Menu

Premium

Timoteüs en Titus

De drie pastorale brieven geven iets weer van de contacten tussen christelijke gemeentes in de beginfase van hun bestaan. De contacten bestrijken een gebied vanaf het (huidige) Turkije, via Kreta en Griekenland tot in Italië toe. De aanleiding voor het schrijven is heel verschillend: een instructie voor de overdracht van het werk in een gemeente, een persoonlijk verzoek om hulp in nood, of een uitnodiging voor stafberaad. Maar de vragen die daarbij aan de orde komen zijn op één ding gericht: hoe wordt het werk in de gemeentes aangestuurd? Zo laten deze brieven iets horen over de ontwikkeling van pastoraal beleid, ergens in de tweede helft van de eerste eeuw van de jaartelling.

De eerste brief aan Timoteüs

Werkoverdracht

Een oudere leider van de christelijke gemeente in Efeze, in de Romeinse provincie (Turkije), wil zijn verantwoordelijkheid tijdelijk overdragen aan een jongere medewerker. Hij had kunnen volstaan met een mondelinge briefing. Maar bij nader inzien zet hij zijn instructies op papier, omdat hij niet weet hoelang zijn afwezigheid zal . Deze ‘lastbrief voor de nieuwe leider is tegelijk een ‘open brief voor de gemeente. De gang van zaken gaat immers alle betrokkenen aan. Uit de groet zou men nog kunnen opmaken dat de brief persoonlijk bedoeld is (1:1-2). Maar de korte zegen aan het slot is gericht tot velen. ‘Genade zij met u!’ staat er, alsof de brief dient te worden voorgelezen in een openbare bijeenkomst (6:21). De apostolische overlevering is geen religieus gentlemen’s agreement, maar een zaak die iedereen in de gemeente aangaat. In de brief worden de prioriteiten voor het gemeentebeleid aangestipt. Dat gebeurt zakelijk, schetsmatig, in kortschrift, want veel wordt bij de eerste lezers bekend verondersteld. Soms is de formulering zo compact dat men moeite heeft de pointe te vatten. Het is te vergelijken met de compactheid, waarin de talmoedi-sche discussies zijn genoteerd. De lezer moet veel tussen de regels invullen.

De schrijver van de brief wordt Paulus genoemd en zijn jongere medewerker Timoteüs. We hoeven ons hier niet te mengen in de schoolstrijd of Paulus zelf de auteur van deze brief is of dat een brief uit later tijd op zijn naam is gesteld. In onze bespreking voeren we de auteur op onder de naam van Paulus. We houden het erop dat in dit literaire document een beeld gegeven wordt van het beleid van één van de gemeentes in de eerste eeuw van onze jaartelling, die in Paulus’ geest een huis wil zijn voor Joden en niet-Joden. Dat grensoverschrijdende verlangen riep grote spanningen op in de gemeente, met name tussen hen die opgegroeid waren in de Joodse traditie en hen die van huis uit vertrouwd waren met het multiculturele milieu van die dagen. De betekenis van de brief ligt in de poging om een gemeenschap te vormen die aan deze spanningen niet bezwijkt. Men dient deze poging te verstaan in de context van een metropool bij de kust van de Middellandse Zee, met een veelvoud aan godsdienstige en culturele tradities, politiek onder Romeins bestuur gesteld, doordrenkt van samenlevingsvormen die doorgaans door mannen worden bepaald, waarbij het merendeel van de bevolking gedwongen was te leven in (allerlei gradaties van) slavernij.

Overzicht van de eerste brief aan Timoteüs

Adressering

1:1-2

I

Inleiding:

de Thora voor Joden en niet-Joden

1:3-20

II

Liturgie voor mannen en vrouwen

2:1 – 3:13

– ‘Gebeden …voor alle mensen’

2:1-7

– Man – vrouw – liturgie

2:8-10

– Eva in het onderwijs

2:11-15

– Leiding geven

3:1-13

III

De briefin de brief: de levensstijl van de gemeente in de samenleving

3:14-4:10

IV

Sociale samenhang van de gemeente

4:11 – 6:2

– Respect in het pastoraat

4:12 – 5:2

– Recht op bijstand

5:3-16

– Rechtspositie van ambtsdragers

5:17-25

– Respect in de arbeidsverhoudingen

6:1-2

V

Slotwoord: de tweedeling van de samenleving in armen en rijken

6:3-21

Zegen

6:21

VIJF AANDACHTSPUNTEN

Het is te verwachten dat bij een wisseling van de wacht de spanningen in de gemeente oplaaien. In de beleidsinstructie zal dus vooral aandacht gegeven moeten worden aan de bekende brandhaarden. Welke dat zijn, blijkt uit de inventarisatie van de thema’s van de brief. Het beleid van de gemeente wordt in deze brief besproken aan de hand van een vijftal aandachtspunten:

  • De Thora voor Joden en niet-Joden

  • De liturgie voor mannen en vrouwen

  • De levensstijl van de gemeente in de samenleving

  • De sociale samenhang van de gemeente

  • De tweedeling van de samenleving in armen en rijken

De punten zijn geordend rondom de kernvraag: wat is de levensstijl van de gemeente? De bespreking van die vraag krijgt bijzondere aandacht in het midden van de brief (3:14 – 4:10). De schrijver onderbreekt zich zelf daar en legt uit waarom hij eigenlijk schrijft. Deze passage vormt als het ware een brief in de brief. En precies daar wordt de eigen aard van de gemeente ter sprake gebracht, haar godsdienst, spiritualiteit en levensstijl. Daar raakt men aan de vraag naar de identiteit van de gemeente. Aan deze kern van de brief gaan twee aandachtspunten vooraf, die de Schrift en de liturgie betreffen. Er volgen daarna weer twee aandachtspunten, die zijn gewijd aan de gemeente in de samenleving. Door deze literaire structuur komt het eigene van de christelijke gemeente aan het licht tussen de beide polen van haar liturgische vieringen en haar maatschappelijk handelen.

In de uitwerking van de aandachtspunten is er een onmiskenbaar kerkordelijke toon te bespeuren inzake de liturgie (2:1 – 3:13) en de sociale samenhang van de gemeente (3:14 -4:10). Hier worden aanwijzingen gegeven voor kerkelijk handelen op grond van traditie of op grond van beslissingen die ooit in en door de gemeente zijn genomen. Men beschouwt dit wel als de oudste schriftelijke fragmenten van een plaatselijke kerkorde.

Wanneer men de brief leest als één samenhangende redevoering fungeren het eerste en het laatste aandachtspunt als inleiding en slotwoord. Maar dat blijken bepaald geen formaliteiten te zijn. In de inleiding gaat het over de beginselen van de schriftuitleg met het oog op het onderwijs (1:3-20) en in het slotwoord wordt aangetoond hoe de verhouding tussen de mensen verscheurd wordt door de tweedeling van rijken en armen (6:3-21). Het begint dus met de rechte leer en het eindigt met maatschappijkritiek. Dat waren kennelijk de brandende vragen bij de ingang en de uitgang van de gemeente.

De brief als geheel weerspiegelt de beweging van de overdracht van de bevoegdheden van de schrijver op de ontvanger. In het begin presenteert zich het ‘ik’ van de schrijver als de initiatiefnemer: heb ik u verzocht te blijven … ‘ (1:3), ‘Deze opdracht vertrouw ik u toe (1:18) en ‘Allereerst vraag ik (2:1). Het emotionele hoogtepunt ligt hier in de beschrijving van Paulus’ persoonlijke ervaring (1:11,15 en 2:7). Halverwege de brief echter vindt de aangekondigde overgang plaats. ‘Maar ik schrijf u dit … Dan weet u (3:14,15), dan ‘zult u een goed dienaar van Christus Jezus zijn’ (4:6). Vanaf dat moment legt Paulus het initiatief expliciet in de handen van de jongere Timoteüs: ‘Dit moet u hen bijbrengen en hierin moet u hen onderrichten’ (4:11). ‘Zo moet u leren en vermanen’ (6:2). Het emotionele hoogtepunt van de brief is uiteindelijk gericht op Timoteüs zelf: ‘U echter, man van God … streef naar gerechtigheid’ (6:11). De accentverschuiving van ‘ik’ naar ‘u’ geeft aan de zakelijke opsomming in de brief een interessante dynamiek. De lezer wordt daardoor betrokken bij het proces van overlevering van de oudere naar de jongere generatie.

De opbouw van de brief is hiermee aangegeven. De hoofdlijn is overzichtelijk genoeg. De schrijver noteert ten behoeve van zijn waarnemer vijf aandachtspunten voor het beleid in de gemeente. Die samenhang is in bijgaand schema weergegeven.

BESPREKING

De literaire verdienste van deze brief ligt niet in de meeslepende gedachtegang, maar in de kunst om in weinig woorden de verschillende spanningsvelden van de gemeente aan te geven en om de beslissingen te formuleren die genomen zijn of die genomen moeten worden. Daardoor ontstaat een miniatuur handvest voor het leiderschap. De lezer wordt uitgenodigd om de voorgestelde beslissingen te overwegen vanuit de positie van iemand die verantwoordelijkheid draagt voor de gemeente en die uit eigen ervaring iets van de problematiek herkent. Onder de oppervlakte van deze zakelijke instructies zit een emotionele laag. De schrijver herinnert aan de crisis waardoor hij zelf heen gegaan is en beseft hoe hachelijk de toekomst is voor zijn opvolger.

I – Inleiding: de Thora voor Joden en niet-Joden 1:3-20

te beginnen wordt aandacht gevraagd voor de wijze waarop de wet in de gemeente wordt verstaan en uitgelegd. De notie ‘wet’ (17,8,9) neme men in de zin van Thora, als aanduiding van het geheel van de Joodse Schrift, zoals die aan de orde komt in de dienst, in de studie en in het dagelijks leven van de vroege, christelijke gemeente. Het eerste oriëntatiepunt van de brief is dus de Schrift, als bron van het onderwijs in de gemeente. Die aandacht is zeer ter zake. Het maakt voor het gemeenteleven nogal wat uit, hoe de Schrift wordt uitgelegd. Het geeft richting aan haar handelen. Hierover worden drie opmerkingen gemaakt die met elkaar samenhangen.

-De uitleg van de Schrift (1:3-11). De Thora is het normgevende geschrift van de Joden. Maar nu is het niet de bedoeling dat ze wordt uitgelegd in de zin van een sage die de herkomst van het jodendom verklaart. De Thora dient als leerboek van de liefde. Dit Joodse onderricht is dan ook niet alleen bestemd voor eigen kring, maar juist voor hen die – om zo te zeggen – van God noch gebod weten. Als de Thora zo wordt verstaan werkt ze als evangelie voor alle mensen.

-Lezen door de ogen van anderen (1: 12-17). Met welk gezag wordt deze wijze van bijbeluitleg geïntroduceerd? Paulus herinnert aan de crisis in zijn leven. Hij, een bevlogen schriftgeleerde, werd in zijn diepste overtuiging geschokt, toen hij ineens ontdekte hoeveel hij gemeen had met de niet-Joden, die hij altijd als goddelozen had beschouwd. In de crisis die daarop volgde leerde hij het vertrouwen kennen waarmee Jezus Christus deze ‘goddelo-zen’ op bevrijdende wijze tegemoet treedt. Sindsdien leest hij de Joodse bijbel door de ogen van de buitenstaanders.

-Een aangevochten leeswijze (1:18-20). Deze wijze van lezen beveelt hij Timoteüs aan. Maar eerlijkheidshalve zij gezegd dat het een omstreden zaak is in de gemeente. Het is nu eenmaal niet een kunstje dat je kan leren. Sommigen moeten door dezelfde crisiservaring heen als Paulus zelf.

II – Liturgie voor mannen en vrouwen 2:1 – 3:13

De aanwijzingen voor de liturgische bijeenkomsten van de gemeente vormen de eerste set van kerkordelijke regels. De aandacht gaat hier dus uit naar de manier van doen in het huis van het gebed. De notie ‘gebed’ staat voor het geheel van het samenkomen, het zingen, leren en vieren van de gemeente. Dat zal aanvankelijk in aanleg niet anders zijn geweest dan de manier waarop men in de synagoge bijeenkwam. Men bad de psalmen en hoorde de wet en de Profeten. Maar door de instroom van mensen van buiten de synagoge kwam de traditie onder druk te staan. Er moesten enkele nieuwe afspraken worden gemaakt, want de vragen waren niet gering. In hoeverre is de kerkdienst ook een dienst voor de samenleving? Treden mannen en vrouwen gelijkelijk op in het huis van het gebed en in het leerhuis? Welke houding wordt er verwacht van de leiding? Over elk van deze vragen is het nodige te doen.

-‘Gebeden… voor alle mensen’ (2:1-7). De liturgie mag geen in zich gesloten wereld zijn waar anderen worden buitengesloten. Wanneer de gemeente bijeen is, staat zij open voor alle mensen en is zij dus ook betrokken op het sociale en politieke leven. Dat hoeft niet uitsluitend altruïstisch verstaan te worden. Gedachtig aan wat de profeet Jeremia (29:7) ooit zei, bidt de gemeente voor de vrede van de stad waarin ze woont, opdat zij zelf ongestoord, dus niet opgejaagd en vervolgd, en daardoor menswaardig kan leven. Maar de richting van haar gebed is universeel. Dat wordt gedemonstreerd aan het hoofdgebed, het SjemaJisraël (Deut. 6:4-9). Wanneer men bidt: ‘Hoor Israël, Adonaj is onze God, Adonaj is één!’, bedenke men dat dit gebed wordt bemiddeld door Jezus Christus, die zich inzet voor alle mensen en alle volken.

-Man – vrouw – liturgie (2:8-10). Zowel mannen als vrouwen treden op in de kerkdienst. Beiden moeten op eigen wijze actief kunnen deelnemen aan de dienst der gebeden. Als dat vroeger al anders was, dan mag daarover nu geen misverstand meer bestaan. Maar nu wordt er tussen mannen en vrouwen getwist over de correcte liturgische plaatsen, gebaren en gewaden. Kan men zomaar ‘op alle plaatsen’ samenkomen, moet men niet de correcte houding van biddenden aannemen, dus ‘met opgeheven handen’, en is een kostbaar liturgisch gewaad een sieraad voor de dienst of ontmoedigt men daarmee degenen die daarvoor geen geld hebben? De vraag is of men dat ook zonder ruzie kan oplossen. Het criterium is toch of het werk eerlijk gedaan wordt?

-Eva in het onderwijs (2:11-15). Een ander twistpunt tussen mannen en vrouwen betreft de gang van zaken in het leerhuis. Dat wordt terzijde in de liturgische discussie meegenomen. Wat is het probleem? Het bestuderen en bediscussiëren van de Schrift als norm voor het leven was voorheen feitelijk voorbehouden aan mannen. Wanneer vrouwen betrokken zijn in de liturgie, moeten ze ook deel kunnen nemen aan dit leergesprek. Maar dat ze als rabbijnen leiding zouden kunnen geven aan deze discussies wordt onder de toenmalige patriarchale omstandigheden nog als een brug te ver beschouwd. Althans dat suggereert de tekst. Het lijkt op een compromisformule, die het resultaat is van een stevig geding. Die inconsequente regel heeft grote gevolgen gehad voor vrouwen. De tekst is in later tijd opgeblazen tot een absoluut verbod om vrouwen in een kerkelijk ambt toe te laten. Het gevolg van deze werkingsgeschiedenis is dan weer dat in oude en moderne vertalingen het onderdrukkende karakter van de tekst zwaar wordt aangezet. Een voorbeeld van over-interpretatie is de vertaling van 2:11, ‘Vrouwen moeten in alle rust luisteren naar het onderricht en hun plaats weten’. Deze vertaling laat zich als volgt corrigeren: het gebod wil dat vrouwen lernen. Dat impliceert in de Joodse traditie actieve deelname aan het leerproces door middel van vragen en antwoorden. Studeren is het tegendeel van alleen maar luisteren. Studeren geschiede wel ‘in rust’, maar dan in de zin van: ongestoord, niet gehinderd door druk van de omgeving (als in 2:2). Het gaat erom dat de omstandigheden veilig zijn, niet dat vrouwen zich rustig houden. Studeren veronderstelt verder dat de vrouw niet slechts gedeeltelijk, maar volledig betrokken wordt in het leerproces. Evenals de mannen moeten de vrouwen ‘hun plaats weten’, namelijk zich onderwerpen aan de discipline van het leerhuis. Dat vrouwen in het geheel geen onderricht zouden mogen geven wordt met zoveel woorden tegengesproken in Titus 2:3. Ze worden juist verondersteld goed onderricht te geven. De bepaling in 2:12, ‘Ik sta hun niet toe … mannen de les te lezen’, krijgt een enigszins ander accent, wanneer men het leest in het licht van de ongezouten kritiek op mannen die vrouwen de les lezen in 2 Timoteüs 3:6. Met deze cosmetische correcties wordt de tendens van deze passage echter niet veranderd. Zeker niet wanneer Genesis 3 als bewijs wordt aangehaald. Maar wat wordt daar eigenlijk bewezen? Dat Adam de eerste is? Maar wie zei toch ooit dat de eersten de laatsten zullen zijn? Hoe dan ook, de lezers worden hier getuige van het begin van de onverkwikkelijke discussie over Eva in het onderwijs.

Leiding geven (3:1-13). Liturgie gaat niet zonder leiding. Er is iemand nodig die het opzicht houdt over het geheel (bisschop) en verder kunnen allerlei medewerkers van dienst zijn (diakenen). Er wordt jammer genoeg geen functiebeschrijving gegeven. Die wordt bekend verondersteld. We nemen aan dat in deze gemeente de bisschop en de diakenen verantwoording dragen voor de kerkdiensten, terwijl het college van ouderlingen (het presbyterium, 5:17) de zorg heeft voor de sociale samenhang van de gemeente. Waar het in dit verband echter op aankomt is dat de leiders een geschikte, dat wil zeggen sociale en communicatieve houding moeten hebben. Daarop dienen ze getest te worden. De leider moet van onbesproken gedrag zijn, moet van huis uit kunnen omgaan met intimiteit en autoriteit en zeker voldoende ervaring hebben. Voor diakenen – en dat kunnen zowel mannen als vrouwen zijn – geldt hetzelfde. Geen dubbele boodschappen uitzenden, niet verslaafd zijn, geen drang tot zelfverrijking hebben, kortom ‘in ieder opzicht betrouwbaar’. Men verwerft geen gezag door de functie op zich, maar door de functie op betrouwbare wijze te vervullen. Het klinkt allemaal tamelijk nuchter en dat met betrekking tot een kerkelijk ambt waarover later zoveel getheologiseerd is.

III – De brief in de brief: de levensstijl van de gemeente in de samenleving 3:14 – 4:10

Halverwege de brief onderbreekt de schrijver zich zelf en geeft zich rekenschap van de zin van dit schrijven. Deze interruptie vormt als het ware een brief in de brief. In de kern van de zaak blijkt het te gaan om de vraag, hoe men met elkaar moet omgaan in de gemeente, ‘de kerk van de levende God’. Die gemeente wordt vergeleken met een open huis, dat wel een fundament heeft en een dragende zuil, maar geen muren (3:15). Zij heeft namelijk haar ‘hoop gesteld op de levende God, die een redder is van alle mensen’ (4:10). Het centrale oriëntatiepunt van de brief is de gemeente. Het gaat over haar identiteit, haar levensstijl en haar spiritualiteit. Maar dat heeft alles te maken met het leven van die God-van-alle-mensen. De uitdrukking ‘levende God’ in 3:14 en 4:10 werkt niet toevallig als omraming van dit centrale tekstfragment. Drie dingen worden in dit gedeelte aan de orde gesteld:

-‘En groot is ongetwijfeld het geheim van onze godsdienst(3:14-16). De identiteit van de gemeente kan niet worden gedefinieerd met begrippen. Identiteit kan slechts tastend aangeduid worden met een beeld (‘een huis’) of in een hymne (‘Hij is geopenbaard in het vlees .’). In de zes regels van de hymne wordt de identiteit van de gemeente verhuld aangeduid. Zonder dat de naam van Jezus Christus wordt genoemd zingt men zijn verhaal. Het is een gebeuren waarin hemel en aarde betrokken zijn: Gods Geest en de mensen, Gods heerlijkheid en de wereld van de volken. Dat verhaal nu is het geheim van de gemeente. Maar zij kan er niet zelf over beschikken. Het geheim is groter dan zij zelf.

-‘Want al wat God geschapen heeft is goed(4:1-5). De levensstijl van de gemeente zal nooit zo mogen zijn dat mensen worden buitengesloten, omdat ze anders zijn en zich anders gedragen. Daar zit het probleem. In het jodendom waarin Paulus opgroeide werd door sommige hardliners gezocht naar duidelijke normen en waarden in de omgang, waardoor men zich kon onderscheiden van de niet-Joodse cultuur. Enerzijds is er de huwelijkswetgeving, die huwelijken voorstaat binnen eigen kring als bevestiging van de eigen cultuur; en anderzijds zijn daar de spijswetten en de regels ten aanzien van onreine spijzen ter bescherming van de eigen tafelgemeenschap. Hier grijpt de brief kritisch in. Zij staat een andere levensstijl voor. De gemeenteleden moeten nu juist leren om elkaar niet te verwerpen, dat wil zeggen elkaar geen belemmerende en discriminerende bepalingen op te leggen, inzake de huwelijkspraktijk en inzake de spijswetten. Het is jammer dat het argument van deze passage in kortschrift is genoteerd, zodat het tot misverstand kan leiden. De vertaling van 4:3 suggereert dat het zou gaan om de verwerping van het huwelijk en van bepaald voedsel als zodanig. Het werkwoord ‘verwerpen’ dient hier echter verstaan te worden in de zin van: verhinderende bepalingen opleggen. Paulus verzet zich tegen een reglementering van huwelijk en eetgewoontes waardoor niet-Joden worden buitengesloten. De hele geschapen werkelijkheid komt binnen de horizon van de gemeente en die wereld is altijd weer groter en wijder dan zij voor mogelijk houdt.

-”Laat u niet in met banale bakerpraatjes’ (4:6-10). Timoteüs zal moeten vechten om deze vrijheid in de omgang te kunnen handhaven. Hij zal de argumenten waardoor mensen worden buitengesloten met kracht moeten weerleggen. Paulus wordt hier buitengewoon scherp: het is prietpraat. Oefen liever in de spiritualiteit die op de toekomst van Gods rijk is gericht. Het geheim van de missionaire gemeente is nu juist haar wereldwijde instelling. De levende God is weliswaar eerst en vooral de God van de gemeente der getrouwen, Israël, maar als zodanig is hij de bevrijder van alle mensen.

IV – Sociale samenhang van de gemeente 4:11 – 6:2

De aanwijzingen voor de sociale samenhang van de gemeente vormen de tweede set van kerkordelijke regels. De aandacht gaat hier uit naar de verhoudingen tussen de gemeenteleden. De rode draad in deze aanwijzingen is dat men in de omgang ieders menselijke eer en waardigheid handhaaft. Dus niet ‘minachtend’ met elkaar omgaan (4:12 en 6:2), maar de ander ‘eren’ (5:3,17 en 6:1). Dat vereist een sfeer van wederzijds respect. Die sfeer moet de pastorale leiding uitstralen en die sfeer mag verwacht worden in alle onderlinge relaties, tot in de arbeidsverhoudingen toe. Maar daarmee is de notie ‘eren’ nog niet uitgeput. Respect moet ook betaald worden in materiële zin. Voor respect op zich koop je niets. Het gebod ‘Eer uw vader en uw moeder’ wordt in de Joodse traditie ingevuld met de verplichting om ouderen die niet voor zichzelf kunnen zorgen te voorzien van kleding, voedsel en onderdak. Daar hebben ze recht op. Dat kan elk gezin zichzelf aan trekken, maar de gemeente als geheel heeft ook haar verplichtingen. Twee zaken komen daarbij aan de orde. In de eerste plaats de uitkering voor de oudere armen die niet op familie kunnen terugvallen. In de tweede plaats het salaris voor de leiders, de oudsten, die voor het werk in de gemeente zijn vrijgesteld. Eer heeft hier de betekenis van honorarium, maar dan wel een eregeld waarop de betrokkenen recht hebben uit het oogpunt van lijfsbehoud. Het laat zich denken dat ruzies in de gemeente vooral oplaaien als het om deze financiële kwesties gaat. Tegelijk valt hier de beslissing over de kwaliteit van het handelen van de gemeente. Reden om op dit punt nauwkeurige afspraken te maken. De kerkordelijke regels in deze sociale paragraaf gaan over onderling respect en recht. Ze zijn verdeeld over vier aandachtsvelden: pastoraat, diaconaat, rechtspositie van ambtsdragers en arbeidsverhoudingen.

-Respect in het pastoraat (4:12 – 5:2). te beginnen gaat de aandacht naar de relatie tussen voorganger en gemeente en naar de eigen rol van de voorganger daarin. Plotseling valt het licht op de persoon van Timoteüs, die nog in zijn ambt moet groeien. Paulus houdt hem voor hoe hij zelfrespect kweken, hoe hij een professionele houding aanleren, maar vooral hoe hij integer moet blijven in de intieme relatie met de gemeenteleden. Pastoraat gedijt wanneer de grenzen gerespecteerd worden tussen de generaties en de seksen.

-Recht op bijstand (5:3-16). De armen in de gemeente hebben recht op bijstand, in het bijzonder weduwen die op niemands steun kunnen terugvallen. Maar dat recht moet wel bewaakt worden door middel van duidelijke procedures.

De eerste vraag is, wie er in aanmerking komen voor de bijstand (5:3-6). Wie behoren tot de echte minima? De ‘echte weduwe’ is iemand die niet meer kan terugvallen op familie en die ook geen eigen bron van inkomsten meer heeft. Het is iemand die voor elke dag levensonderhoud en voor elke nacht onderkomen moet bedelen. Alleen zij komt voor een uitkering in aanmerking. Wie een uitkering krijgt zonder dat het nodig is leeft er goed van maar gaat er moreel aan kapot.

De inschrijving op de bijstandslijst luistert dus nauw. Mensen komen maar al te gauw in opspraak door onduidelijk sociaal beleid (5:7). Men moet op drie dingen letten:

Het is onvergeeflijk als de eigen familie geen zorg biedt en de last op de gemeenschap afwentelt (5:8 en 16).

Vanaf zestig jaar moet een weduwe worden ingeschreven. Het gaat dan om een welverdiend pensioen op grond van het feit dat ze eerlijke arbeid heeft verricht. Het is geen neerbuigende liefdadigheid (5:9-10).

Jongere vrouwen echter moeten juist niet door de bijstand in een afhankelijke positie worden gebracht. Die vorm van werkloosheid leidt nergens toe. Moedig ze aan zelf aan de slag te gaan. In een patriarchale context zal dat wel neerkomen op hertrouwen en de verantwoordelijkheid voor een huis dragen. Maar dat kunnen ze beter meteen doen, dan zich eerst te laten onderhouden en dan na een nieuw huwelijk de gemeente in de steek te laten. Dat neemt niemand hen in dank af (5:11-15).

-Rechtspositie van ambtsdragers (5:17-25). De voorgangers (oudsten), die vrijgesteld zijn voor hun werk, hebben er recht op dat de gemeente voor hun levensonderhoud zorgt. Ze mogen rekenen op een honorarium dat het dubbele is van de uitkering die aan een weduwe wordt gegeven, omdat ze doorgaans nog een gezin hebben te onderhouden. De hoogte van hun salaris is dus in ieder geval gekoppeld aan de uitkeringen (5:17-18).

Hun werk moet dan uiteraard wel gecontroleerd worden. Dat heeft gevolgen voor hun rechtspositie. Ambtsdragers zijn niet boven kritiek verheven. Een aanklacht tegen hen moet wel gegrond zijn, maar als er echt sprake is van onrecht moet je ze aan de kaak durven stellen, hoe pijnlijk dat ook is (5:19-21).

Dat betekent dat je reeds tijdens de beroepingsprocedure scherp moet opletten. Als je iemand te snel bevestigt maak je je zelf medeplichtig aan de ellende die later aan het licht komen. Pak het dus rustig aan. Ontspan bij een glas wijn. Sommige kandidaten heb je gauw genoeg door, maar voor anderen heb je tijd nodig om te weten wat voor vlees je in de kuip hebt (5:22-25).

-Respect in de arbeidsverhoudingen (6:1-2). Het respect beperkt zich niet tot het pastorale, diaconale en kerkrechtelijke terrein. Het geldt evenzeer in de dagelijkse arbeidsverhoudingen, dus in de relatie van werkgevers en werknemers. We hebben het in die dagen dan wel over de relatie van slavenhouders en hun zeer goedkope arbeidskrachten, over heren en knechten, in allerlei variaties. Men kan zich de vraag stellen of hier wel de regel kan gelden dat men elkaar met respect moet behandelen? Gelden hier niet heel andere, ethischneutrale, economische wetten? Het antwoord is, dat juist hier, in de harde sector van de maatschappij, de naam van God en de hoop op zijn rijk moet worden gevestigd. Degenen die in dit systeem ondergeschikt zijn hoeven zich in dit opzicht niet machteloos te voelen. Integendeel zij kunnen van onderen af iets doen om de menselijke waardigheid op te richten. Zij kunnen laten zien wat het is om hun broodheren (de goeden en de slechten) de achting te geven die een medemens toekomt, niet meer en niet minder. Van zo’n houding kan iets uitgaan ten goede. De laatsten van de samenleving gaan hier voorop. Over de machthebbers en rijken is echter het laatste woord nog niet gesproken. Dat wordt voor het einde van de brief bewaard.

V – Slotwoord: de tweedeling van de samenleving in armen en rijken 6:3-21

In het slotwoord wordt de aandacht gericht op de wijze waarop de gemeente als geheel betrokken is in de samenleving. De gemeente wil bewust midden in de maatschappij staan. Maar hoe is het met dat milieu gesteld? Hier komt de ‘wereld’ zelf binnen de horizon van de brief. De wereld wordt gezien in het licht van de economische verhoudingen. Zonder omwegen gezegd, het gaat om de tweedeling tussen de ‘rijken van deze wereld’ (6:17) en degenen die geen deel hebben aan deze rijkdom en die hun aandeel opeisen, ‘zij die zich willen verrijken’ (6:9). Het gaat om de verhouding van rijken en armen en de kloof daartussen. In die verhoudingen wil de gemeente present zijn. Waarom wil ze dat? Wat voor invloed heeft dat op haar levensstijl? Wat kan ze daar doen? Er worden een aantal kritische aantekeningen gemaakt:

als wij voedsel en kleding hebben, moet dat genoeg zijn voor ons’ (6:3-8). Het feit dat de gemeente op de wereld georiënteerd is leidt steevast tot grote conflicten. Hier moet ze dan ook alert zijn. Wat verwacht ze van de wereld? Laat ze in elk geval niet denken dat ze er beter van wordt. De enige interessante economische regel is wat haar betreft: genoeg is genoeg.

de wortel van alle kwaad is geldzucht’ (6:9-10). Is de gemeente zich bewust van de enorme zuigkracht van het kapitaal? De motor van de maatschappij wordt aangedreven door twee impulsen: door het verlangen van velen om deel te krijgen aan de rijkdom die enkelen hebben; en door de ijver van de rijken om hun kapitaal voortdurend te vermeerderen. Die twee impulsen drijven elkaar op tot één heilloze drift. De economische hysterie. Hier komt alle kwaad op de wereld vandaan.

‘Streef naar gerechtigheid(6:11-16). Is Timoteüs voorbereid om in dit economisch milieu de strijd om de gerechtigheid te voeren? Als hij maar beseft dat het een zaak is van leven en dood. Hier wordt de goede strijd van het geloof uitgevochten. Hier gaat het om de keus voor het rijk van Pilatus of voor het rijk van God. De inzet is de wensdroom van ieder die rijk wil worden: geluk, macht, onbegrensd leven, privacy. Maar – O, ironie – dat alles is bij God te vinden, niet bij Pilatus.

God, die ons alles rijkelijk te genieten geeft’ (6:17-19). Weet de gemeente hoe ze zich moet opstellen tegenover de rijken in de samenleving? Wil ze met hen rivaliseren of gaat ze wrokkig en machteloos moraliseren? Of geneest zij de hysterie door het vertrouwen te wekken dat God hun niets onthoudt, maar hen alle dingen op aarde rijkelijk verléént om er van te genieten. Die schenkende houding kunnen zij dan op hun beurt tonen aan anderen. Dat is investeren in mildheid.

keer u af van het banaal en leeg geredeneer(6:20-21). Zal Timoteüs zelf dit gezonde inzicht kunnen vasthouden? Er wordt op economisch gebied zoveel onzin verkocht door mensen die zeggen dat ze het beter weten. Velen raken de weg kwijt.

De brief eindigt vrij abrupt. De vijf aandachtspunten voor het gemeentebeleid zijn behandeld: de Schrift, de liturgie, de identiteit van de gemeente, haar onderlinge samenhang en haar plaats in de samenleving. Er hoeft niets meer te worden toegevoegd dan de zegen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken