Menu

Premium

Preekschets Jesaja 2:2a – Eerste Advent

Jesaja 2:2a

Eerste Advent

En het zal geschieden in het laatste der dagen.

Schriftlezing: Jesaja 2:1-5

Het eigene van de zondag

In de vier Adventszondagen van dit jaar is gekozen voor de lezingen uit het gemeenschappelijke leesrooster (Dienstboek 1998, 1199). Dat is niet gebruikelijk in de Postille. Die gaat doorgaans zijn eigen gang. Er is echter een goede reden om nu van deze regel af te wijken en dat is de in oktober 2004 verschenen Nieuwe Bijbelvertaling (NBV). Juist bij bekende teksten zullen de hoorders de oren spitsen wanneer ze anders zijn verwoord. Tot die bekende teksten horen over het algemeen ook de profetieën van Jesaja zoals die doorgaans in de Adventstijd worden gelezen. Door de veranderingen in de nieuwe vertaling zullen bepaalde elementen extra aandacht krijgen. Bij de verkondiging kan men daarbij aanknopen. Helaas was op het moment van schrijven de tekst van de nbv nog niet beschikbaar, maar de komst van deze veelbelovende nieuwe vertaling is wel een goede aanleiding om weer eens te kijken naar de vragen rond de vertaling van een aantal sleutelteksten. In het algemeen kan hier nog worden opgemerkt dat de keuze voor profetische teksten benadrukt dat de Adventsperiode een tijd is om kritisch te kijken naar onszelf en de wereld waarin wij leven, maar ook een tijd om vol verwachting uit te zien naar de toekomst die God biedt.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 122, over de vrolijke, gezamenlijke opgang naar Jeruzalem, sluit mooi aan bij Jesaja 2. Men zou het feit dat wij als niet-Joden dit lied aanheffen kunnen zien als een gedeeltelijke vervulling van de profetie. De Gezangen 120, 126 en 127 passen ook goed in dit kader, naast de fraaie berijming in Gezang 23. In de liturgie kan er ook stem gegeven worden aan de botsing tussen de belofte uit Jesaja en de in veel opzichten bittere werkelijkheid. Dat kan in het Kyriëgebed en in liederen waarmee we bidden om vrede, zoals Gezang 280 en 286. Matteüs 24:32-44 wordt voorgesteld als evangelielezing.

Geraadpleegde literatuur

W.L. Dekker, ‘Jesaja 2:1-4’, in: J.H. van der Laan e.a. (red.), Woord in beweging I, Kampen 1984, 271-280; N. Schuman, ‘Tussen waken en dromen’, in: N. Schuman, Verbonden voor het leven, Delft 1988, 125-127; J. Blenkinsopp, Isaiah 1-39 (The Anchor Bible 14), New York 2000; B.S. Child, Isaiah (Old Testament Library), Westminster 2001; A.L.H.M. van Wieringen, ‘The Day Beyond the Days: Isaiah 2:2 within the Framework of the Book Isaiah’, in: F. Postma e.a. (red.), The New Things. Eschatology in Old Testament Prophecy (Festschrift H. Leene; ACEBT Suppl. 3), Maastricht 2002, 253-259.

Uitleg

‘En het zal geschieden in het laatste der dagen.’ Zo stond het ook al in de Statenvertaling. Vergeleken met de voorpublicaties van de nbv in de bundels Werk in uitvoering, valt op hoe dicht de vertaling uit 1951 doorgaans nog bij de Statenvertaling bleef. De nbv is veel meer vernieuwend, omdat consequent gekozen is voor een weergave in natuurlijk Nederlands. De keerzijde daarvan is dat het achterliggende Hebreeuws minder goed herkenbaar is in de vertaling. Dat wil niet zeggen dat de vertaling minder recht doet aan de brontekst, maar wel dat men meer moeite moet doen om de weg terug af te leggen, van de vertaling in het Nederlands naar het oorspronkelijke Hebreeuws.

‘En het zal geschieden in het laatste der dagen’ is geen natuurlijk Nederlands meer. In de Willibrordvertaling (KBS) staat hier: ‘Op het einde der dagen’ en in de Groot Nieuws Bijbel: ‘In de toekomst’. Dat laatste brengt het al een stuk dichterbij, niet alleen in het taalgebruik, maar ook als verwachting. Zoals het er nu staat, kan de lezer het zich voorstellen dat hij/zij het zelf mee zou kunnen maken. Wat dachten de eerste lezers van het boek Jesaja bij de woorden be’acherit hayamim? De term verwijst naar een moment na bepaalde, voor de lezers blijkbaar bekende, dagen. Kijkt men naar de directe context van deze tijdsaanduidingen, dan ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de eerder in 1:1 gegeven datering. Het visioen in hoofdstuk 2 wordt immers met bijna dezelfde woorden ingeleid. Ook in 1:1 worden ‘dagen’ genoemd en hier zijn ze eenvoudig te dateren. Ze zijn verbonden met koningen van Juda die we ook kennen uit andere bronnen. De eerste, Uzzia, wordt ook genoemd in 6:1. Daar is sprake van zijn sterfjaar. Dat geeft aan dat het voorafgaande (met uitzondering van het in 2:2 genoemde visioen) met zijn regeringstijd verbonden is. De tweede koning uit de lijst van 1:1 is Jotam. Hij wordt verder alleen genoemd aan het begin van hoofdstuk 7: ‘in de dagen van Achaz, de zoon van Jotam’. Blijkbaar vond het in hoofdstuk 6 beschrevene plaats toen Jotam koning over Juda was. De ‘dagen van Achaz’ lopen van 7:1 tot 14:28, waar zijn dood staat vermeld. Van de laatste in 1:1 genoemde koning Hizkia lezen we in 36: 1 dat hij al veertien jaar aan de macht is. Volgens het verhaal van zijn Godgegeven genezing krijgt hij er nog vijftien jaar bij (38:5). Maar ook aan deze lange regeringstijd komt een einde. Dat wordt nadrukkelijk en onheilspellend aangekondigd in 39:5-6. De profeet zelf zegt het Hizkia aan: ‘Er zullen dagen komen, dat alles wat in uw paleis is en wat uw vaderen opgestapeld hebben tot op deze dag, naar Babel zal worden weggevoerd’. De in 2:2-4 aangekondigde gebeurtenissen kan men zien als de tegenhanger van het voor de dagen na Hizkia aangekondigde onheil. Dat suggereert dat het visioen uit hoofdstuk 2 verwijst naar de positieve nieuwe inzet van de profetie in hoofdstuk 40. In Jesaja 40-66 wordt immers gesproken van het herstel van Israël en komt Sion weer centraal te staan. We lezen van ‘de dag van het heil’ (49:8) en ‘die dag waarop het volk Gods naam zal kennen’ (52: 6) en wanneer de Heer naar Sion weerkeert (52:7-10). Dat komt allemaal dicht bij die dag ‘die uitgaat boven de dagen’ uit 2:2. Toch lijkt de belofte binnen het boek Jesaja nog niet geheel vervuld. Er blijft een open einde.

Het visioen zoals beschreven in 2:2-4 over wat er zal gebeuren ‘op de dag die zal komen’ is verbonden met de voorzegging in 4:2-6 (‘Te dien dage’; KBS: ‘Op die dag’). Ook daar lezen we over een toestand die haast te mooi lijkt om waar te zijn: over een hersteld en gereinigd Sion ‘als een tent die schaduw biedt in de hitte overdag en beschutting tegen stortbuien en regen’ (KBS). De profeet is echter geen wereldvreemde dromer. Tussen deze visioenen in geeft hij er blijk van een scherp oog te hebben voor de arrogantie van de machtige mannen in Jeruzalem (2:6-22) en de schone schijn van hun vrouwen (3:16-4:1). Daar weer tussenin verklaart hij de inwoners van Jeruzalem schuldig (3:1-15) en zegt hij dat ze het onheil over zichzelf afroepen (3:9). Het visioen van het komende vrederijk is dan ook niet doorgegeven om de mensen lijdzaam af te laten wachten. ‘Kom mee’, zo roept de profeet zijn hoorders op: ‘laten wij leven in het licht van de Heer’ (2:5). In het Hebreeuws herinnert die oproep aan de woorden van de volken in vers 3. Het eerste woord (lekoe, ‘komt’) en de laatste aansporing (nelekah, ‘laten we gaan/wandelen’) worden herhaald in de oproep aan het huis van Jakob in vers 5.

Aanwijzingen voor de prediking

Advent is de tijd van verwachting. Dat hebben we als kerk zo vastgesteld. Of het door de gemeenteleden ook zo beleefd wordt is een andere zaak. Het is goed om wat dit betreft te proberen een bezinning op gang te brengen: met welke verwachtingen leven wij doorgaans? In hoeverre zijn we ons daar ook van bewust? Het maakt nogal wat uit of je hoop hebt voor de toekomst of dat je ertegenop ziet, of je mogelijkheden ziet om ‘er wat van te maken’ of dat je, door schade en schande ‘wijs’ geworden, de dingen maar over je heen laat komen.

Hedendaagse toekomstvoorspellingen zijn vaak negatief. Het gaat niet over de volken die samenstromen in Jeruzalem, maar over de oceanen die onze lage landen op termijn zullen overstromen. In feite wordt daarmee wel hetzelfde effect beoogd als bij de profeet Jesaja. Het is de bedoeling dat de hoorders in actie komen. Overigens laat ook Jesaja zich niet onbetuigd als het gaat om het aanwijzen van de fouten in het heden en de consequenties daarvan voor de toekomst. Een belangrijke aanvulling die Jesaja ook nu nog kan geven is dat hij helpt bij het aanboren van bronnen van inspiratie. Het mag niet zo zijn dat mensen de moed opgeven en bij de pakken neer blijven zitten.

De bron waarnaar Jesaja verwijst (het staat centraal in zijn visioen) is de wet van de Heer. Vaak wordt daarnaar gekeken als iets wat wereldvreemd of achterhaald is. Het mooie van wat Jesaja vertelt is nu juist dat iedereen dit onderricht van de Heer erkent en herkent als de weg naar de vrede. Daarbij is die wet niet een optelsom van geboden en verboden, maar eerder een scheidsrechter. In dit visioen is de wet de basis van de rechtspraak tussen de volken. De verhoudingen zullen niet meer bepaald worden door de vraag wie de sterkste is. Dat is een goed begin van vrede, want wapens doen dan niet meer ter zake.

De evangelielezing klinkt dreigend. Het is een indrukwekkende oproep tot waakzaamheid. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat dit de hoorder terneer drukt. Daarom is het goed om ze te lezen in het licht van het opwekkende visioen van Jesaja.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken