Zeven weken van barmhartigheid
In onze christelijke traditie kennen we verschillende rijtjes om onze gedachten over onze relatie met God te ordenen. Zo’n optelsom als geheugensteun zijn de zeven werken van barmhartigheid: de hongerigen te eten geven, de dorstigen te drinken geven, de naakten kleden, de vreemdelingen onderdak bieden, de zieken bezoeken, de gevangenen bezoeken en de doden begraven. De zeven werken van barmhartigheid zijn ontleend aan Matteüs 25:31-46 en Tobit 1:17. De Romeinse schrijver Lactantius (†320) verbond deze werken van barmhartigheid met elkaar, evenals Augustinus (†430). Pas in de dertiende eeuw worden de zeven werken systematisch ingezet in catechese en spirituele vorming. Wat een bijbelse kerkvader als Augustinus over deze werken zeggen?
Augustinus noemt barmhartigheid (misericordia) een mee-aangedaan zijn in ons hart door het lijden van een ander (miserum cor). Doordat wij mee-aangedaan zijn, worden wij aangespoord om die ander zo veel mogelijk te helpen. Het is een veel grotere barmhartigheid, volgens Augustinus, dat de Zoon van God uit de hemel neerdaalde en werd bekleed met een menselijk lichaam. Hiermee plaatst Augustinus de barmhartigheid die de ene mens tegenover de ander beoefenen bij de bron van alle barmhartigheid: God zelf. God is barmhartig door in de persoon van Jezus Christus mens te worden en dezelfde honger en dorst, kou en hitte te voelen die ieder mensenkind voelt.
Christus vereenzelvigt zich met de behoeftigen
Augustinus vindt vooral inspiratie in Matteüs 25:40: ‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.’ Bijna driehonderd keer verwijst hij in zijn werk naar dit bijbelvers. In deze woorden wordt tot uitdrukking gebracht dat als je iemand die dorst heeft een beker water geeft, je deze beker aan Christus geeft. Als je de naakte vertrapt, vertrap je Christus. In een mooi voorbeeld zegt Augustinus dat Christus de stem is van hen die op aarde niets te vertellen hebben. Hij vergelijkt het met ons lichaam: als iemand je op de voet trapt, zegt je mond: ‘Je trapt me!’ Er is een ander onderdeel van het lichaam dat opkomt voor het ene lid van het lichaam dat geen stem heeft.
Jezus vereenzelvigt zich met de hongerigen. Augustinus’ invulling van het begrip barmhartigheid is gericht en gegrond op Jezus Christus. Hij die de honger van mensen stillen wordt tegelijkertijd verpersoonlijkt door degene die honger heeft. Zo zegt hij dat Christus degene is die voedt, en dat hij omwille van ons ook hongerig is. Christus is degene die weldoet maar tegelijkertijd is hij ook de behoeftige.
Dorst
Een beker koud water kost je nauwelijks iets. Er is nog iets goedkopers dan een beker koud water om de dorst te lessen. Onze goede wil geven kost niets en als wij liefhebben, hebben wij een schat in de hemel. Als wij een dorstige te drinken geven, is dat een uitdrukking van onze goede wil en van onze liefde.
Gebed met twee vleugels
Als je bidt met de woorden van het Onze Vader ‘dat hij onze zonden vergeeft’, dan moet dat gebed twee vleugels hebben, zegt Augustinus. Twee vleugels waarmee het opstijgen tot God. Die vleugels zijn twee soorten aalmoezen. De ene is: vergeef, en jou zal vergeven worden, en de andere is: geef en jou zal gegeven worden. De ene aalmoes moet uit je hart komen en de andere uit je bezit, als je naar het woord van Jesaja 58:7 kleren geeft aan een naakte. Je moet ze allebei doen, want met één vleugel stijgt het gebed niet op.
Marta en Maria
In Lucas 10:38-42 gaat het om gastvrijheid die Jezus ontvangt omwille van zichzelf. Twee zussen, Marta en Maria, ontvangen hem in hun huis. Veel dingen vragen Marta’s aandacht, terwijl Maria gericht is op de Ene. Hoe verhoudt zich dit gericht zijn op de Ene van Maria tot de gastvrijheid van Marta? Ze zijn allebei leerling. De beide vrouwen stellen twee levens voor: ‘Ze staan voor het huidige en het toekomstige leven, een leven van werken en van rust, van verdriet en van geluk, het tijdelijke en het eeuwige leven.’ Marta is de verbeelding van het heden en Maria die van de toekomst. Wat Marta deed, dat doen wij hier op aarde en wat Maria deed, daar hopen we op in de hemel. Door zijn menswording stelt Jezus ons in staat om hem gastvrij te ontvangen. Op die manier bereidt hij voor ons een plek in de hemel.
Jezus als geneesheer
Voor een goede verzorging van de zieken en om te kunnen genezen is een dokter nodig. Dat blinden kunnen zien en lammen kunnen lopen is enerzijds een onderdeel van Gods helende kracht en anderzijds een teken van het komende rijk van God. Het beeld van Jezus als een geneesheer is bijzonder populair bij Augustinus, meer dan dat van herder of verlosser. Een herder is iemand die je leidt, een verlosser is iemand die je vrijkoopt, maar een geneesheer is iemand die je heel maakt. Een dokter is niet voor niets een heelmeester.
Zorg voor gevangenen
Augustinus spreekt zowel over het bezoeken van gevangenen als over het vrijkopen van gevangenen als werk van barmhartigheid. Augustinus gebruikte voornamelijk de toenmalige Latijnse vertaling van de Bijbel. In Matteüs 25:39 wordt in de Latijnse vertaling gezegd: ‘Wanneer zagen we u in de kerker en kwamen wij tot u.’ In Matteüs 25:44 staat er: ‘Wanneer zagen we u in de kerker en hebben u niet gediend.’ Het geeft voor Augustinus ruimte om dit werk in te vullen, door zowel gevangenen te bezoeken als door ze vrij te kopen. De vrijlating van gevangenen was, zeker in een tijd van slavenhandel, een werk waarmee veel onschuldigen gered konden worden.
Zorg voor de doden
Waarom dan toch de zorg voor de doden? Een dood lichaam moet je niet zomaar wegdoen. De Heilige Geest heeft gebruikgemaakt van dit lichaam als een werktuig om goede werken te doen. Een kledingstuk dat van je vader is geweest, of een ring van hem, is je des te dierbaarder als je veel van je vader hebt gehouden. Als je al zo behoedzaam omgaat met een voorwerp dat het lichaam gesierd heeft van iemand van wie je hield, dan moet je nog eerbiediger omgaan met het lichaam zelf, waarmee je toch veel intiemer en hechter verbonden was.