Menu

Premium

Preekschets 2 Samuel 23:16

2 Samuël 23:16
Tiende zondag na Pinksteren

Maar deze wilde het niet drinken, doch plengde het voor de Here.

Schriftlezingen: 2 Samuël 23:8-39; Marcus 10:35-45

Het eigene van de zondag

Voor de trouwe kerkganger lijkt het me logischer dat we 2 Samuël 22 en 23:1-7 (laatste woorden van David) ook voór hét laatst bewaren. Vandaar de tekstkeuze voor deze zondag en de zondag hierna. Zie verder bij de preekschets voor de negende zondag na Pinksteren.

Uitleg

Ook dit verhaal, ingeklemd tussen een lijst van ‘helden’ van David, heeft zich jaren terug afgespeeld (zie bij de schets voor de negende zondag na Pinksteren), maar wil kennelijk nog iets wezenlijks toevoegen aan het beeld van David, zoals we dat inmiddels hebben. De verwijzing naar Refaïm (vs 13) legt voor de lezer een verbinding met 2 Samuël 5:18 en 22. Dan zijn we in de beginjaren van Davids koningschap. Het is een verhaal waarmee hij duidelijk indruk gemaakt heeft. Vergelijk 1 Kronieken 11:10-47. Voor de preek voegen de verschillen niets toe.

Mij intrigeerde meteen de gibborim (vs 8, 9, 16, 17). Alle vertalingen vertalen met ‘helden’ (zelfs Het Boek; vgl. de Franse en Engelse vertalingen: vaillants hommes en mighty men).Met het woord ‘held’ zijn echter ook wij voorzichtiger geworden, vooral met ‘krijgsheld’. ‘Held’ romantiseert de oorlog te veel, terwijl een oorlog alleen maar afschuwelijk is. Letterlijk zijn kampvechters bedoeld, dappere en zeer geoefende strijders. Van gabar krachtig zijn, gebura kracht, sterkte (ook van God, vgl. NT dunamis) en gibbor kampvechter, ‘held’ ook van engelen (o.a. Ps. 103, ThWAT I, 901-919). Hoewel de tekst niet steeds precies te volgen is, maar de auteur het getal 37 in zijn hoofd heeft (vs 39), onderscheiden we 1. ‘de drie boven alles’, Joscheb Baschebeth (SV) oftewel Adion de Esniet (NV; MT wil gelezen hebben Jišbošèt of Jišba’al), verder Eleazar en Samma; zij vormden een categorie apart, solisten met anekdotische huzarenstukjes op hun naam; 2.’de dertig’, een keurkorps van aanvoerders (vgl. vs13 roš), stuk voor stuk dappere officieren; oorspronkelijk mogelijk de top-dertig van David. Hier worden echter minstens 31 (waarschijnlijk 34) gekwalificeerden genoemd; 3. de drie aanvoerders die het water gaan halen in Betlehem. De laatsten vormen de top-drie van ‘de dertig’. Van hen vallen slechts twee namen: Abisai, de roš van de drie (vs 18, 19) en Benaja, de naam van nummer drie blijft ongenoemd (was het Joab, die nogal opvallend onder de 31 namen ontbreekt?). Mogelijk de gebruikelijke organisatie van een leger in die tijd. Wat betekenen deze gibborim voor David en wie is David voor hen?

Het valt op, dat in het Nieuwe Testament de gibborim totaal verdwenen zijn. Jezus stelt er wel twaalf aan om ‘met Hem te zijn’ (Mar. 3:14). Onder hen is er ook een top-drie: Petrus, Johannes en Jakobus (de laatste twee Boanerges, zonen des donders, genoemd! Mar. 3:17) en ook een vrouwelijke top-drie: Maria Magdalena, Johanna en Susanna (flinke, intelligente vrouwen, geen poeslieve adoreerders, Luc. 8:1-3). Maar strijd (vgl. Luc. 13:24; 1Tim. 6:12; 2 Tim. 4:7) wordt nu vooral verbonden met bidden (vgl. Luc. 22:44 agonia; ook Paulus in o.a. Rom. 15:30 sunagonizomai, vgl. ook Ef. 610-20). Achter Jezus wordt niet meer gevochten met het zwaard. De ‘zonen des donders’ (ondanks hun passie, vgl. Mar. 10:35-45) kunnen zelfs niet een uur met Jezus waken, Petrus hakt slechts het oor van een slaaf af en vervolgens vluchten zij allen. Ook de vrouwelijke top-drie moet afstand nemen, maar houdt het langer vol onder het kruis. Maken de gibborim van David meer klaar?

Vers 13-17: Midden tussen het noemen van al deze wapenbroeders, ineens een kort verhaal over David en de drie (van de dertig). De drie ‘daalden af’ tot David. Kennelijk hebben ze hun commando, dat hoger gelegen de strijd met de Filistijnen afwacht, even verlaten om met David zelf – in of bij de spelonk van Adullam, vgl. 1 Samuël 22:1 – de strategie te bespreken. Waarschijnlijk is Saul al dood, maar ‘daarmee is het vluchten voor David nog niet voorbij’ (W.C. Lamain). Bij de bespreking gaat het ook over de situatie in Betlehem, dat nog steeds in handen van de Filistijnen is. Het is oogsttijd, snikheet. ‘En er kwam een verlangen bij David op’, ‘awah (vs 15) pi. begeren, hitp. zich zeer verlangend tonen. Dit kan positief: als een verlangen van de vrome naar God (Ps. 10:17; 38:10), maar ook heel negatief (vgl. Num. 11:4-35; ThWAT I, 145) uitgelegd worden. De b’or bij de poort van Betlehem is een in de rots uitgehakte waterput, geen bron of ‘bornput’ (SV).David moet als herder de plek van jongs af gekend hebben. Zijn hartstochtelijke wens is een mix van heimwee en nostalgisch verlangen naar ‘the touch of the green, green grass of home’. Maar ook een diep verlangen naar de vervulling van zijn Messiaanse koningschap, in Betlehem hem toegezegd (1 Sam. 16). Bij de spelonk zal op zich geen watergebrek geweest zijn.

De reactie van de drie is schitterend. Zij knipogen naar elkaar en bij het donker worden lopen ze heimelijk met z’n drieën door de nacht naar Betlehem (bijna een dag lopen), vechten (baq’a splijten, een bres slaan) zich door de wachtpost (Abisaï kende de weg), putten een kruik water, lopen de hele afstand weer terug en dan: surprise, surprise. Echter, nog mooier is Davids reactie. Hij wordt heel emotioneel – ‘het zij verre van mij’ is een sterke ontkenning (vgl. Gen. 18:25; 1 Sam. 2:30; 24:7;2 Sam. 20:20). Ook ábah afwijzen. Hij roept de Naam aan, ter bescherming tegen de verzoeking. De kruik water symboliseert voor hem het leven van zijn drie strijdmakkers (het bloed der mannen hadam ha’anašim). Dat mag David niet drinken, het leven komt alleen God toe. Daarom was het eten of drinken van bloed in Israël ook verboden. Je proeft Davids huiver. Hij giet het water dan ook uit (nasak uitgieten, ook gebruikt bij het plengen van drankoffers, vgl. Gen. 35: 14; Jer.32:29;nota bene Ps. 16:4) voor (le) Jahweh. Hij gooit het niet zomaar weg. In zoverre weet hij de actie van zijn vrienden te waarderen. Maar hun daad getuigt naast grote toewijding aan hem toch vooral van overschatting van eigen kunnen en een fout streven om via dit soort heldendaden toch vooral bij de top-drie te willen horen.

Een parallel naar de Zebedeïden ligt voor de hand. Ook hun radicale toewijding aan Jezus en de komst van het Koninkrijk wordt door Jezus niet afgewezen, maar Hij zet hen wel op hun plek. Het Rijk komt niet door heldhaftige acties, en ook niet door vrome acties van ‘helden van het kruis’, maar door het offer dat Hijzelf zal brengen en Hij roept ons in dat spoor Hem te volgen, In de actie van de drie zit te weinig ernst, teveel overschatting van eigen krachten. In Davids reactie zit des te meer ernst en verootmoediging. Hij beseft dat de komst van het Rijk van God een zaak van God is, Hem behoren zij en hij toe. Hij schaamt zich, neemt afstand van zijn nostalgisch geneuzel: heimwee helpt niet verder, wel het vertrouwen op Gods beloften voor vandaag en morgen. Ook geen heldendaden, maar trouw zijn aan je goddelijke roeping. Ook Jezus is geen held. Geen held, maar een Heiland.

Aanwijzingen voor de prediking

1. De preek zou kunnen inzetten met de vraag: Wat is een held? In het kleine boerendorp in Duitsland, waar ik als predikant begon, stond vlakbij de kerk een ‘Denkmal’ voor de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog. Erboven stond ‘Unsre Helden’. Op een aparte gedenksteen op de grond stonden de namen van de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog. Zonder opschrift, in andere gemeenten ‘Zu Ermahnung’. Waren deze boerenjongens helden geweest? Met het woord held zijn wij terughoudend geworden. Terecht. Het raakt al gauw aan verkeerde prikkels en foute ambities, ook in onze samenleving, en niet minder in kerk en gemeente. Het volgen van Jezus roept altijd strijd op. Maar wat voor strijd?

2.Men zou ook kunnen inzetten met het heimwee van David. Naar zijn jeugd, naar zijn geboortestad, het water van toen. Allemaal heel menselijk, vooral als het met je leven maar niet echt opschiet. Dan weer hapert het hier (relatie, gezin, kinderen, werk), dan weer daar (volwassen wordende kinderen, burn-out verschijnselen, allerlei midlifesores). Aan heimwee moet je je niet laven. De verleiding is echter heel groot, en er zit veel heimwee op het moment overal onder de mensen.

3. Maar, noch heldhaftig gedrag, ook niet op de vrome manier, noch ‘heimwee naar het leven zonder krassen op je ziel’ helpt verder. Onder het een zit een ongezonde geldingsdrang om je waar te maken naar David toe, naar God, naar Jezus, naar …toe, waarbij heel positieve bedoelingen en gedachten een rol spelen, maar ook heel foute en fnuikende. Je overschat jezelf. ‘Wij mensen leven voor de toespraken om ons graf. we zitten een heel leven lang te ploeteren om onze foto in de krant te krijgen, als we begraven worden. (O. Jager). Heimwee, hang naar heldhaftigheid en focussen op ereplekken kunnen iets heel onvolwassens hebben. Het is geen zuiver water. Je moet het zo snel mogelijk uit gieten. Nostalgie en hang naar vroeger in kerk en gemeente maken ons voornamelijk passief.

4. Davids reactie is heel verrassend. Hij corrigeert zichzelf heel duidelijk naar God toe. Hij schaamt zich voor zijn sentimenteel gepraat over Betlehem, alsof God gisteren, vandaag en morgen niet Dezelfde is in zijn trouw. Hij corrigeert ook zijn strijdmakkers, zonder iets af te doen van hun intenties naar hem toe. Met dit gebaar maakt David diepe indruk. De vechtkoning is ten diepste een herder met een heel priesterlijk hart, een koning voor wie een mensenleven telt. Onze beste krachten komen God en de komst van het Rijk toe. In het niet-drinken maar uitgieten, toont hij zijn diepe verbondenheid met zijn makkers. Giet hij als het ware zichzelf út voor hen.

5. In Jezus’ omgeving gaat het om andere helden, volgens de regel: geen glorie, maar offer. Eerst sterven, dan streven. ‘Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mar. 10:45). Daarom: ‘Wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn’. Deze mensen worden niet altijd opgemerkt onder de top-dertig van de gemeente. Veelal in stilte zetten ze zich in voor zieken, ouderen, bepaalde familieleden, buren.

Gewoon bezig met bidden, het goede doen en wachten op God.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalmen en gezangen die iets uitdrukken van Davids strijd en geloof, verlangen en heimwee naar het Koninkrijk van God. Daarbij kan men denken aan: Psalm 18:8, 9, 10; 42; 72; 108; Gezang 298; 299; 317; 469; 481.

Geraadpleegde literatuur

Van de gebruikelijke handboeken en commentaren, waarvan een aantal ons helaas aan ons zelf overlaat-geen Calvijn, geen BK, geen POT-noem ik expliciet:

E. Jenni en C.Westermann, Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, München 1971 (ThHAT) en G.J. Botterweck en H. Ringgren, Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament, Stuttgart 1973 (afgekort ThWAT). Verder inspireerde mij T.J.M. Naastepad, Het geheim van Rachel, Antwerpen 1965; M.R. van den Berg, Hel tweede boek Samuël, Amsterdam 1997; Nico ter Linden, Het verhaal gaat deel 3; E. de Vries, David koning van Israël. De neergang van zijn koningschap, Kampen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken