Oorlog
wapentuig
De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat de geschiedenis van de mensheid niet veel anders lijkt te zijn dan een eindeloze aaneenschakeling van oorlogen. Vrede is eerder uitzondering dan regel. Wanneer de strijd is uitgewoed en de vrede gesloten, begint een nieuwe bewapeningswedloop. Ervaringen opgedaan in voorgaande oorlogen vormen de basis voor de verbetering van het oorlogsmaterieel. Ook op dit afschuwelijke terrein is de menselijke vindingrijkheid groot. Met als gevolg dat krijgsverrichtingen steeds meer mensenlevens eisen.
Oudtestamentische profeten hoopten dat zwaarden en speren ooit eens omgesmeed zouden worden tot landbouwwerktuigen. Die droom is nauwelijks werkelijkheid geworden. Zwaarden en speren zijn museumstukken geworden en in de loop der eeuwen vervangen door steeds moorddadiger wapens: mitrailleurs, tanks, straaljagers en intercontinentale raketten.
Grondtekst
Het belangrijkste Hebreeuwse woord voor ‘strijd’, ‘handgemeen’, ‘gevecht’ en ‘oorlog’ is milchamah. Het komt in het Oude Testament niet minder dan 315x voor (o.a. Gen. 14:2; Ex. 1:10; Num. 21:33; Deut. 20:12; Richt. 20:20; 1 Sam. 31:3; 2 Kon. 3:26; Jes. 21:15); een ‘iesj milcha-mah is een ‘strijder’ (o.a. Ex. 15:3; Num. 31:28).Het Griekse woord polemos is in het Nieuwe Testament voornamelijk in een apocalyptische context te vinden (Mat. 24:6; Mar. 13:37; Luc. 14:31; 21:9; 1 Kor. 14:8; Hebr. 11:34; Jak. 4:1; Op. 9:7,9; 11:7; 12:7,17; 13:7; 16:14; 19:19; 20:8); datzelfde geldt evenzeer voor het werkwoord polemeoo: strijden, oorlog voeren (Jak. 4:2; Op. 2:16; 12:7; 13:4; 17:14; 19:11). De term machè betekent ‘strijd’ in de zin van ‘twist’; niet een strijd met wapens, maar met woorden (2 Kor. 7:5; 2 Tim. 2:23; Tit. 3:9; Jak. 4:1), en in diezelfde zin dient ook het werkwoord makso-mai te worden vertaald (Joh. 6:52; Hand. 7:26; 2 Tim. 2:24; Jak. 4:2).
Letterlijk en concreet
a.Oorlogen zijn in de bijbel een voortdurend terugkerend verschijnsel. De belangrijkste oorzaak moet worden gezocht in de ligging van het land Israël op de wereldbol: in het zuiden Egypte, in het noorden Syrië en in het oosten het oude cultuurgebied Mesopotamië waar achtereenvolgens onder meer Sumeriërs, Assyriërs, Babyloniërs en Perzen de macht in handen hadden. Israël vormde de ‘brug’ tussen genoemde gebieden. Die geografische ligging had voordelen, maar ook nadelen. Karavaanroutes doorsneden het land en bevorderden handel en nijverheid. De schaduwzijde was dat de omringende grootmachten elkaar het gebied – vanwege zijn vruchtbaarheid, maar vooral vanwege zijn strategisch belang – regelmatig betwistten. Na de verovering van het beloofde land was het ‘kleine’ Israël veelvuldig een speelbal in de handen van grote machthebbers. Bijbelboeken als Richteren, Samuël, Koningen en Kronieken spreken wat dat betreft duidelijke taal. Zij vertellen de verhalen over vijandelijkheden en over oprukkende legers, over pijnlijke nederlagen en over glorieuze overwinningen, over belegeringen van steden en over miraculeuze ontsnappingen, over deportaties van grote bevolkingsgroepen en over de onverwachte terugkeer van een deel van hun nazaten.
b.Grenzen lagen zelden lang vast, maar werden voortdurend gecorrigeerd. Zo lag het land na de verbijsterende veldtocht van Alexander de Grote gedurende een eeuw binnen de invloedssfeer van Egypte. Omstreeks het jaar 200 v.Chr. bestreden Syriërs en Egyptenaren elkaar in het noorden van Israël. De Syriërs zegevierden en breidden onmiddellijk hun macht verder naar het zuiden uit. De maatregelen die de Syrische vorst Antiochus IV Epifanes enkele decennia later op het terrein van de joodse godsdienst meende te moeten nemen, leidden tot een opstand van de vromen onder leiding van de Makkabeeën. De onverwachte joodse overwinning bracht geen duurzame vrede, maar een eindeloze reeks nieuwe schermutselingen. In 63v.Chr. werd het joodse land deel van het Romeinse rijk. Als grensgebied van het machtige imperium was het geen toonbeeld van de veel geroemde pax romana.
c.Ook in de nieuwtestamentische periode was van een vredelievende toestand geen sprake. Als gevolg van zowel ontactisch optreden van Romeinse magistraten als van de onverzoenlijke houding van de radicale Zeloten namen de spanningen steeds verder toe. In 66 na Chr. brak de Joodse Oorlog uit die veel mensenlevens kostte en tragisch eindigde met de verwoesting van de tempel te Jeruzalem.
Beeldspraak en symboliek
a.Na de succesvolle ontsnapping van het volk Israël uit Egypte zingt Mozes samen met de Israëlieten een lied ter ere van de Heer: ‘Ik wil zingen voor de Heer, want Hij is de Hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee’ (Ex. 15:1). De ondergang van het leger van de farao was niet het gevolg van het strategisch vernuft van Mozes of van de strijdlust van de Israëlieten, maar van goddelijk ingrijpen: ‘De wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij (God) wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen. Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt. Uw hand, Heer, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer’ (Ex. 15:4-6).
b.De overtuiging dat God aan de zijde van het volk Israël strijdt en dat aan Hem de overwinning te danken is, treft men vooral in die bijbelboeken aan die zich richten op de periode voorafgaande aan de splitsing van het rijk van David en Salomo in twee koninkrijken: Israël in het noorden en Juda in het zuiden. Dankzij Gods hulp overwint Israël in de woestijn Amalek (Ex. 17:8-16), dat tot zijn aartsvijand zou uitgroeien (Deut. 25:17-19; 1 Sam. 15:2-9 – vgl. Est. 3:1 waar gesproken wordt over ‘Agagiet Haman’ die van zins is koning Ahasveros zo ver te krijgen dat alle Joden in het rijk uitgeroeid zouden worden; de koning der Amalekieten tegen wie Saul ten strijde trekt, heette Agag).
c.De verovering van het beloofde land geschiedde naar de overtuiging van de schrijver van het bijbelboek Jozua eveneens met Gods hulp (Joz. 10:12). Datzelfde geldt ook van de succesvolle gevechten die de ‘richters’, ieder op een eigen wijze, tegen vijanden en onderdrukkers leverden (Richt. 3:10,15; 4:1-24; 6:12; 6:33-40).
d.In de apocalyptische toekomstvisie ontwikkelt zich de voorstelling dat aan het einde van de wereldgeschiedenis slag geleverd zal worden, een laatste beslissende veldslag tegen de kwade machten. In de grotten van Qumran is zelfs een rol gevonden die geheel aan deze strijd is gewijd: ‘Als zij ten strijde trekken zal men op hun vaandels schrijven: “Waarheid Gods”, “Gerechtigheid Gods”, “Glorie Gods”, “Gericht Gods”… Als zij de strijd naderen, zal men op hun vaandels schrijven: “Rechterhand Gods”, “Vastgestelde tijd Gods”, “Verwarring Gods”, “Gesneuvelden Gods”… Als zij uit de strijd terugkeren zal men op hun vaandels schrijven: “Lofrede Gods”, “Grootheid Gods”, “Lofprijzing Gods’, “Glorie Gods…’ (Rol van de Oorlog rV,6-8).
e.In een van zijn brieven schrijft Paulus de volgende vergelijking die eveneens strijdvaardig klinkt: ‘Laten wij, die behoren aan de dag, nuchter zijn, de borst gepantserd met geloof en liefde, de helm van de hoop op redding op het hoofd’ (1 Tess. 5:8). In enkele andere nieuwtestamentische geschriften hebben leerlingen en geestverwanten van de apostel dit beeld overgenomen en verder uitgewerkt tot ‘de geestelijke wapenrusting’: ‘Tenslotte, zoek uw kracht bij de Heer en zijn almacht. Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen. Grijp daarom naar de wapenrusting van God om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad en staande te blijven, strijdend tot het einde. Stel u op, de waarachtigheid als een gordel om uw middel, de gerechtigheid als een pantser om uw borst, de ijver voor het evangelie van de vrede als schoeisel aan uw voeten. Draag steeds het schild van het geloof, waarmee u alle brandende pijlen van het kwaad kunt doven. Draag ook de helm van de redding en het zwaard van de Geest, dat wil zeggen, het woord van God’ (Ef. 6:10-17; vgl. Kol.4:2-4).
f.Het laatste bijbelboek geeft geen uitputtend verslag van de eindstrijd, maar bevat wel beschrijvingen van bepaalde momenten uit de beslissende gevechten tussen goed en kwaad: in de hemel voeren Michaël en zijn engelen oorlog tegen de draak en zijn trawanten (Op. 12:7-12); de draak ontketent een oorlog tegen de christelijke gemeente (12:17); de grote oorlog die (voorlopig!) het einde inluidt van de verwoestende macht van het beest uit de afgrond en diens medestanders (16:14,16; 19:19-21); na het einde van het duizendjarig rijk zal nog een keer een hevige strijd ontbranden die het definitieve einde van al Gods vijanden zal betekenen (20:7-10).
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 7; 17; 35; 46; 57; 68; 72; 76; 83; 89; 149; Gezang 6; 9; 10; 23; 25; 42; 88; 285; 294; 304; Droom: 19; Eva I: 40; 41; II: 33; 56; Gezegend: 193; 267; Honderd: 90; Hoop: 74; 78; 79; Liefde: 42; Liturgie: 151; 161; 425; 463; Verzamelde: 158; 159; (= Liedboek: Gezang 69); Zingend III: 1; 61; IV: 75; VI: 49; 58; 61; Zolang: 84.
b Poëzie:
Geert Boogaard, En toch…, Nijkerk 1977, blz. 15: ‘In militaire dienst’. Remco Campert, Dichter, Amsterdam 1995, blz. 186: ‘1945’. Hanny Michaelis, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1996, blz. 186: ‘Zolang er mensen zijn.’. Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19755, blz. 85: ‘Soldatenkerstmis’; 195: ‘De soldaat en de zee’. A. Roland Holst, In ballingschap, Den Haag 1957, blz.. 117: ‘Drie Dichters en de Oorlog I’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 170-171: ‘Twee gedichten tegen de oorlog’; 174: ‘De oorlog is niet over’. Dorothee Sölle, De moeder van Eva, Baarn 1985, blz. 16: ‘oorlog’.
c.Verwerking:
In de mythen en verhalen van goden en helden treffen we vaak wapens aan die fungeren als hun attribuut. Dikwijls symboliseren de wapens hun strijd tegen het kwaad. Tot op de dag van vandaag maakt de mens deel uit van het drama, dat hij verwikkeld is in een strijd, in het klein en in het groot, soms op leven en dood. Het verwarrende daarbij is dat kwaad (geweld, wapentuig, oorlog) dikwijls met kwaad (geweld, wapentuig, oorlog) moet worden bestreden. Vragen die hier aan de orde dienen te komen, zijn: Hoe ervaren wij oorlog vandaag? In welke strijd zijn wijzelf betrokken? Welke wapens hanteren wij om het kwaad te bestrijden? Waar komt die eeuwigdurende oorlog vandaan? Wat betekent de symboliek van het omsmeden van zwaarden tot ploegscharen voor onze keuzes? Welke symboliek zou vandaag passen om hetzelfde te zeggen? De thema’s die door het begrip oorlog worden opgeroepen, zijn onder andere: goed en kwaad, verlangen naar vrede, eindtijd, oordeel, nieuwe hemel en aarde, en het toekomstige beloofde land.
Verwijzing
Het woord oorlog is verbonden met vrij veel woorden. We noemen: ‘leger‘, ‘draak‘, ‘satan‘, ‘paard‘, ‘ploeg‘ (ploegschaar), ‘muur‘ en ‘kroon‘ (wedloop).