< Terug

Tempelprostitutie

Seksualiteit als offer aan God?

Het is voor velen een fascinerende gedachte: seks in de tempel. Het lijkt echter vooral het ultieme voorbeeld van foute seks, vergelijkbaar met seksueel misbruik van minderjarigen door geestelijken. Godsdienstwetenschappers zullen waarschijnlijk eerder denken aan rituelen rondom het heilige huwelijk zoals je dat in sommige godsdiensten kunt aantreffen. In bijbelvertalingen tref je verwijzingen naar tempelhoeren aan. Gaat het daarbij om hetzelfde? Er zijn ook nogal wat verschillen tussen de vertalingen. Is er eigenlijk ooit wel zoiets als tempelprostitutie geweest? Hebben we te maken met foute (mannen)fantasie?

Seks en godsdienst

Seks en godsdienst is een bekende combinatie. Doorgaans gaat het daarbij om de manier waarop het eerste door het tweede wordt geregeld of liever: beteugeld. Het wordt dan zo voorgesteld dat men God een dienst bewijst door niet ongeremd toe te geven aan seksuele gevoelens. De regels die daartoe in naam van God worden gegeven zijn, zo wordt daar ter motivatie aan toegevoegd, ook voor de mens zelf heilzaam. Ze bewaren er de mens immers voor zich mee te laten sleuren in gevaarlijke hartstocht.

De dienst aan God weegt echter ook zwaar. Dat blijkt uit het feit dat veel mensen zich geroepen voelen iets van hun seksualiteit of zelfs heel hun seksualiteit op te geven ter ere van God. Een voorbeeld van het eerste is dat veel jongeren de keuze om af te zien van seks vóór het huwelijk beschouwen als gehoorzaamheid aan God. Het celibaat is een voorbeeld van het tweede.

Dit zijn beide gevallen waarin seksualiteit in zekere zin als iets negatiefs of op zijn minst als gevaarlijk wordt gezien. Kan het ook anders: seks als offer niet door onthouding, maar juist door het te praktiseren? Met deze vraag begeven we ons Bijbels gezien wel op glad ijs. Met enige goede wil kan Hooglied nog wel gezien worden als een loflied op de door God als schepper gegeven seksualiteit, maar van een direct verband tussen God en seks is geen sprake.

Als dat in een aantal wetsteksten en profetische teksten wel lijkt te gebeuren, dan is het wel duidelijk dat het hier om foute seks gaat. Maar misschien zit het probleem nog wel dieper: is heel dat idee achter zoiets als tempelprostitutie misschien vooral te zien als een bedenkelijke mannenfantasie?

Onder godsdienstwetenschappers woedt er een heftige discussie of er in het oude Nabije Oosten ooit wel zoiets is geweest als een heilig huwelijk en daaraan gelieerde tempelprostitutie. De gegevens daarover in de Mesopotamische en latere Griekse bronnen zijn omstreden. Daarover straks meer. Als bijbellezer kun je op dit terrein sowieso al in de war raken als je betreffende teksten in de verschillende vertalingen bekijkt. We lopen de teksten even langs.

Tempelhoeren en schandknapen

In Genesis 38 wordt het verhaal verteld van Tamar, de schoondochter van Juda, die zich aan hem aanbiedt als prostituee om zo toch nog het gewenste kind te krijgen. Zij wordt in vers 21 aangeduid als qedeshah. Volgens de woordenboeken kan dit ‘tempelhoer’ betekenen, maar in de Nederlandse bijbelvertalingen zien we grote verschillen.

De genoemde associatie met tempelprostitutie vinden we alleen in de Naardense Bijbel (NB, 2004): ‘heiligdomshoer’. Daarmee blijft in de lijn met de vertaalopvatting van de NB het verband met het werkwoord qdsh, ‘heilig zijn’, bewaard. De Herziene Statenvertaling (HSV, 2010) en de Bijbel in Gewone Taal (BIGW, 2014) vertalen met ‘hoer’, De Nieuwe Vertaling van 1951 (NBG 51) vertaalt met ‘deerne’, de Willibrordvertaling (WV, 1978 en 1995) met ‘publieke vrouw’ en de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV, 2004) omschrijft het met ‘de vrouw die haar gunsten aanbood’. In de herziene versie (NBV21) is dat zo gebleven.

Aert de Gelder, Juda en Tamar. 1667.
(Privécollectie)

Terwijl er in Genesis 38 in het verhaal geen direct verband is met een cultusplaats, lijkt dat wel het geval te zijn in Deuteronomium 23:18 (in sommige vertalingen: 17). Daar is het gebod over de qedeshah gekoppeld aan het verbod in vers 19 ‘Gij zult geen hoerenloon of hondengeld in het huis van de HERE, uw God, brengen ter vervulling van een of andere gelofte’. Het ‘hoerenloon’ (in het Hebreeuws wordt hier het bekende woord voor prostituee, zonah, gebruikt)lijkt te verwijzen naar de opbrengst van het werk van de in vers 18 genoemde mensen. Wat met ‘hondengeld’ wordt bedoeld, is niet duidelijk, behalve dan dat het ongetwijfeld negatief bedoeld is. Misschien moeten we beide termen samen lezen, als een hendiadys, waarbij het tweede woord het eerste nog eens extra als verwerpelijk aanduidt. In vers 18 vinden we niet alleen het woord qedeshah, maar ook de mannelijke vorm daarvan, qadesh. In de Nederlandse bijbelvertalingen zien we weer een aantal verschillen:

NBG 51 – Er zal onder de dochters van Israël geen aan ontucht gewijde vrouw zijn, en er zal onder de zonen van Israël geen aan ontucht gewijde man zijn.
WV 78 – Een Israëlitische man of vrouw mag zich niet lenen voor godsdienstige ontucht.
WV 95 – Een Israëlitische man of vrouw mag zich niet lenen voor ontucht.
NB – Nooit mag een heiligdomshoer
er één wezen uit Israëls dochters,-
nooit zal een heiligdomsknaap
er één wezen uit Israëls zonen.
NBV – Geen enkel Israëlitisch meisje mag als hoer bij een tempel zitten en geen enkele Israëlitische jongen als schandknaap.
HSV – Er mag onder de dochters van Israël geen hoer zijn; en er mag geen schandknaap zijn onder de zonen van Israël.
BIGW – Geen enkele Israëliet mag bij de tempel van de Heer werken voor andere goden, vrouwen niet en mannen niet.
NBV21 – Geen enkele Israëlitische vrouw of man mag zich wijden aan een afgod.

Opvallend is dat in de NBG 51 er geen expliciete verwijzing in vers 18 is naar een verbinding met de godsdienst. ‘Gewijd zijn aan’ kun je heel algemeen opvatten. In de WV 78 is er wel sprake van ‘godsdienstige’ ontucht, terwijl het in de herziene versie van 1995 juist weer is weggelaten. Daarin komt zij overeen met de HSV. De NB is zoals verwacht mocht worden consistent in de weergave met ‘heiligdomshoer’ en ‘heiligdomsknaap’.

De NBV windt er ook geen doekjes om en spreekt onomwonden van een ‘hoer’ en een ‘schandknaap’ bij de tempel. In de BIGW is de verwijzing naar prostitutie is vervangen door ‘werken voor andere goden’. In de NBV21 is die lijn voortgezet. Daarbij valt overigens ook op dat de vermelding van de (in het Hebreeuws niet expliciet genoemde) tempel in de NBV (terecht) is weggelaten.

De qadesh wordt ook weer genoemd (en op dezelfde wijze weergegeven in de genoemde vertalingen) in de beschrijving van wantoestanden onder de koningen van Juda, in 1 Koningen 14:24; 15:12 (meervoud); 22:47 en 2 Koningen 23:7 (meervoud). Opmerkelijk genoeg is dat steeds in de mannelijke variant. In het laatst genoemde vers wordt dat versterkt doordat ze samen genoemd worden met ‘vrouwen die kleren(?) voor Asjera weven’. Net zo goed als niet duidelijk is wat die vrouwen daar nu precies aan het maken waren, moeten we ook maar raden waarmee de genoemde mannen zich onledig hielden. Waar dit allemaal plaatsvond, is evenmin duidelijk. In 2 Koningen 23:7 is het verbonden met de tempel in Jeruzalem. In de andere teksten wordt slechts vermeld dat zij zich ‘in het land’ bevonden, dan wel daaruit verwijderd werden.

Hoererij volgens Hosea

Wellicht dat de profeet Hosea ons hier wat verder kan helpen. Wanneer hij zich boos maakt over de afgoderij van de Israëlieten, maakt hij steeds de vergelijking met hoererij. Dat gaat zelfs zo ver dat hij volgens hoofdstuk 1 als een bijzondere vorm van aanschouwelijk onderwijs zelf met een prostituee trouwt en kinderen bij haar verwekt, om dan vervolgens de vergelijking te maken met de relatie tussen God en zijn volk. Later hekelt hij weer ‘de geest van hoererij’ (4:12) en voegt daar een beschrijving van hun afgoderij aan toe die suggereert dat de Israëlieten niet alleen foute offers brengen maar daarbij ook nog aan foute seks doen. In dit geval is sprake van qedeshot, de vrouwelijke vorm, nu in meervoud. Voor alle duidelijkheid geven we de betreffende passage nu weer in de bredere context van Hosea 4:12-14, in de vertaling van de NBG51, die dicht bij het Hebreeuws blijft:

Mijn volk raadpleegt zijn hout, en zijn staf moet het voorlichten. Want een geest van ontucht doet hen dwalen, zodat zij zich in ontucht aan hun God onttrekken. (13) Op de toppen der bergen slachten zij offers en op de heuvelen ontsteken zij die, onder eik, populier en terebint, omdat de schaduw ervan aangenaam is. Daarom bedrijven uw dochters ontucht en plegen uw schoondochters overspel. (14) Ik zal aan uw dochters de ontucht niet bezoeken, die zij bedrijven, noch aan uw schoondochters het overspel dat zij plegen. Want zij zelf zonderen zich af met hoeren (zonot), en brengen offers met aan ontucht gewijden (qedeshot). Zo komt het volk dat geen inzicht heeft, ten val.

Wat in de eerste zin bedoeld is met ‘hout’ en ‘staf’ is niet zeker. Het zou kunnen gaan om bepaalde cultische voorwerpen (BIGT: ‘godenbeelden’), maar volgens sommige uitleggers bedoelt de profeet hier dat de mannen in de ‘geest van ontucht’ achter hun penis aan gaan. Hoe dan ook, de vergelijking tussen afgodendienst en ontucht is onmiskenbaar. Daarbij worden de qedeshot genoemd in een parallel met zonot, ‘prostituees’. Deze voorlaatste zin luidt als volgt in de al eerder geciteerde Nederlandse vertalingen:

WV 78 – De heren zoeken het immers zelf bij de hoeren en brengen hun offers in het gezelschap van tempeldeernen!
WV 95 – De heren zoeken het immers zelf bij de hoeren en brengen hun offers in het gezelschap van tempelprostituees!
NB – want zelf zonderen zij zich af
met de hoeren
en brengen zij met de heiligdomsmeisjes
hun offers;
NBV – want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren.
HSV – want zij zonderen zichzelf af met de hoeren, zij offeren met de tempelhoeren.
BIGW – Want jullie slapen zelf ook met andere vrouwen! En jullie brengen samen met die hoeren offers in de tempel.
NBV21 – want de priesters gaan zelf met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van vrouwen die zich aan afgoden hebben gewijd.

Vragen bij de tempelprostitutie

Al deze vertalingen suggereren dat er in Israël ten tijde van de koningen van Juda (tiende tot de zesde eeuw voor het begin van onze jaartelling) zoiets als tempelprostitutie moet zijn geweest. Toch wordt er tegenwoordig in wetenschappelijke kringen ernstig aan getwijfeld. Er is een heuse tweestrijd gaande. Lange tijd was men het erover eens dat er in Israël net als elders in het oude Nabije Oosten tempelprostitutie werd bedreven. Dat zou zijn oorsprong vinden in mythen over de godin van de vruchtbaarheid en in het ritueel van het heilige huwelijk waarin deze godin zich verbond met een andere god of met de koning om zo de vruchtbaarheid op aarde te bevorderen.

Ook de tempelprostitutie zou passen in dit kader als een vorm van offeren aan de godin van de vruchtbaarheid of de liefde. In Israël zou het dan verbonden zijn geweest met de Kanaänietische goden Baäl en Asjera. Er zijn echter steeds meer geleerden die betwijfelen of er ooit wel zoiets als tempelprostitutie is geweest. In het Nederlandse taalgebied werd dit in 1998 aangekaart door Meindert Dijkstra in zijn bijdrage aan de bundel Eén god alleen …? Over monotheïsme in Oud-Israël en de verering van de godin Asjera. Hij beweert dat ‘de instelling van sacrale prostitutie in Israël (…) beter bijgezet [kan] worden in het rariteitencabinet van de Oudtestamentische wetenschap’ (p. 137).

Niet iedereen is daarvan overtuigd, maar er worden wel steeds meer argumenten aangevoerd. In 2008 publiceerde Stephanie Budin het boek The Myth of Sacred Prostitution in Antiquity, waarin zij beweert dat de vrouwen die in dit kader genoemd worden in Mesopotamische teksten geen prostituees waren, maar ongehuwde, zelfstandige vrouwen. Tien jaar later verscheen er in het gerenommeerde tijdschrift Vetus Testamentum een uitgebreid artikel van Jessie DeGrado, waarin hij beweert dat ook met de qedesha in Hosea 4:14 geen tempelprostituee wordt aangeduid, maar een vrouwelijke cultusfunctionaris. Weliswaar was zij betrokken bij afgodendienst, maar dat hield niet in dat zij seksuele diensten verrichtte. Dat behoort tot het rijk der (mannelijke) fabelen en kan dus beter te ruste worden gelegd, zoals hij aanduidt met de titel van zijn artikel: ‘The qdesha in Hosea 4:14: Putting the (Myth of the) Sacred Prostitute to Bed’. Een belangrijk argument is dat het verwante woord in het Akkadisch, qadishtu, een aanduiding is van een cultisch functionaris of soms van een vroedvrouw, maar nooit verwijst naar prostitutie.

In het Rabbijnse, na-Bijbelse Hebreeuws heeft qedesha die negatieve betekenis juist wel. Volgens DeGrado is hier sprake van een betekenisverschuiving. Zoals gezegd aan het begin, betekent het werkwoord qdsh ‘heilig zijn’. In de causatieve vorm heeft het in het Hebreeuws ook de meer algemene betekenis ‘apart zetten’. Zo kon het gebruikt worden als een aanduiding voor vrouwen die niet gebonden waren aan het huwelijk. Daar ontwikkelde zich een negatieve variant op als een verwijzing naar vrouwen die deze vrijheid aangrijpen voor verwerpelijke seksuele activiteiten. Die laatste betekenis zou het in de Hebreeuwse Bijbel nog niet hebben gehad.

In het recente Hebreeuwse woordenboek The Dictionary of Classical Hebrew (deel 7, 2011) zien we deze opvatting ook terug. Daar wordt het mannelijke qadesh vertaald met ‘(male) shrine attendant’ en wordt eraan toegevoegd: ‘formerly supposed to be a cult prostitute’. Hetzelfde zien we de vrouwelijke vorm qedeshah: ‘(female) shrine attendant’ met dezelfde toevoeging. In het Nederlands zouden we kunnen denken aan ‘cultusdienares’ of ‘heiligdomsvrouw’. Dat komt dicht bij de weergave in Hosea 4:14 in de Naardense Bijbel met ‘heiligdomsmeisjes’, waarbij het overigens opvalt dat dit positiever (en vreemd genoeg niet strikt concordant en dus in tegenspraak tot het in deze gehuldigde principe van de Naardense Bijbel) is dan het ‘heiligdomshoer’ in Genesis 38:21 en Deuteronomium 23:18.

Het misverstand van Herodotus

Dat de qedeshot in één adem genoemd worden met prostituees lijkt vooral iets te zeggen over de teloorgang van de cultus en niets over de cultusdienaressen zelf. Bij deze vrouwen en mannen in dienst van de tempel zouden we dan eerder moeten denken aan zo iemand als de jonge Samuël, al is hij dan wel in zoverre een uitzondering dat hij later carrière heeft gemaakt als rechter en profeet.

De vraag blijft nu echter wel wat er dan mis was met de in Deuteronomium en Koningen genoemde cultusdienaren. Moeten we nu met Dijkstra, Budin en DeGrado heel het idee van tempelprostitutie ten grave dragen? In zijn fraaie boek Vrouwen van Babylon: Prinsessen, priesteressen, prostituees in de bakermat van de cultuur (2012) somt Marten Stol een aantal teksten op die wel degelijk wijzen op zoiets als tempelprostitutie. Hij noemt bijvoorbeeld de volgende vloek: ‘Men moge zijn zeven zonen voor god Adad verbranden, men moge zijn zeven dochters aan Ishtar als hoeren overlaten’. Hiertegen kan men inbrengen dat zo’n vloek een vertekend beeld van de werkelijkheid kan geven. Ook voor andere aanwijzingen geldt dat nergens duidelijk wordt beschreven hoe we ons de praktijk van dit soort prostitutie zouden moeten voorstellen. Dat gebeurt wel door Herodotus, maar deze Griekse schrijver uit de vijfde eeuw voor het begin van onze jaartelling schreef zijn tekst over de Babylonische gebruiken in zijn Historiën (1.199) in een tijd dat het Babylonische rijk al niet meer bestond. Het is goed om zijn tekst over dit onderwerp hier in zijn geheel te citeren, omdat hij grote invloed heeft gehad op de bestudering van dit onderwerp.

De meest verwerpelijke gewoonte van de Babyloniërs houdt het volgende in. ledere daar woonachtige vrouw moet eenmaal in haar leven in de tempel van Afrodite gaan zitten en gemeenschap hebben met een vreemdeling. Veel vrouwen die het beneden hun waardigheid achten om daar midden tussen andere vrouwen te zitten, omdat hun rijkdom hen verwaand heeft gemaakt, rijden in huifkarren naar de tempel en staan daar dan, gevolgd door een stoet personeel. Maar de meerderheid gaat als volgt te werk. De vrouwen zitten in het heilige domein van Afrodite met een krans van koorden op hun hoofd, een groot aantal, want sommigen komen juist aan, anderen vertrekken. Er zijn kaarsrechte doorgangen in alle richtingen door het midden van de vrouwen; daarlangs lopen de vreemdelingen om hun keus te maken. Wanneer een vrouw daar eenmaal is gaan zitten, mag ze niet naar huis terugkeren voordat een van die mannen een zilveren munt in haar schoot heeft geworpen en buiten de tempel gemeenschap met haar heeft gehad. Bij het werpen van de munt hoeft hij alleen maar te zeggen: ‘Ik roep de godin Mylitta voor u aan!’. Mylitta is de Assyrische naam voor Afrodite. Hoe groot dat geldbedrag is doet er niet toe, want de vrouw zal het niet weigeren, dat is haar niet toegestaan, omdat dat geld aan de godin is gewijd. Met de man die als eerste een munt heeft geworpen gaat zij mee; ze zal niemand afwijzen. Wanneer de gemeenschap heeft plaatsgevonden, gaat ze naar huis: ze heeft haar plicht tegenover de godin vervuld. Van dat ogenblik af kunt u haar nog zo’n groot bedrag bieden, zij zal het niet accepteren. Vrouwen die kunnen bogen op een mooie, rijzige gestalte, keren al spoedig naar huis terug, maar lelijke vrouwen moeten lang wachten, omdat ze de gewoonte niet kunnen nakomen. Sommige vrouwen wachten wel drie of vier jaar. Op sommige plaatsen op Cyprus bestaat een vergelijkbare gewoonte.

(vertaling: Wolther Kassies)

Dit is onmiskenbaar een mannenfantasie over gerechtvaardigde, goedkope seks buiten het huwelijken met grappen over de verschillende soorten vrouwen. Op basis van wat we nu weten over de rol van vrouwen in de Babylonische cultus kunnen we ook stellen dat het slechts ten dele is gebaseerd op de feiten. In een artikel van Karel van der Toorn, met instemming ook aangehaald door Marten Stol, wordt aannemelijk gemaakt dat Herodotus waarschijnlijk aan de haal gegaan is met het door hem niet goed begrepen fenomeen van het inlossen van een gelofte. We kennen dat ook in het oude Israël: mensen konden een gelofte doen, waarbij zij aan God een verzoek doen en als tegenprestatie een offer beloven. Dat offer kon bestaan uit of omgezet worden in een geldbedrag. Wanneer een vrouw om een of andere reden dat bedrag uiteindelijk niet op kon brengen, kon ze haar toevlucht nemen tot betaalde seks. Spreuken 7 lijkt te waarschuwen voor getrouwde vrouwen die om deze reden argeloze jongemannen benaderen.

Rehabilitatie van de cultusdienaressen en -dienaren

Ook Deuteronomium 23:18–19 kunnen we tegen deze achtergrond lezen. Ook daar is namelijk sprake van de vervulling van een gelofte. We kunnen concluderen dat er in Deuteronomium 23:18–19 wel degelijk sprake is van foute seks en dat daar ook cultusfunctionarissen bij betrokken waren. Dat mag er echter niet toe leiden om alle cultusfunctionarissen daarvan te betichten. Net zo goed als alle ontuchtschandalen in de Rooms-Katholieke Kerk er niet toe mogen leiden om alle pastoors voor kinderverkrachters uit te maken.

Ook wanneer Juda het vermoeden uitspreekt dat de vrouw met wie hij seks gehad heeft een qedeshah was, dan wil dat nog niet zeggen dat hij aan een tempelprostituee dacht. Het kan ook worden uitgelegd als een verwijzing naar een niet-gehuwde, volwassen vrouw zoals die vooral onder cultusdienaressen gevonden werden. Daarom is het goed dat we de qedeshah en de qadesh in ieder geval het voordeel van de twijfel te gunnen en voortaan niet meer bij voorbaat uitmaken voor hoer en schandknaap. Ook wat dit betreft mogen dus ook blij zijn met de herziening van de NBV en de uitleg daarvan door Matthijs de Jong in het begeleidende boek NBV21. De vertaalmethode toegelicht (p. 184-185): ‘Geen tempelhoeren!’

Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam en hoofdredacteur van Schrift.

Literatuur

Stephanie Budin, The Myth of Sacred Prostitution in Antiquity (Cambridge University Press, 2008).

Jessie DeGrado, ‘The qdesha in Hosea 4:14: Putting the (Myth of the) Sacred Prostitute to Bed’, Vetus Testamentum 68 (2018), 8–40.

Meindert Dijkstra, ‘Vrouwen en godsdienst in het Oude Testament’, in: Bob Becking en Meindert Dijkstra (red.), Eén god alleen …? Over monotheïsme in Oud-Israël en de verering van de godin Asjera (Kampen: Kok 1998), 125-147.

Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, NBV21. De vertaalmethode toegelicht (Haarlem: NBG 2021).

Wolther Kassies, Herodotus Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht (Amsterdam: Athenaeum–Polak&Van Gennep, 2019).

Marten Stol, Vrouwen van Babylon: Prinsessen, priesteressen, prostituees in de bakermat van de cultuur (Utrecht: Kok, 2012). Dit boek is in de Engelse vertaling Women in the Ancient Near East kosteloos beschikbaar als open access ebook via https://www.degruyter.com/document/doi/10.1515/9781614512639/html.

Karel van der Toorn, ‘Female Prostitution in Payment of Vows in Ancient Israel’, Journal of Biblical Literature 108 (1989), 193–205.


< Terug