Freud bleef dan ook niet zijn enige conflict. Een aangrijpend hoofdstuk in dit boek gaat over de botsing met de Joodse filosoof Martin Buber. Voor Buber draait religie om de ontmoeting met de Ander – een Gij die mij aanspreekt. Jung daarentegen sprak over Godservaringen als innerlijke beelden, archetypen die opwellen uit het collectief onbewuste.

Buber vond dat reductionistisch, alsof God slechts een projectie van de psyche was. Dat tekent zijn felle verwijten aan het adres van Jung: hij verdacht hem ervan God te willen herleiden tot de menselijke psyche. Jung voelde zich echter misbegrepen. Voor hem was de psyche juist een venster naar het grotere geheel, een plek waar het numineuze zich laat ervaren. Van den Berk drukt het zo uit: ‘Lapidair gezegd: er ontspringt volgens Jung niet zoveel aan het innerlijk van de mens, het is eerder zo dat het innerlijk ontspringt aan de werkelijkheid zelf.’[6]
Dat conflict is ook vandaag theologisch relevant. Het werpt de vraag op: is religie in de kern relationeel (God tegenover mij) of archetypisch en innerlijk (God in mij)?
De mandala bij Jung: symbool van heelheid
Een bijzonder hoofdstuk in Jungs werk – en ook in Van den Berks boek – gaat over de mandala. Voor Jung was de mandala niet zomaar een kunstvorm of een oosters symbool, maar een uitdrukking van het diepste verlangen naar heelheid. De cirkel met een centrum staat voor de weg naar integratie: het midden vinden waar alle losse delen van ons bestaan samenkomen.
Jung ontdekte de mandala in een periode van persoonlijke crisis na de breuk met Freud. Terwijl hij overspoeld werd door innerlijke beelden, begon hij ze te tekenen. Steeds weer verschenen cirkelpatronen met een centrum. Later herkende hij dit motief in oosterse tradities, in middeleeuwse roosvensters en in alchemistische symboliek. Voor hem werd de mandala een universeel beeld van de psyche die zichzelf ordent.
In zijn klinische praktijk liet Jung ook patiënten tekenen of schilderen. Tot zijn verbazing dook het mandalamotief vaak spontaan op. Voor hem waren dit tekenen dat het proces van individuatie op gang was: het zoeken naar innerlijk midden en heelheid.

Waarom Jung ons vandaag nog iets te zeggen heeft
Een ontmoeting met Jung is zelden luchtig, zo blijkt uit het boek van Van den Berk. De lezer krijgt niet alleen zijn theorieën voorgeschoteld, maar wordt ook deelgenoot van zijn innerlijke worstelingen. Jung was een domineeszoon die praktiseerde wat hij predikte – niet in de kerk, en ook niet altijd in de spreekkamer, maar in het leven zelf.
Juist dat maakt hem ook vandaag relevant. Het boek is een oproep om onze schaduw onder ogen te zien, in een tijd die bol staat van projecties en vijandbeelden. In een samenleving vol versnippering geeft Jung taal aan de zoektocht naar heelheid. Hij laat ons opnieuw kennismaken met mythe, symboliek en spiritualiteit, zonder dat dit in starre dogma’s hoeft te eindigen. En in een tijd van ecologische crisis opent hij een kosmische blik waarin psyche en materie niet losstaan, maar één geheel vormen.
Kortom: voor de moderne mens die zijn ziel zoekt, blijft een ontmoeting met Jung de moeite waard.
Over de auteur
Kelly Keasberry is eco-theoloog en religiewetenschapper. Ze werkt als journalist voor het Vlaamse opinieblad Tertio en als eindredacteur bij Theologie.nl. Daarnaast doet ze onderzoek naar ecotheologie binnen de drie monotheïstische religies, in het kader van het project Existential Challenges of Planetary Health (VU Amsterdam/KU Leuven).
Dit boek bestellen?
Tjeu van den Berk. De moderne mens op zoek naar zijn ziel, Uitgeverij van Warven, Kampen, 2025
[1] Carl G. Jung, Liber Primus (citaat uit de Zwarte Boeken, november 1913–april 1914.
[2] Sigmund Freud, Die Zukunft einer Illusion, 1927.
[3] Carl G. Jung, Psychology and Religion, 1938.
[4] Van den Berk (2025), 134, met verwijzing naar Jung (1990), 112.
[5] Van den Berk (2025), 9.
[6] Ibid, 133.