Menu

Premium

Preekschets Psalm 98:1 – Zondag na Kerst

Psalm 98:1

Zondag na Kerst

Zingt de Here een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan.

Schriftlezing: Psalm 98

Het eigene van de zondag

Tweede Kerstdag valt dit keer op zondag. Dat de gemeente dan opnieuw samenkomt, vormt een goede gelegenheid om stil te staan bij de bijbelse oproep tot zingen. Er wordt in deze periode, in en binnen de kerk veelvuldig gezongen. Psalm 98 is naast intochtspsalm voor zondag Cantate ook intochtspsalm voor kerstmorgen, zowel in het Luthers Dienstboek als in het Missale Romanum. Daarnaast geeft het protestantse Dienstboek uit 1998 deze psalm op als graduale na de profetenlezing. Terzijde: 26 december is ook de gedenkdag voor Stefanus, diaken en eerste martelaar. Hieraan wordt, vanwege thema en tekst van deze zondag, geen aandacht besteed.

Liturgische aanwijzingen

Allerlei kerstliederen roepen op tot zingen, in het bijzonder: LvdK Gezang 138; 140; 144; 145:2; 146:4; 147. Verdere suggesties: Psalm 33; 96; 149; 40:1,4 en 7; Gezang 320 en de cantica Gezang 9; 66; 67 en 68. Lucas 1:46-55 en Kolossenzen 3:12-7 passen als lezingen naast Psalm 98.

Geraadpleegde literatuur

B. Plaisier, Postille 47, 93 (bij zondag Cantate op 5 mei); K. Waaijman, Psalmen rond bevrijdend leiderschap, Kampen 1984, 92; L. Terlouw, ‘Loven is leven – over lofprijzing’, in: Bulletin voor Charismatische Theologie (CWN, 2000), 2; E.P. van der Veen, Gevoelige snaren. Ontmoetingen in de psalmen, Zoetermeer 1994, 88.

Uitleg

Dicht bij elkaar vinden we in de derde psalmbundel (90-106) een zestal konings-psalmen: 93, 95, 96, 97, 98, 99. ‘De Hereis Koning’ klinkt als terugkerend refrein. Bij die koningspsalmen vallen drie aspecten op (Waaijman, 6vv).

  • Hij is koning te midden van zijn volk Israël, in plaats van te midden van de goden, zoals bij de andere volken. Zijn koningsschap bestaat wezenlijk in het gevierd-worden door zijn volk. In de liturgie van Israël wordt Hij als Koning vorstelijk ingehaald en gehuldigd.

  • Hij treedt op naar waarheid en recht. De meest karakteristieke handeling die zijn koninklijk optreden typeert, is: schikken-en-bewaren (zie vers 9). Hij regelt de onderlinge verhoudingen zó, dat de waarheid wordt geëerbiedigd en iedereen binnen de gemeenschap tot zijn recht komt (zie m.n. Ps. 146:7-9).

  • Zijn koningschap heeft een universele reikwijdte: ‘alle einden der aarde aanschouwen Zijn heil’, ‘juicht gij ganse aarde’. Ja, heel de natuur zal Hem erkennen als haar koning (vs. 7-9). Hij is de enige die aanspraak kan maken op deze universele heerschappij. Dit universele leiderschap zal duren tot het einde der dagen. Juist in het einde zal blijken dat Hij heerst als koning (tot zover Waaijman).

Nu zoeken we naar het eigene van deze koningspsalm te midden van de andere. Het begin is analoog aan Psalm 96: ‘Zingt de Hereeen nieuw lied’. Maar dan volgt er dit keer geen opsomming van zijn universele deugden en eigenschappen. Meteen na de oproep worden zijn daden genoemd: ‘Hij heeft wonderen gedaan […] Hij heeft zijn heil bekend gemaakt en zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der volken; Hij heeft gedacht aan Zijn goedertierenheid en aan Zijn trouw jegens het huis Israels. ’ Door het bijzondere van zijn daadkrachtige toewending naar en trouw aan zijn volk verkrijgt Hij grootse allure: ‘alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God’ (vs. 3).

Als we de oproep ‘Zingt de Hereeen nieuw lied’ vergelijken met gelijkluidende woorden elders, dan valt nog iets op. In de psalmteksten 33:3; 96:1 en 149:1 en ook in Jesaja 42:10 wordt de aanmoediging verder uitgewerkt. Tenslotte komen we het expliciet zingen van een nieuw lied tegen in Openbaring 5:9 en 14:3, maar ook daar gaat vooral de beschrijving van het huldebetoon voort. In psalm 98 echter staat kernachtig vooraan: ki, ‘want’! Er is reden tot zingen en die reden wordt direct genoemd: ‘want HIJ heeft wonderen gedaan’. Het zingen is dus niet alleen gehoor geven aan een oproep, maar het is ook een uiting van dankbare verwondering: wat Hij gedaan heeft, is ongehoord, verrassend, overweldigend! Daarmee is zingen gezamenlijke uiting van huldebetoon aan deze Koning. Er is een zeer goede reden tot zingen voor Hem. Hij is de Heilige, die troont op de lofzangen van zijn volk (Ps. 22:4).

De Vulgaat vertolkt onze tekstwoorden met ‘Cantate Domino canticum novum’. De monastieke en oudliturgische traditie kent de vaste dagelijkse plaats van de cantica, met name het Benedictus (bij het morgengebed), het Magnificat (bij de vespers) en het Nunc dimittis (bij de completen). Inhoudelijk valt op dat motieven uit Psalm 98 terug te vinden zijn in die drie cantica. Maria (Luc. 1:47-55), aansluitend bij Elisabet, zingt van het omzien van God naar zijn volk, van de grote dingen die Hij ‘aan mij’ gedaan heeft, van het krachtig werk door zijn arm en van het gedenken aan zijn barmhartigheid. Zacharias (Luc. 1:68-79) bezingt eveneens Gods omzien, de hoorn des heils die is opgericht, het betonen van barmhartigheid aan de vaderen en het gedenken aan zijn heilig verbond. En Simeon (Luc. 2:29-32) zingt van het heil dat ‘mijn ogen hebben gezien’ voor de ogen van alle volkeren. Daarmee zitten we met die nieuwe liederen, die altijd nog dagelijks wereldwijd terugkeren, vanzelf in het hart van Advent en Kerst! In het kerstevangelie zelf, dat tussen die cantica verteld wordt, gaat, als antwoord op de geboorte van de Messias, de hemel open voor de doxologie van de engelen. De eenvoudige herders nemen die lofzang over als ze terugkeren (naar het veld), God lovende om alles wat zij gehoord en gezien hadden (Luc. 2:20).

Het is goed om bij deze motieven het een en ander uit te leggen over de eigen plaats van het zingen in de christelijke gemeente. ‘Leert elkander en vermaant elkander met alle wijsheid’, zegt Paulus in Kolossenzen 3:16 ‘en zingt voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen (lofzangen) en liederen’ en, zo volgt daar in één adem op, ‘ingegeven door de Geest.’ (KBS). Het lofzingen plaatst Paulus in een didactisch, parenetisch verband. Een lerende gemeente is een lofzingende gemeente. In de paralleltekst Efeziërs 5:19, gaat de verwijzing naar de Geest vooraf: ‘Wordt vervuld met de Heilige Geest […] en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen en zingt en jubelt de Here van harte’. Stemvorming door de Heilige Geest is kennelijk een adequaat antwoord op het verlossend en herscheppend handelen van de Heer. Dit uit zich in vervolgens in dankbaarheid: ‘Dankt te allen tijde in de naam van onze Here Jezus Christus, de Vader.’ In Efeze begint Paulus bij de Geest, bij Kolosse zet hij in bij Christus: ‘De vrede van Christus regere in uw harten’ (15); ‘Het woord van Christus wone rijkelijk onder u, (16), zodat gij elkaar leert […] en lofzingt en dankbaar bent.’ Het ene hoort bij het andere. Het komt alles van God de Vader, Zoon en Geest en het gaat ook allemaal naar Hem toe, het komt Hem toe. Hij is waardig te ontvangen’, klinkt het in Openbaring. ‘Ere zij God in de hemel en vrede op aarde’, zo heeft de doxologie in de kerstnacht geklonken. En die doxologie moet doorgaan, in de hemel en op aarde, in de gemeente, in de huiskamer, in het leven van christenen persoonlijk. Van Ruler zei destijds: ‘We gaan naar de kerk om de arbeid van de lofprijzing te volbrengen.’

Het merkwaardige is dat er in de bijbel veel meer aansporingen voorkomen om te zingen dan om te bidden – zingen wordt wel aangeduid als dubbel bidden. We worden herhaaldelijk in psalmen en profeten opgeroepen om te loven, te prijzen, te jubelen, ons te verheugen: voor God, in God en om God. Wie het woord halleluja in de psalmen telt, ontdekt dat er geen einde aan komt: ‘Halleluja’, ‘Prijst de Heer’, ‘Godlof’ of hoe het ook vertaald wordt.

Het eigene van psalm 98 is, dat we met gegronde reden worden opgeroepen een nieuw lied te zingen. Er wordt een beroep gedaan op de creativiteit van dichters, zangers, musici, cantores, componisten, maar evenzeer van ‘het gewone’ gemeentelid. ‘Zingt Hem een nieuw lied.’ Met andere woorden: wees creatief, verzin eens iets anders, doe eens wat nieuws, verras Hem op zijn hoogtijdag eens met een nieuwe, persoonlijke attentie, een nieuw lied! Er worden door mensen in het alledaagse leven bij gelegenheid en bij jubilea veel nieuwe liederen gemaakt, waarin heel wat creativiteit aan het licht komt: iemand op wie je gesteld bent, wordt op een bepaalde dag in het zonnetje gezet. Zulke creativiteit die mensen gegeven is, zouden we die niet nog vaker kunnen aanspreken voor diegene voor wie elke dag ‘De dag’ is? ‘Dit is de dag die de Heregemaakt heeft, laten wij juichen en ons daarover verheugen’ (Psalm 118).

Aanwijzingen voor de prediking

Eigenlijk is in de voorgaande regels al begonnen met een heel praktische uitnodiging, een uitdaging, om lof te zingen. Die oproep kan echter niet zomaar uit de lucht komen vallen. Alles staat of valt met de ruimte voor verwondering, voor verrassing, en van daaruit de ontvankelijkheid voor de Geest, die zelf de adem wil zijn van ons lied (die zelf de adem schiep waarmee Hij wordt geprezen, Ps. 92 berijmd). Er wordt rond kerst al veel gezongen en nog een extra oproep om te zingen zou mensen wel eens kunnen vervreemden of zelfs blokkeren. Daarbij komt dat mensen soms belemmeringen ervaren bij het zingen of, door de zware weg die zij gaan, het eenvoudig niet op kunnen brengen om te zingen. Het is goed om er in dat verband op te wijzen dat ze in goed gezelschap zijn: vele psalmisten zijn – en dat geldt ook voor mensen als Hanna en Zacharias – bepaald niet zomaar tot zingen gekomen. Te wijzen valt ook op de bede om een lied ‘Leg zelf dit lied ons in de mond’ (Gez. 250) en de belofte uit een andere psalm ‘Des nachts zal zijn lied bij mij zijn‘ (Ps. 42). Hetgeen gezegd is over het woordje ‘want’, de verwijzing naar de wonderen die Hij gedaan heeft, vervult daarbij een sleutelrol. Daarbij zouden die wonderen ingevuld kunnen worden met behulp van de persoonlijk getinte woorden uit de cantica: ‘Hij heeft naar mij/ons omgezien! ’ Bij de mensen die op deze zondag – bewust! – naar de kerk komen, kan verder goed teruggegrepen worden op eerder bijgewoonde kerstdiensten. Deze dienst wil oproepen tot daadwerkelijke respons, vooral in het zingend getuigen. Augustinus zegt over dat lofzingen: ‘Gij zet de mens aan om er vreugde in te vinden U te loven, want gij hebt ons gemaakt naar U, en ongerust is ons hart totdat het zijn rust vindt in U’ (Confessiones, 1.1).

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Nieuwe boeken