Menu

Premium

Preekschets Psalm 100 – Bevestiging van ambtsdragers

Heidelbergse Catechismus

Zondag 49

Dien de Heer met vreugde (Ps. 100:2).

Het eigene van de zondag

De bevestiging van ambtsdragers (ouderlingen en diakenen) staat vaak wat op een afstand van de gemeente. Toch is het een bijzondere zegen dat er mensen geroepen worden en beschikbaar zijn om dienend leiding te geven aan het leven van de gemeente. Het neerknielen van de nieuwe ambtsdragers en de handoplegging kan de betekenis er van voor de gemeente vergroten. Ook wordt zichtbaar dat God doorgaat met zijn werk. Hij is de getrouwe God, die voor zijn gemeente zorgt.

Uitleg

Voor de aard van de catechismuspreek als themapreek en het narratieve karakter van de preek: zie uitleg en aanwijzingen voor de prediking bij zondag 26.

  • In de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament komen we voortdurend de figuur van de ambtsdrager tegen. Er zijn bijvoorbeeld profeten zoals Jesaja en Jeremia in Israël en er zijn ouderlingen en diakenen in de christelijke gemeente in het Nieuwe Testament. Hoewel het uitoefenen van een ambt wisselende betekenis heeft en het moeilijk is om een ambtsleer op de gegevens van de bijbel te bouwen, is het kenmerkend voor het ambtsdrager-zijn, dat men er toe geroepen wordt. God roept mensen door zijn gemeente, voor zijn gemeente. Een ambtsdrager biedt zichzelf dus nooit aan. Men wordt aangewezen. Men moet soms zelfs voor het ambt ingewonnen worden, zoals we zien bij de jonge Jeremia (Jer. 1:6-8) en Timoteüs (1 Tim. 4:12). Dat geldt ook voor de ambtsdragers nu. Ook al gaat het om werk dat men graag doet en waarvoor men aanleg heeft, toch ligt de kracht van het ambt hier niet in. Die ligt in de zendende en roepende God. Men wordt niet voor niets in een ambt bevestigd. Ten diepste staat het ambtelijk werk in dienst van het komende koninkrijk van God. Het is wel werk binnen de gemeente, maar als zodanig staat het in het perspectief van Gods uiteindelijke plan met deze wereld. Welnu, precies op dit punt reikt zondag 49 (vraag en antwoord 129) van de Heidelbergse Catechismus waardevolle dingen aan.

  • De derde bede van het Onze Vader – uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde – betekent in feite het gebed om de koninklijke heerschappij van God over heel de wereld. Als zodanig hangt dit gebed nauw samen met het tweede: uw koninkrijk kome. Het gaat in dit gebed dus niet om de gedachte dat God de dingen bestuurt, zoals in zondag 10 wordt besproken. Men spreekt in dit verband wel over de verborgen wil van God. Nee, het gaat hier om de geopenbaarde wil van God. Namelijk dat God in zijn komende koninkrijk zal regeren. Dan zal blijken dat zijn wil, die (alleen) goed is, een heilswil is, tot behoud van de mens. Deze wil van God wordt nu nog op alle mogelijke manieren tegengesproken en tegengewerkt. Maar eenmaal zal de aarde herschapen zijn en vol zijn van recht en gerechtigheid, zoals het water de bodem van de zee bedekt (Jes. 11:9). Met het oog op deze toekomst mogen ambtsdragers in de gemeente bezig zijn. In hun werk als ouderling of diaken, als dienaar van het Woord worden flitsen gezien van dit koninkrijk. Eenmaal zal blijken dat het gebed van een ouderling dienstbaar is geweest voor het koninkrijk van God. Zo is het ook met het dienend bezigzijn van de diaken en de prediking door de dienaar van het Woord. Ambtelijk werk is binnenkerkelijk, maar het zit niet opgesloten in de kerk. Het draagt vrucht voor de vervulling van Gods heilswil. Het is goed dat ambtsdragers gedreven worden door verlangen naar Gods toekomst. Er mag een eschatologische gloed in hun werk branden. Daarom bidden ambtsdragers met passie: ‘Uw wil geschiede.’ In dit gebed belijden zij tot Gods dienst en lof bereid te zijn. Tegelijk bekennen zij er zelf niet toe in staat te zijn. Daarom is het zo mooi, dat de HC formuleert: geef… Geef wat u ons beveelt en beveel ons dan wat U wilt (Augustinus).

  • HC 129 bepaalt ons bij de juiste houding waarin men zijn ambtswerk kan verrichten. Het gaat er om dat Gods wil geschiedt. We mogen bij zijn wil denken aan de decaloog, samengevat in het dubbele gebod van de liefde (Mat. 22:37-40). Hoe belangrijk wordt het dan dat ambtsdragers verstaan wat deze wil van God betekent in de concrete situatie van de gemeente. En dat zij zich in dienst stellen van deze God en zijn wil. Dat betekent dat ‘wij onze eigen wil verzaken en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn’. Dat houdt niets minder dan een complete bekering in. Denk aan Johannes de Doper. Hij moet sterven aan zijn eigen verlangens om dienstbaar te zijn aan Christus (Joh. 4:30). Zoals Johannes onrecht tegenspreekt en er niet in berust (Mat. 14:3-4), zo zijn ambtsdragers geroepen om onrecht tegen te spreken en zich er niet bij neer te leggen. Ambtswerk doen kan heel spannend zijn. Met tegenspraak oogst men meestal geen roem. Men zal hierin de weg van Christus navolgen, die bij de aanvaarding van zijn lijden bad: ‘Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Mat. 26:39). Toch brengt juist deze weg van zelfverloochening gezag met zich mee. Het gezag van Gods wil. En ook geeft het staan in dienst van Gods wil een heel bijzondere vreugde (Joh. 3:29).

  • HC 129 noemt het werk van de engelen als voorbeeld voor het werk van de gelovigen, ook van de ambtsdragers: ‘Opdat aldus een ieder zijn taak en roeping even gewillig en getrouw mag vervullen, als de engelen in de hemel.’ Ambtsdragers zijn engelen (angeloi), gezondenen, boden van God. In Openbaring 2 en 3 worden leidinggevenden in de gemeenten van Klein-Azië zo genoemd. Het is een mooi beeld. Engelen staan klaar om als gedienstige geesten de wil van God uit te voeren (Hebr. 1:14). Zij hebben niet allen dezelfde taak. Integendeel, hun taak is heel verschillend. De ene taak valt ook meer in het oog dan de andere taak. Er is maar één Gabriël, maar er zijn duizenden engelen die God dienen voor de troon. Zo is het ook met ambtsdragers. Maar waar zij hun werk gewillig en getrouw doen, is er sprake van een stukje hemel op aarde. Dat de HC hier de trouw noemt is van groot belang.Ambtsdragers moeten betrouwbaar zijn. Hun werk mag op deze wijze aanstekelijk zijn, zodat niet alleen zij, maar ook gemeenteleden elkaar en God dienen. Juist in de kleine dingen. Ten slotte: engelen zijn er vooral om God te prijzen. Precies zo is het met ambtsdragers.

Aanwijzingen voor de prediking

Men kan de preek beginnen met duidelijk te maken waarom zondag 49 als uitgangspunt voor de leerpreek gekozen is. In deze zondag gaat het om het gebed: ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.’ Dit gebed past goed bij het moment dat men begint met het werk als ambtsdrager.

Allereerst biedt deze zondag uit de HC de mogelijkheid om ons ambtswerk in een perspectief te plaatsen. Je bent als ouderlingen en diakenen bezig binnen de gemeente. Maar dat betekent niet dat dit werk in de gemeente een doel in zichzelf is. Uiteindelijk gaat het om de komst van Gods koninkrijk in deze wereld. Dan zal Gods wil als heilswil zegevieren. Hoe klein, onopvallend en gebrekkig ons werk in de gemeente ook is, het is vruchtbaar voor dit machtige perspectief. Dat is de mooie kant aan het ambtelijk werk. Maar er is nog een andere kant. Daarover spreekt HC 49 ook. Wie zich in dienst stelt van Gods wil, zal die wil moeten verstaan. Wat wil God in onze concrete situatie, als het gaat om het leidinggeven aan de gemeente? Hiervoor is het nodig dat we de Schrift kennen en er zelf uit leven. Gezamenlijke bezinning en instructie is onmisbaar. In de praktijk zal blijken dat we ons als ambtsdragers moeten oefenen in het verzaken van onze eigen wil. Op dit punt is de geschiedenis van Johannes de Doper zo indrukwekkend. Hij is een levende illustratie van HC 49.

Ga vooral in op het voorbeeld van de engelen. In de Uitleg is een aanzet gegeven voor de manier waarop zij een inspiratiebron voor het werk in de gemeente zijn. Benadruk vooral dat ieder mens zijn eigen gaven heeft. Ambtsdragers zijn geen kopieën van elkaar, zoals dat ook met engelen niet het geval is.

Afzonderlijke aandacht mag het eerste woordje ‘Geef’ krijgen. We beschikken zelf niet over de mogelijkheid om ambtsdrager te zijn. We ontvangen het allemaal. We worden ervoor toegerust met de Geest van Christus, die ons voorbad: ‘Niet mijn wil, maar uw wil geschiede’ (Luc. 22:42). Hier kan een lijn getrokken worden naar de handoplegging van de nieuwe ambtsdragers (1 Tim. 4:14).

Ten slotte: Johannes de Doper is de ambtsdrager die zichzelf verloochent. Maar hij is daarmee ook de ambtsdrager die laat zien hoeveel vreugde het geeft om je leven in dienst te stellen van Jezus Christus.

Liturgische aanwijzingen

Schriftlezingen: Jeremia 1:1-9; Johannes 3:22-36; Romeinen 12:1-8; 1 Timoteüs 4:6-16.

Liederen: Psalm 84:1, 3, 5 (OB); 134 (OB); LvdK Psalm 100; 118:9, 10; Gezang 48:4, 9, 10; 303; 305.

Geraadpleegde literatuur

Th.L. Haitjema, De Heidelbergse Catechismus als klankbodem en inhoud van het actuele belijden onzer kerk, Wageningen 1962; J.H. van de Bank e.a.(red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus, Zoetermeer 1993; S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, Het gebed, Nijkerk 1948/Franeker z.j. (deel 4 in de serie Toelichting op de Heidelbergse Catechismus, 2e druk).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken